Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:79

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-04-2013
Datum publicatie
18-07-2013
Zaaknummer
11/05520
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:120, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/05520

Mr. Machielse

Zitting 9 april 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]1

1. Het gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, heeft verdachte op 28 november 2011 wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer gelast van een aantal in beslag genomen voorwerpen en de vordering van de benadeelde partij toegewezen, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, een en ander zoals nader omschreven in het arrest.

2. Mr. B.A.C. van Tuinen, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld.

Mr. I. Baardman, eveneens advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3.1 Het middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, klaagt over ’s hofs verwerping van een in hoger beroep gevoerd verweer betreffende de vordering van de benadeelde partij.

3.2 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 november 2011 heeft de raadsman van verdachte aldaar, voor zover hier relevant, slechts het volgende aangevoerd:

“Wat betreft de benadeelde partij wil ik aangeven dat de benadeelde partij wel zelf geprobeerd heeft om de sigaretten terug te krijgen. Dit is echter niet gebeurd. Vanuit het parket is hierop niet gereageerd. Om die reden verzoek ik om de vordering af te wijzen.”

3.3 Het hof heeft in zijn arrest ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij overwogen:

“De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat daarop een besluit kan worden genomen. Voorts bevreemdt het de raadsman waarom er meer wordt gevorderd dan het eigen risico van € 1.500,00. Daarnaast heeft de benadeelde partij het Openbaar Ministerie verzocht tot teruggave van de sigaretten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van

€ 1.720,00. Ambtshalve merkt het hof op dat de eventuele omstandigheid dat de schade niet door het Openbaar Ministerie is beperkt, de schadeplichtigheid van verdachte jegens de benadeelde niet raakt omdat het Openbaar Ministerie buiten die rechtsverhouding staat. Bovendien heeft verdachte geen afstand gedaan van de gestolen goederen.”

3.4 De steller van het middel voert aan dat het hof het verweer dat geen sprake is van een rechtstreeks verband tussen het bewezen verklaarde feit en de gestelde schade voor zover deze betrekking heeft op de sigaretten, ten onrechte althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen. De schade aan de sigaretten is volgens de steller van het middel ontstaan doordat niet adequaat is gereageerd op de verzoeken van de benadeelde partij om teruggave van de sigaretten en het feit dat deze dientengevolge door tijdsverloop onverkoopbaar zijn geworden.

3.5 Ingevolge art. 361, tweede lid aanhef en onder b, Sv betreft één van de voorwaarden voor ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering dat aan haar rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit. De Memorie van Toelichting bij de Wet van 23 december 1992 tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten,2 houdt met betrekking tot het begrip “rechtstreekse schade” onder meer het volgende in:

“Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd.”3

3.6 Bewezenverklaard is dat verdachte op 29 september 2009 tezamen en in vereniging met anderen onder meer sigaretten heeft weggenomen uit een [A]-filiaal te Blaricum. Blijkens het zich bij de mij ambtshalve bekende gedingstukken in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 2] bevindende voegingsformulier van de benadeelde partij, is door dit feit een schade ontstaan ter hoogte van € 6263,89, waarvan € 4543,89 is vergoed door de verzekering. Aangezien de diefstalbepaling bij uitstek is geschreven teneinde het vermogen, in het bijzonder de eigendom van en beschikkingsmacht over roerende zaken te beschermen,4 en de door verdachte medegepleegde diefstal in casu een condicio sine qua non betreft voor het ontstaan van de schade, en in aanmerking genomen het feit dat de eerst in cassatie een beroep wordt gedaan op feiten en omstandigheden die het rechtstreeks verband tussen het begane feit en het ontstaan van de schade zouden aantasten, is de beslissing van het hof tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij toereikend gemotiveerd.

3.7 Het middel faalt.

4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Er bestaat samenhang tussen onderhavige zaak en de zaken met nummers 11/05347 ([medeverdachte 3]) en 11/05501 ([medeverdachte 2]) In deze zaken zal ik vandaag eveneens concluderen.

2 Stb. 1993, 29.

3 Kamerstukken II 1989-1990, 21 345, nr. 3, p. 11; HR 11 april 2006, LJN: AV4007, NJ 2006, 263, r.ov. 3.3.1; HR 15 februari 2011, LJN: BP0095, NJ 2011, 94, r.ov. 3.2.6.

4 Vgl. HR 23 mei 1921, NJ 1921, p. 564; HR 31 januari 2012, LJN: BQ9251, NJ 2012, 536 m.nt. Keijzer, r.ov. 3.3.2.