Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:779

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-09-2013
Datum publicatie
22-11-2013
Zaaknummer
12/04388
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1392, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap bij echtscheidingsconvenant. Vraag of bepaalde schulden in verdeling zijn betrokken, art. 3:179 lid 2 BW. Uitleg convenant, passeren essentiële stellingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/549
JPF 2014/45
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 12/04388

Roldatum: 6 september 2013

mr. Wuisman

CONCLUSIE inzake:

[de vrouw],

eiseres tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

tegen

[de man],

verweerder in cassatie,

advocaat: mr. J. Biemond.

1 Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:(1)

( i) Eiseres tot cassatie (hierna te noemen: de vrouw) en verweerder in cassatie (hierna te noemen: de man) zijn op 7 september 1995 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 28 december 2006 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken. Het huwelijk is op 7 februari 2007 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

(ii) Tijdens het huwelijk oefende de man een advocatenpraktijk in een apart kantoorpand uit. Die praktijk heeft hij voortgezet. Aanvankelijk werd de praktijk uitgeoefend in de vorm van een eenmanszaak, sedert 1 juli 2005 in de vorm van een B.V.

(iii) Op 31 oktober 2006 hebben partijen een echtscheidingsconvenant ondertekend dat, voor zover van belang, de volgende bepalingen bevat:

“4. De vrouw wenst geen aanspraak te maken op partneralimentatie dit in verband met de tussen partijen getroffen financiële regeling en doet hierbij definitief afstand van het recht op eventuele partneralimentatie, derhalve ook voor de toekomst. (…)

6. Als peildatum voor de omvang van de gemeenschap van partijen geldt 1 augustus 2005, zijnde de datum waarop partijen feitelijk de huwelijkse samenwoning hebben verbroken. (…)

11. De echtelijke woning inclusief de daarop rustende hypotheek wordt toebedeeld aan de man. (…)

15. Het onder punt 14 genoemde kantoorpand met bovenwoning inclusief de daarop rustende hypotheken wordt toebedeeld aan de man. (…)

17. In bovengenoemd kantoorpand is de advocatenpraktijk van de man gevestigd. (…)

18. Deze onderneming (advocatenpraktijk) inclusief alle activa en passiva zal worden toegescheiden aan de man, voor wiens rekening en risico de onderneming zal worden gedreven. Ter zake zal de man de vrouw volledig vrijwaren.

19. In goed onderling overleg hebben partijen vastgesteld dat de man ten gevolge van de toescheidingen als bedoeld in punt 11, 15 en 18 ten opzichte van de vrouw wordt overbedeeld voor een bedrag van € 120.000,=, welk bedrag in het kader van onderhavige verdeling door de man aan de vrouw zal worden betaald. Bij het passeren van de notariële akten zal het aan de vrouw verschuldigde bedrag ad € 120.000,= worden uitbetaald, zulks op voorwaarde dat de vrouw haar medewerking zal verlenen aan de overdracht cq. leveringen als bedoeld in de hierboven vermelde punten 11, 15 en 18. (...)

23. Partijen vrijwaren elkaar over en weer, indien de ene partij wordt aangesproken tot voldoening van een schuld, welke ingevolge deze overeenkomst ten last van de andere partij komt.

24. Indien mocht blijken dat er nog schulden zijn waarvoor in het kader van dit convenant geen regeling is getroffen, komen partijen reeds nu met elkaar overeen dat deze eventuele schulden zullen worden toegescheiden aan/overgenomen door degene ten behoeve van wie deze schulden is aangegaan. De partij aan wie deze schulden worden toegescheiden vrijwaart de andere partij reeds thans voor deze schulden.

25. Na uitvoering van dit convenant verklaren partijen niets meer van elkander te vorderen te hebben en verlenen elkaar ter zake finale kwijting en decharge. (...)”

(iv) Op grond van de afspraken in het echtscheidingsconvenant heeft de man in juli 2007 aan de vrouw een bedrag van € 120.000,- betaald.

