Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:798

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-06-2013
Datum publicatie
17-09-2013
Zaaknummer
12/02506 J
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:706, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Voorbedachte raad. HR herhaalt HR ECLI BR2342. Gelet op hetgeen in dat arrest is vooropgesteld m.b.t. mogelijke contra-indicaties is ’s Hofs oordeel dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2013/456
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/02506 J

Mr. Machielse

Zitting 11 juni 2013

Conclusie inzake:

[verdachte] 1

1. Het gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft verdachte op 27 april 2012 wegens 1. subsidiair “zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade” veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met daaraan verbonden een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarde van jeugdreclasseringstoezicht. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, een en ander als in het arrest omschreven. Ten slotte heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van een onder verdachte in beslag genomen luchtdrukpistool.

2. Verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld. Namens hem heeft mr. M.D. Winter, advocaat te ’s-Gravenhage, een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie. De raadsman van de benadeelde partij, mr. P. Meijer, advocaat te Rotterdam, heeft op het ingevolge art. V van het Procesreglement toegezonden derde middel tijdig een verweerschrift ingediend.

3.1 In het eerste middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, ontwaar ik de klacht dat de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair, voor zover inhoudende dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, onvoldoende met redenen is omkleed.

3.2 Ten laste van verdachte is onder 1. subsidiair bewezen verklaard dat:

“hij op 13 juni 2010 te ’s-Gravenhage aan een persoon (te weten [betrokkene 1]), opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg met een luchtbuks een kogel op die [betrokkene 1] af te vuren, waardoor die [betrokkene 1] in het linkeroog is geraakt door die kogel.”

3.3 Deze bewezenverklaring steunt, voor zover relevant, op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 13 juni 2010 van de politie Haaglanden, nr. PL1514 2010121717-1, welk proces-verbaal onder meer inhoudt - zakelijk weergegeven - als de op 13 juni 2010 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] (blz. 71-72):

Op 13 juni 2010 ben ik onder anderen met mijn broer naar de [a-straat 1] te [plaats] gereden om te praten over de relatie van [verdachte] en [betrokkene 2]. Wij zijn al jaren bevriend met de familie [betrokkene 2]. Ik ben met mijn broer naar de voordeur gelopen en heb aangebeld. Ik zag in de woning een jongen voor het raam staan. Ik zag dat deze jongen het raam opende. Ik hoorde een knal en voelde ineens een hevige pijn in mijn linkeroog. Ik ben met een geweer beschoten.

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 juni 2010 van de politie Haaglanden, nr. PL1514 2010121717-28, welk proces-verbaal onder meer inhoudt - zakelijk weergegeven - als de op 14 juni 2010 afgelegde verklaring van [betrokkene 3] (blz. 105-106):

Na aankomst bij de woning van de ex-vriend van [betrokkene 2] stapte ik uit de auto. Ik zag dat mijn broer [betrokkene 1] aanbelde bij de woning. Ik liep toen naar mijn broer toe en zag voor een open raam van de woning een jongen staan met een geweer in zijn beide handen. Ik zag dat de jongen een naar zich toe

trekkende beweging maakte, dat hij de loop van het geweer richtte op het hoofd van mijn broer en dat mijn broer op dat moment in de richting van het openstaande raam keek. Ik hoorde een geluid dat ik eerder op de kermis had gehoord bij schiettenten.

3. De ter terechtzitting in hoger beroep van 30 maart 2012 door de verdachte afgelegde verklaring, inhoudende - zakelijk weergegeven - :

Ik was op 13 juni 2010 thuis. Op enig moment ging de deurbel. Er stonden twee mannen bij ons voor de deur. Ik bevond mij op dat moment op de begane grond. Ik ben snel via de trap naar de eerste verdieping gegaan, heb me naar een kamer begeven, daar een luchtbuks gepakt en er een kogel in gestopt. De kogeltjes lagen bij het wapen, in een bakje. Ik heb het raam geopend en vanuit dat raam gericht geschoten. Ik was boos, omdat de politie mij die dag niet serieus had genomen door geen aangifte van een mishandeling van mij op te willen nemen. Ik heb daarom niet aan een andere oplossing gedacht en heb geschoten. Ik wist dat de luchtbuks verwondingen kon veroorzaken. Ik had niet vaker met de buks geschoten.

