Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:785

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-09-2013
Datum publicatie
18-10-2013
Zaaknummer
13/03067
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:981, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. Vervangende toestemming erkenning (art. 1:204 lid 3 BW). Aan een cassatiemiddel te stellen eisen. Feitelijk oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/497
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/03067

Mr. F.F. Langemeijer

6 september 2013 (art. 80a RO)

Conclusie inzake:

[de moeder]

tegen

[de man]

1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad1. Uit de moeder is op [geboortedatum] 2008 een dochter geboren, genaamd [de dochter]. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit. Gerekestreerde in cassatie (hierna: de man) heeft op de voet van art. 1:204 lid 3 BW vervangende toestemming verzocht om de dochter als zijn kind te erkennen. De moeder heeft daartegen bezwaar gemaakt; de voor het kind benoemde bijzondere curator niet. Na een onderzoek en vervolgens aanvullend onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te hebben gelast, heeft de rechtbank te Breda bij beschikking van 11 juli 2012 het verzoek toegewezen.

2. Op het hoger beroep van de moeder heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 21 maart 2013 de beslissing van de rechtbank bekrachtigd. De moeder heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. De man heeft gebruik gemaakt van de optie in art. 9a.8 Reglement rekestzaken.

3. Middel 1 bestrijdt het oordeel dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd dat haar belang bij een ongestoorde verhouding met de dochter door de verzochte erkenning zal worden geschaad (rov. 3.11.4). Het middel bevat geen rechtsklacht (art. 79 lid 1 onder b RO). Daar waar het middel nader onderzoek naar de feiten bepleit en uitmondt in de klacht dat het hof in alle redelijkheid niet tot dit oordeel heeft kunnen komen, miskent de moeder dat in cassatie geen nieuw onderzoek naar de feiten wordt verricht (art. 419 Rv). Ook de waardering van de feiten kan in cassatie niet met succes ter discussie worden gesteld. Voor zover het middel is bedoeld als motiveringsklacht2, voldoet de klacht niet aan de daaraan te stellen eisen3.

4. Middel 2 betreft het oordeel dat de moeder onvoldoende haar stelling heeft onderbouwd dat de door de man beoogde erkenning de belangen van de dochter zou schaden (rov. 3.11.5). Ook deze klacht voldoet niet aan de eisen waaraan een cassatiemiddel volgens de wet moet voldoen. Zo blijft de klacht dat “alle positieve en negatieve gevolgen van een dergelijke beslissing (…) moeten worden bekeken” en dat dit niet deugdelijk is gebeurd (blz. 12 cassatierekest) zonder betekenis als cassatiemiddel indien daarbij niet concreet en met opgaaf van redenen wordt aangegeven welke rechtsregel door het hof zou zijn geschonden, respectievelijk: indien daarbij niet concreet wordt aangegeven waarom de redengeving de bestreden beslissing niet zou kunnen dragen of anderszins voor de lezer onbegrijpelijk zou zijn. In het middel is niet nader aangeduid op welke grieven van de moeder het hof niet zou zijn ingegaan (blz. 11 cassatierekest).

5. Middel 3 is gericht tegen de slotafweging in rov. 3.11.6. De klacht houdt in dat het hof de belangen van de betrokkenen niet, althans op onjuiste wijze, tegen elkaar heeft afgewogen. Deze klacht faalt. De afweging door het hof van de belangen van de verwekker bij erkenning tegenover de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind en de belangen van het kind bij niet-erkenning is in hoge mate verweven met waarderingen van feitelijke aard, die zijn voorbehouden aan de feitenrechter. Het resultaat van die belangenafweging is in cassatie slechts in beperkte mate te toetsen. Het hof is van een juiste rechtsopvatting uitgegaan. Immers, het hof heeft de belangen van de moeder, de dochter én de vader in zijn oordeel in rov. 3.11.6. betrokken. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, gelet op rov. 3.11.3 - 3.11.5 waarin een deugdelijke motivering is te vinden. Het hof vermeldt in rov. 3.11.5 bovendien dat zowel de Raad voor de Kinderbescherming als de bijzondere curator hebben aangevoerd dat erkenning door de vader in het belang van de dochter is.

6. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de in art. 80a lid 1 RO vermelde grond.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a - g.

1 Zowel bij de man als bij de moeder is sprake geweest van een wijziging van de achternaam.

2 Met name op blz. 7 van het cassatierekest bovenaan.

3 Zie voor deze eisen: HR 24 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0828.