( v) De man heeft in 2008 de aanslagen Inkomstenbelasting over de jaren 2003, 2004 en 2005 betaald.

1.2 Op 13 juli 2010 heeft de man de vrouw gedagvaard voor de rechtbank te Arnhem. In het betrokken exploot stelt hij dat, na betaling van het bedrag van € 120.000,- aan de vrouw, hem is gebleken dat door partijen bij de opstelling van het echtscheidingsconvenant geen rekening is gehouden met belastingverplichtingen op zijn naam over de jaren 2003 (€ 23.397,-), 2004 (€ 28.016,-) en 2005 (€ 34.426,-), en evenmin met een schuld van € 65.481,- die partijen in de rekening-courant van zijn B.V hadden opgebouwd, doordat privé-uitgaven door de B.V. zijn voldaan. De man stelt dat de aanslagen over 2003 en 2004 door zijn B.V. zijn betaald en in rekening-courant zijn geboekt. Volgens de man hadden de rekening-courantschuld per 31 december 2005 en de belastingverplichtingen in de verdeling moeten worden betrokken en kan hij, nu dat niet is gebeurd en het gemeenschapsschulden betreft waarvoor de vrouw voor de helft draagplichtig is, op grond van art. 3:179 BW vorderen dat dat alsnog geschiedt. Hij vordert, voor zover in cassatie nog van belang(2):

( i) een aanvullende verdeling vast te stellen, aldus dat de schuld in rekening-courant aan de B.V. van € 65.481,- aan hem wordt toebedeeld;

(ii) het bedrag vast te stellen dat de vrouw aan hem moet voldoen vanwege haar draagplicht voor de overgeslagen belastingschulden en de schuld in rekening-courant;

een en ander te vermeerderen met rente en kosten

1.3 De vrouw heeft op meer gronden de vorderingen van de man bestreden. In haar conclusie van antwoord voert zij onder meer aan:

“7. Dat er nog inkomstenbelasting zou moeten worden betaald en dat er ook een schuld rekening courant is, was duidelijk toen partijen het echtscheidingsconvenant aangingen.

[De vrouw] is dan ook van mening dat [de man] hiervan op de hoogte was danwel op de hoogte zou kunnen zijn en dat bij de afwikkeling van de boedelscheiding hiermee rekening is gehouden danwel rekening had moeten worden gehouden.

Zeker nu [de man] zelf advocaat is. En hij in verband met de echtscheiding advies heeft ingewonnen bij een kantoorgenoot, welke ook het echtscheidingsconvenant heeft opgesteld. En [de man] in alle financiële kwesties wordt bijgestaan door een accountant. Dezelfde accountant die ook de jaarstukken ten behoeve van de onderneming van [de man] opstelt.

8. De navorderingsaanslag inkomstenbelasting van 2003 werd op 6 oktober 2006 aan [de man] toegezonden.

Partijen hebben op 31 oktober 2006 het echtscheidingsconvenant ondertekend. Op het moment dat het echtscheidingsconvenant door partijen werd ondertekend was de navorderingsaanslag inkomstenbelasting reeds bekend.

Indien deze schuld nog verdeeld had moeten worden had [de man] dit uitdrukkelijk kunnen laten opnemen in het echtscheidingsconvenant. [De man] heeft hier blijkbaar niet voor gekozen.

[De vrouw] was niet op de hoogte van bovengenoemde navordering en zij ging er vanuit dat alle aanslagen/navorderingen waren geregeld via de onderneming van [de man] en dat dit alles was meegenomen in het echtscheidingsconvenant

Alle financiële zaken werden via de onderneming van [de man] geregeld en [de vrouw] had hier geen inzage in. Zij heeft zich hiermee dan ook op geen enkele wijze kunnen en mogen bezighouden. [De vrouw] is er dan ook steeds van uitgegaan dat [de man] alles netjes zou regelen.