4. Een geschrift, zijnde een brief d.d. 23 juli 2010, ondertekend door dr. P.R. van den Biesen, oogarts. Deze brief (die zich bevindt bij de stukken betreffende de civiele vordering van het slachtoffer) houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in:

Wij zagen [betrokkene 1] op 14 juni 2010 wegens een verwonding van het linkeroog door een kogel. De kogel bleek dwars door het oog te zijn gegaan en zich achter de oogbol in de oogkas te bevinden. Op 16 juni 2010 heb ik het linkeroog geopereerd. In het oog was de schade zo groot dat er geen mogelijkheden voor herstel van enige gezichtsscherpte waren. De oogdruk is weggevallen en het oog is kleiner geworden.”

3.4 Het hof heeft in zijn arrest ten aanzien van het bewijs nog het volgende overwogen:

“De raadsman heeft op gronden als vermeld in zijn pleitaantekeningen, aangevoerd dat bij de verdachte ten tijde van het onder 1 ten laste gelegde geen sprake is geweest van opzet, noch van voorbedachte raad.

Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast, zakelijk weergegeven:

1. De aangever [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij op 13 juni 2010 met onder meer zijn broer [betrokkene 3] naar de [a-straat 1] te 's-Gravenhage (zijnde de woning van de verdachte) is gereden om te praten over de relatie van de verdachte en - de hen bekende - [betrokkene 2]. Aangever zag een jongen voor het raam van de woning staan. De jongen opende het raam. Aangever hoorde een knal en voelde ineens een hevige pijn in zijn linkeroog (blz. 71-72 van het proces-verbaal van politie met nr. PL1514 2010121717 (hierna: het proces-verbaal));

2. [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij na aankomst bij de woning van de verdachte uit de auto stapte en zag dat zijn broer aanbelde bij de woning. [betrokkene 3] liep toen naar zijn broer toe, en zag voor een open raam van de woning een jongen staan met een geweer in zijn beide handen. [betrokkene 3] zag dat de jongen de loop van het geweer richtte op het hoofd van diens broer en dat zijn broer op dat moment in de richting van het openstaande raam keek. [betrokkene 3] hoorde een geluid dat hij eerder op de kermis had gehoord bij schiettenten (blz. 105-106 van het proces-verbaal).

3. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 30 maart 2012 verklaard dat hij, toen de broers Soerahi aan de deur kwamen, zich op de begane grond bevond, snel via de trap naar de eerste verdieping is gegaan, dat hij zich naar een kamer heeft begeven, daar een luchtbuks heeft gepakt, er een kogel in heeft gestopt, het raam heeft geopend en vanuit dat raam gericht heeft geschoten. De verdachte was boos vanwege het feit dat de politie hem die dag, door geen aangifte van een mishandeling van hem op te willen nemen, niet serieus had genomen. De verdachte heeft daarom niet aan een andere oplossing gedacht en heeft geschoten. De niet geraakte man stond achter de geraakte man. Een en ander is volgens de verdachte heel snel gegaan; alles heeft binnen 30 seconden plaatsgevonden. De verdachte wist dat de luchtbuks verwondingen kon veroorzaken.

Op grond van het vorenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - is het hof van oordeel dat is bewezen dat de verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg met een luchtbuks een kogel op (het hoofd van) [betrokkene 1] heeft afgevuurd. Het hof hecht geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij richtte op de plantenbak waar het slachtoffer voor/bij stond en gaat uit van de verklaring van [betrokkene 3]. Anders dan kennelijk de raadsman is het hof van oordeel dat [betrokkene 3] het gebeurde wel degelijk heeft kunnen waarnemen, nu immers ook de verdachte heeft verklaard over diens aanwezigheid voor de woning ten tijde van het schieten ("de niet geraakte man stond achter de geraakte man").

De verdachte was, naar zijn eigen zeggen, een ongeoefend schutter en hij richtte op het hoofd van het slachtoffer, zodat de kans dat de verdachte met zijn schot een vitaal onderdeel in/aan het hoofd zou raken, naar het oordeel van het hof, aanmerkelijk is geweest. Het hof is van oordeel dat de verdachte door te handelen als voormeld, te weten door op het hoofd van het slachtoffer te richten en te schieten, willens en wetens de aanmerkelijke kans op (het ontstane) zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Er is derhalve sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Anders dan de raadsman acht het hof de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 3], zoals hierboven weergegeven, betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. De door de raadsman genoemde aspecten die hem doen twijfelen aan het waarheidsgehalte van die verklaringen brengen het hof niet tot een ander oordeel. Voor zover het bij die aspecten gaat om verschillen in de verklaringen over het tijdsbestek waarbinnen het gebeurde zou hebben plaatsgevonden overweegt het hof dat deze verschillen niet relevant zijn nu de verdachte over het tijdsbestek zelf uitgebreid heeft verklaard en het hof van diens (hierboven onder 3 genoemde) verklaring uitgaat. Ook de overige door de raadsman (op pagina's 2 en 3 van zijn pleitaantekeningen) genoemde beschouwingen ter onderbouwing van zijn verweer brengen het hof niet tot een ander oordeel, nu dit punten van ondergeschikt belang betreft.

Het verweer wordt verworpen.”

3.5 Blijkens het verkort arrest en de aanvulling daarop heeft het hof bij zijn oordeel over het bewijs de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen:

- op 13 juni 2010 belden de broers [betrokkene 1] en [betrokkene 3] aan bij de woning van verdachte;

- verdachte is daarop snel vanaf de begane grond naar een kamer op de eerste verdieping gelopen, heeft een daar aanwezige luchtbuks gepakt en er een kogel in gestopt, heeft een raam geopend en, terwijl hij de loop van het geweer op het hoofd van [betrokkene 1] richtte en deze [betrokkene 1] in de richting van het openstaande raam keek, gericht vanuit het raam geschoten;

- direct daarna voelde [betrokkene 1] een hevige pijn in zijn linkeroog; later bleek dat een kogel dwars door zijn linkeroog was gegaan en zich achter de oogbol in de oogkas bevond.

3.6 Ik stel voorop dat het standpunt van de steller van het middel dat het bewijs van voorbedachte raad niet zou kunnen worden afgeleid uit bijv. hetgeen getuigen waarnemen geen steun vindt in het recht.2

Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar dit is op zichzelf geen allesbepalende factor aangezien dit de rechter er niet van behoeft te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.3

3.7 Het oordeel van het hof dat verdachte met voorbedachte raad handelde toen hij met een luchtbuks een kogel op [betrokkene 1] afvuurde, acht ik niet zonder meer begrijpelijk. Hierbij neem ik in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat verdachte boos was op het moment dat hij geconfronteerd werd met de aanwezigheid van de (naar ik uit het arrest opmaak hem niet bepaald gunstig gezinde) broers [betrokkene 1] bij zijn woning en dat tussen het aanbellen en het schieten niet meer dan 30 seconden zijn verstreken. Het hof heeft niet expliciet vastgesteld dat verdachte, gelet op de gemoedstoestand waarin hij verkeerde, in dat tijdsbestek voldoende , gelegenheid had om zich te beraden op het besluit om te schieten en dat hij dus niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Hierdoor is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.8 Het middel slaagt.

4. Gelet op het voorgaande meen ik dat het tweede middel (over de bewezenverklaring van (voorwaardelijk) opzet) geen bespreking behoeft, maar in het geval Uw Raad daarover anders denkt ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.

5.1 Het derde middel klaagt over de gedeeltelijke toewijzing door het hof van de vordering van de benadeelde partij.

5.2 Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken - die onderwerp hebben uitgemaakt van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep - bevinden zich door de gemachtigde raadsman van de benadeelde partij ingediende stukken, inhoudende dat smartengeld wordt gevorderd ter hoogte van € 20.000 (bij wijze van voorschot), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, alsmede de door de benadeelde partij gemaakte kosten ten bedrage van € 2.396,29.

5.3 Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota heeft verdachtes raadsman aldaar het volgende aangevoerd met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij:

“De eigen schuld bij de benadeelde is in de ogen van de verdediging op onjuiste wijze door de rechtbank gewogen. Gezien de omvang van de door de benadeelde gevorderde schadevergoeding en diens mate van eigen schuld, is de verdediging van oordeel dat deze zaak alleen door de civiele rechter op fatsoenlijke wijze kan worden afgewikkeld. Derhalve wordt verzocht de benadeelde niet-ontvankelijk te verklaren in diens vordering.”