Zij was een leek die er vanuit ging dat [de man] (advocaat) alles conform de wet had geregeld in het echtscheidingsconvenant.

9. (…) De vrouw] is van mening dat [de man] zonder meer in het echtscheidingsconvenant had kunnen laten opnemen hoe een eventuele navordering/(voorlopige) aanslag van de belastingdienst verdeeld had moeten worden. Hij was op de hoogte […] van het feit dat deze aanslagen nog zouden volgen. (…) Op grond van de in het echtscheidingsconvenant opgenomen finale kwijting is [de vrouw] van mening dat zij niets meer is verschuldigd aan [de man].”

1.4 Na de op 29 november 2010 gehouden comparitie van partijen heeft de rechtbank bij vonnis van 16 februari 2011 de vorderingen van de man ter zake van de twee schulden afgewezen en voor wat betreft de proceskosten beslist tot compensatie van die kosten tussen partijen, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

1.5 In verband met de belastingschulden uit 2003, 2004 en 2005 overweegt de rechtbank in rov. 4.4 onder meer:

“De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de vrouw er van uit mocht gaan dat bij de getroffen financiële regeling alles inbegrepen was. Niet valt in te zien waarom de vrouw zich had moeten realiseren dat zij, los van de voor de vrouw overeengekomen financiële regeling, nog zou moeten meebetalen aan toekomstige belastingaanslagen, terwijl de man en de accountant daar niet over gesproken hebben en het convenant daar niets over vermeldde. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het de man was die, als meest deskundige partij, - gezien zijn beroep en onderneming -, een voorstel tot afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap heeft gedaan, waarbij de man een bij uitstek financieel deskundige als een accountant heeft ingeschakeld. Noch de man, noch de accountant, zoals door de vrouw onweersproken gesteld, heeft met haar ten tijde van het ondertekenen van het convenant over de belastingschulden gesproken, terwijl de man en - naar men mag aannemen - a fortiori zijn accountant, ervan op de hoogte waren dat er nog met de fiscus afgerekend moest worden. Nu de man er zelf van uitging dat met de belastingschulden rekening was gehouden bij het treffen van de financiële regeling, valt niet in te zien waarom de vrouw daar zelf niet óók van uit was gegaan of had mogen gaan. De man heeft onvoldoende onderbouwd dat de vrouw had moeten begrijpen dat zij naast de overeengekomen financiële regeling, nog moest meebetalen aan toekomstige belastingaanslagen. Dit klemt temeer daar de overeengekomen financiële regeling voor de vrouw tevens een “package-deal” was, inhoudende dat de vrouw € 120.000,- ontving wegens overbedeling, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat zij afstand deed van het recht op partneralimentatie. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de overeengekomen financiële regeling voor de vrouw het karakter van een eindafrekening had en dat eventuele belastingclaims over voorgaande jaren daarin verdisconteerd moeten worden geacht. Dit betekent dat op grond van het convenant de belastingschulden geheel voor rekening van de man zijn. De rechtbank acht dit voorts niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid, nu de man dit aan zich zelf te wijten heeft. De man had immers het punt van de belastingclaims gemakkelijk kunnen bespreken met zijn accountant en met de vrouw en hij had daarover een afspraak kunnen opnemen in het convenant. Dat de man dat heeft nagelaten, komt voor zijn rekening en risico.”

1.6 In verband met de rekening-courant schuld overweegt de rechtbank in rov. 4.6 onder meer:

“(…) Voorts heeft de man onvoldoende gesteld en onderbouwd dat de vrouw had moeten begrijpen dat […] aan de getroffen financiële regeling een berekening ten grondslag lag die op het punt van de waardering van de onderneming niet deugdelijk was. Gelet op het feit dat de man een bij uitstek deskundige als de accountant heeft ingeschakeld om de waarde van de onderneming van de man inclusief de goodwill te berekenen, valt niet in te zien waarom de vrouw er niet van uit kon gaan dat alles vakkundig was berekend en meegenomen in het convenant. Dat mogelijk de accountant hierbij fouten heeft gemaakt, is voor rekening en risico van de man en valt de vrouw niet aan te rekenen. Gelet op het feit dat de getroffen regeling voor de vrouw een “package-deal” was (…), waarbij per peildatum 1 augustus 2005 de onderneming inclusief alle activa en passiva is toegedeeld aan de man, voor wiens rekening en risico de onderneming zal worden gedreven, komt de rekening-courantschuld geheel voor rekening van de man.”