5.4 Het hof heeft in zijn arrest, voor zover thans relevant, het volgende overwogen:

“In het onderhavige strafproces heeft [betrokkene 1] zich, vertegenwoordigd door mr. B. Weggemans, als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot bedragen van respectievelijk EUR 56,60 (medische kosten) en EUR 20.000,-- (smartengeld), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2010.

In hoger beroep is de vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van EUR 20.000,--.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van EUR 20.000,-- met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering tot vergoeding van immateriële schade leent zich naar 's hofs oordeel - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van EUR 5.000,--.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof - gelet op het beroep door of namens de verdachte gedaan op de eigen schuld van het slachtoffer aan het ontstaan van de schade - een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Naar oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van EUR 56,60 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Het hof zal bepalen dat het in totaal toegewezen bedrag aan schadevergoeding (EUR 5.056,60) vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Een en ander brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op EUR 2.396,29, en in de kosten die de benadeelde [partij] ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog [moet] maken.”

5.5 De steller van het middel voert aan dat het hof door € 5.000 smartengeld toe te wijzen, ten onrechte een voorschot heeft genomen op de eventuele civiele rechtsstrijd waarin alle elementen van de gestelde eigen schuld van het slachtoffer aan de orde zullen komen.

5.6 Bij de bespreking van het middel dient te worden vooropgesteld dat het oordeel betreffende de gegrondheid van de vordering van de benadeelde partij en de aannemelijkheid van schade - verweven als dit oordeel is met waarderingen van feitelijke aard - in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Er kan slechts worden onderzocht of dat oordeel de grenzen van het begrijpelijke overschrijdt,4 terwijl een nadere motivering van dat oordeel alleen wordt verlangd indien gemotiveerd is betwist dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het feit in de gestelde omvang schade heeft geleden.5

5.7 Het hof heeft verdachte veroordeeld tot betaling van € 5.000 aan de benadeelde partij bij wijze van voorschot. Dit laatste houdt in dat dat bedrag strekt tot vergoeding van een gedeelte van de schade die de benadeelde partij rechtstreeks heeft geleden door het bewezenverklaarde feit en dat de vordering ten aanzien van dat bedrag niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zodat zij zich leent voor toewijzing door de strafrechter.6 In het licht van de bewezenverklaarde handelingen van verdachte, te weten het met een luchtbuks gericht een kogel afvuren in de richting van (het hoofd van) het slachtoffer, alsmede de uit bewijsmiddel 4 en de inhoud van de vordering blijkende gevolgen, namelijk dat het slachtoffer door de kogel is geraakt in zijn linkeroog en hierdoor blijvend blind is geworden, is ‘s hofs oordeel dat, wat er ook zij van (de mate van) eventuele eigen schuld van het slachtoffer waarover civielrechtelijk nog kan worden geprocedeerd, een gedeelte van de vordering ter hoogte van € 5.000 reeds nu voor toewijzing in aanmerking komt, niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

5.8 Het middel faalt.

6. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel behoeft geen bespreking. Het derde middel faalt en kan naar mijn oordeel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen.

7. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Gravenhage, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Er bestaat samenhang tussen onderhavige zaak en de zaak met nummer 12/02509 J ([verdachte]). In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

2 Bijv. HR 9 juli 1992, NJ 1992, 772 m.nt. Knigge; HR 22 februari 2005, LJN AR5714.

3 Zie bijv. HR 28 februari 2012, LJN: BR2342, NJ 2012, 518 m.nt. Keulen, r.ov. 2.7.3; HR 15 januari 2013, LJN: BY5678, r.ov. 3.3.

4 Vgl. HR 21 maart 2006, nr. 00338/05, LJN: AV1137 (niet gepubliceerd).

5 Vgl. HR 17 november 1998, NJ 1999, 151 en de conclusies bij HR 9 januari 2001, LJN: ZD2210 en HR 10 april 2001, LJN: ZD1814.

6 Vgl. HR 19 maart 2002, LJN: AD8963. Zie hieromtrent ook F.F. Langemeijer, “Het slachtoffer en het strafproces”, Kluwer 2004, p. 60-61.