1.7 Tegen het vonnis van 16 februari 2011 heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. De vrouw heeft de grieven van de man bestreden en van haar zijde incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank bepaalde compensatie van de proceskosten in eerste aanleg.

1.8 Bij arrest van 10 april 2012 heeft het hof in het principale beroep het vonnis van 16 februari 2011 vernietigd voor wat betreft de daarin opgenomen beslissingen inzake de belastingschulden en de rekening-courant schuld en, opnieuw rechtdoende, vastgesteld dat de vrouw aan de man een bedrag van € 49.279,- wegens de belastingschulden over de jaren 2003 tot en met 2005 is verschuldigd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de inleidende dagvaarding tot aan die der algehele voldoening, en verder de schuld in rekening-courant aan de B.V. van de man van € 65.481,- aan de man toebedeeld en bepaald dat de vrouw ter zake van die schuld voor een bedrag van € 18.204,50 draagplichtig is. In het incidenteel hoger beroep heeft het hof het incidenteel beroep van de vrouw verworpen. Tot dit resultaat komt het hof mede op grond van de overweging dat niet valt in te zien op grond waarvan de vrouw er – zonder dat het echtscheidingsconvenant een uitdrukkelijke bepaling over de schulden bevatte – van is uitgegaan en redelijkerwijs mocht uitgaan, dat partijen ten aanzien van deze schulden definitief met elkaar hadden afgerekend (rov. 4.7 en 4.12 jo. 4.6 - lees 4.7 -).

1.9 Tegen het arrest van het hof heeft de vrouw op 10 juli 2012 – en daarmee tijdig - beroep in cassatie ingesteld. De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht. De vrouw heeft gerepliceerd.

2 Bespreking van het cassatieberoep

2.1

De in cassatie voorgedragen klachten zijn in de cassatiedagvaarding te vinden onder 2.1.1 t/m 2.1.4 en 2.2.

Klachten in 2.1.1

2.2

De klachten in 2.1.1 zijn gericht tegen de rov. 4.7 en 4.11, voor zover het hof in die rechtsoverwegingen ervan uitgaat dat de vrouw bij het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant wist dat er nog inkomstenbelasting moest worden betaald en dat er een schuld in rekening-courant was. Door aldus te oordelen is het hof, zo wordt door de vrouw betoogd, buiten het debat van partijen getreden, althans is onbegrijpelijk hoe het hof tot dit oordeel is kunnen komen gelet op de consequente betwisting van de door het hof aangenomen wetenschap van de vrouw van de schulden.

2.3

De klacht dat het hof buiten het debat van partijen is getreden, strandt hierop dat partijen over en weer stellingen hebben geponeerd over de wetenschap van de vrouw van de schulden, de man in de zin dat die wetenschap bij de vrouw aanwezig was en de vrouw in de zin dat zij de schulden niet kende.(3)

2.4

Waar de vrouw verklaart heeft dat zij ten tijde van het aangaan van het echtscheidingsconvenant kennis droeg van de nog te betalen belastingschulden en van de rekening-courant schuld, vermeldt het hof niet. Gelet op de processtukken van de vrouw lijkt het meest aannemelijk dat het hof is afgegaan op de eerste volzin van § 7 van de conclusie van antwoord van de vrouw, luidende: “Dat er nog inkomstenbelasting zou moeten worden betaald en dat er ook een schuld rekening courant is, was duidelijk toen partijen het echtscheidingsconvenant aangingen.” Is het voldoende begrijpelijk dat het hof op basis hiervan de wetenschap van de vrouw van de schulden heeft aangenomen? De geciteerde passage is door het hof aldus opgevat dat het ook voor de vrouw ten tijde van het tekenen van het echtscheidingsconvenant duidelijk was dat er nog inkomstenbelasting zou moeten worden betaald en dat er ook nog een rekening-courant schuld was. Dat staat echter in de passage niet met zoveel woorden. In de volgende volzin wordt opgemerkt dat [de vrouw] dan ook van mening is dat [de man] “hiervan – (van het bestaan van de schulden) – op de hoogte was danwel op de hoogte zou kunnen zijn en dat hij bij de afwikkeling van de boedelscheiding hiermee rekening is gehouden danwel rekening had moeten worden gehouden.” Daarop volgt in § 8 de stelling van de vrouw dat zij van de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2003, die [de man] op 6 oktober 2006 toegezonden kreeg, niet op de hoogte was. In appel poneert de vrouw ook stellingen waarvan de strekking is dat zij vóór en bij het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant geen kennis had van de belastingschulden en de rekening-courant schuld(4).

Een en ander voert tot de slotsom dat in het licht van het geheel van de stellingen van de vrouw omtrent haar wetenschap van de belastingschulden en de rekening-courant schuld het hof zijn oordeel dat de vrouw ten tijde van het aangaan van het echtscheidingsconvenant van het bestaan van de schulden afwist, niet voldoende heeft gemotiveerd. De passage in § 7 van de conclusie van antwoord van de vrouw waarop het hof zijn oordeel – hoogst waarschijnlijk – baseert, vormt voor dat oordeel een te smalle basis. De klacht in 2.1.1 is derhalve terecht voorgedragen.

Klacht in 2.1.2

2.5

In 2.1.2 wordt een klacht geformuleerd tegen de uitleg die het hof in de eerste volzin van rov. 4.3 geeft aan de door de man in appel aangevoerde grieven 1 t/m 5. Er wordt daarbij ervan uitgegaan dat volgens het hof de man in die grieven heeft bestreden de vaststelling van de rechtbank van de ‘state of mind’ van de man, te weten dat de man ten tijde van het aangaan van het convenant de – in geschil zijnde –belastingschulden weliswaar kende, maar dat hij er van uitging dat die schulden in het convenant waren verdisconteerd.

2.6

De klacht treft geen doel. Zij mist feitelijke grondslag. Er komen in het bestreden arrest geen overwegingen voor, waaruit valt af te leiden dat het hof de hiervoor bedoelde, door de rechtbank aanvaarde ‘state of mind’ van de man(5),heeft opgevat als door de man bestreden.

Klachten in 2.1.3, 2.1.4 en 2.2

2.7

De in 2.1.3, 2.1.4 en 2.2 opgenomen, deels elkaar overlappende klachten hebben alle als gemeenschappelijke noemer dat het hof aan het convenant een uitleg heeft gegeven die onjuist en/of onbegrijpelijk is. Voorop gesteld wordt dat uit HR 20 februari 2004, LJN AO1427 (NJ 2005, 493 m.nt. C.E. du Perron) (DSM/Fox) volgt dat voor de uitleg van een schriftelijk contract niet uitsluitend naar de letterlijke tekst moet worden gekeken maar dat ook betekenis moet worden toegekend aan alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Dan volgt een betoog van de strekking dat het hof deze maatstaf heeft miskend. Immers vanwege een aantal omstandigheden heeft de vrouw, ongeacht de tekst van het convenant, de drie belastingschulden en de rekening-courant schuld als in het convenant verwerkt mogen beschouwen, zodat zij niet zijn op te vatten als schulden waarvoor, zoals in artikel 24 van het convenant bepaald, in het kader van het convenant geen regeling is getroffen en die dus nog voor toescheiding/overname in aanmerking komen, maar als schulden waarvoor de finale kwijting als bedoeld in artikel 25 van het convenant geldt in die zin dat de schulden voor rekening van de man zouden zijn en blijven. In ieder geval heeft het hof zijn arrest in het licht van die omstandigheden niet voldoende gemotiveerd. De omstandigheden die worden genoemd, zijn:

- de ‘state of mind’ van de man. De man heeft gesteld en de rechtbank heeft – (in appel niet bestreden) – aangenomen dat hij bij het sluiten van het convenant ervan is uitgegaan dat de schulden door de accountant in het convenant waren verdisconteerd.

- de hoedanigheid van partijen bij het tot stand komen van het convenant en de wijze waarop dat is gebeurd. De man is advocaat; hij beschikte derhalve over de vereiste juridische kennis. Bovendien had hij toegang tot alle relevante informatie en droeg kennis van de in geschil zijnde schulden. Voor de vrouw geldt een en ander niet. De man heeft voor het tot stand komen van het convenant zorg gedragen. Hij heeft daarbij de hulp ingeroepen van een kantoorgenoot en van de accountant van het advocatenkantoor. Eventuele fouten van laatstgenoemde moeten voor rekening van de man blijven.

- de onderlinge samenhang van de afspraken in het convenant. Het convenant hield een ‘package deal’ in en wel in die zin dat de vrouw van haar partneralimentatie afstand deed en haar aandeel in de onderneming van de man prijs gaf in ruil voor een bedrag van € 120.000,- tegen finale kwijting.

2.8

Bovenstaande samenvatting van de klachten in 2.1.3 en 2.1.4 doet de vraag rijzen of het hof inderdaad aan genoemde omstandigheden is voorbijgegaan en, zo ja, of dat meebrengt dat het hof daarmee blijk geeft van een onjuiste opvatting over hoe het convenant dient te worden uitgelegd en/of dat het hof zijn oordeel over wat het convenant te dezen meebrengt onvoldoende heeft gemotiveerd. Deze vraag zal hierna onder ogen worden gezien, eerst in verband met wat het hof in rov. 4.7 omtrent de belastingschulden overweegt en daarna in verband met wat het hof in de rov. 4.11 en 4.12 oordeelt omtrent de rekening-courant schuld.

2.9

Van de hiervoor in 2.7 vermelde omstandigheden maakt het hof in 4.7 geen gewag. Naar het voorkomt, kan niet worden gezegd dat het hof dat ook niet hoefde te doen omdat bij wat het hof in rov. 4.7 overweegt die omstandigheden irrelevant zijn. Genoemde omstandigheden laten, indien zij voor juist zijn te houden(6), ruimte om te oordelen (a) dat de vrouw, zoals als onbestreden ook voor de man is aan te nemen, heeft gemeend en mogen menen dat bij het opmaken van het convenant met de in geschil zijnde belastingschulden rekening is gehouden en wel bij het bepalen van het aan de vrouw uit te keren bedrag van € 120.000,- en (b) dat de man aan deze bij de vrouw ontstane mening gebonden is te achten. Het feit dat van de in geschil zijnde belastingschulden in het convenant geen melding wordt gemaakt en het feit dat het voorstel van de accountant onduidelijk was en de accountant bij het overleg met de vrouw de schulden niet heeft genoemd, verhinderen niet en in ieder geval niet zonder meer om aldus te oordelen. Immers, bij de door de vrouw gestelde omstandigheden, die er op neer komen enerzijds dat het initiatief voor het opzetten van het convenant bij de man lag, hij als advocaat over de hiervoor vereiste deskundigheid bezat, zich bovendien liet bijstaan door een kantoorgenoot/advocaat en de accountant van zijn kantoor, zelf toegang had tot de relevante informatie waaronder de belastingschulden die geen schulden vormen, waarvan niet te verwachten is dat zij wel eens over het hoofd kunnen worden gezien, en anderzijds dat de vrouw op het betrokken gebied een leek was en noch van de man noch van diens accountant informatie over de belastingschulden verkreeg, is het voorstelbaar dat de vrouw erop heeft vertrouwd en ook erop heeft mogen vertrouwen dat bij het opzetten en uitwerken van het aan de vrouw voorgelegde convenant met relevante schulden als de belasting-schulden rekening is gehouden in het kader van de berekening van het bedrag dat haar toekwam wegens overbedeling van de man en, naar de vrouw stelt, haar algehele afstand van partneralimentatie. Genoemde omstandigheden, nogmaals indien zij voor juist zijn te houden, kunnen evenzeer rechtvaardigen dat het bij de vrouw gerezen vertrouwen in die zin beschermd wordt dat de belastingschulden in de verhouding tot haar niet kunnen worden opgevat als schulden waarvoor in het kader van het convenant geen regeling is getroffen, maar hebben te gelden als schulden die geheel door de man zijn te dragen. De omstandigheden die genoemd vertrouwen bij de vrouw hebben gewekt, liggen immers goeddeels in de risicosfeer van de man.

2.10

De vraag waarbij nog apart dient te worden stilgestaan, is of het hiervoor in 2.9 gestelde ook opgaat bij de door het hof aangenomen maar door de vrouw betwiste omstandigheid dat zij van het bestaan van de belastingschulden afwist. Die omstandigheid zou, zo kan men stellen, de vrouw eerder op de gedachte hebben kunnen brengen om navraag te doen naar hoe met de belastingschulden bij het opzetten van het convenant is omgegaan. Maar nu de man zelf die navraag niet heeft gedaan, terwijl hij erkend heeft van de belastingschulden kennis te hebben gedragen, hoeft, zo komt het voor, aan genoemde omstandigheid niet een zodanig gewicht te worden gehecht dat geconcludeerd moet worden dat aan het in 2.9 gestelde niet kan worden vastgehouden.

2.11

Voor wat de rekening-courant schuld betreft, voor deze schuld geldt evenzeer dat het een schuld is waarvan niet te verwachten valt dat zij over het hoofd zal worden gezien in het kader van het uitwerken van een regeling voor de verdeling van een huwelijksgemeenschap. Met dit gegeven als uitgangspunt kan worden gesteld dat hetgeen hiervoor in 2.9 en 2.10 is betoogd, mutatis mutandis ook opgeld doet voor de in geding zijnde rekening-courant schuld.

2.12

Het voorgaande voert tot de slotsom dat het oordeel van het hof over de drie belastingschulden en de rekening-courant schuld, voor zover dat oordeel inhoudt – kort gezegd – dat op deze schulden artikel 24 uit het echtscheidingsconvenant onverkort kan worden toegepast, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting indien achter het oordeel de opvatting schuil gaat dat de door de vrouw aangevoerde omstandigheden niet in aanmerking zijn te nemen bij de bepaling van wat het echtscheidingsconvenant inhoudt en voor partijen meebrengt. Schuilt die opvatting niet achter ’s hofs oordeel over de twee belastingschulden en de rekening-courant schuld, dan moet gezegd worden dat het oordeel in het licht van de door de vrouw aangevoerde omstandigheden onvoldoende is gemotiveerd.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

(A-G)

1 . Zie rov. 2.1 - 2.5 van het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 16 februari 2011 in verbinding met rov. 3.1 van het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 10 apri1 2012, en rov. 3.2 van dat arrest.

2 . De man vordert ook nog een veroordeling van de vrouw tot betaling van een bedrag van € 1.630,-, welk bedrag betrekking heeft op een door de man voldane schuld van de vrouw aan de Belastingdienst. Deze vordering speelt in cassatie geen rol.

3 . Zie bijvoorbeeld voor wat de man betreft diens verklaring die in het proces-verbaal van de comparitie van partijen is opgenomen en voor wat de vrouw betreft bijvoorbeeld haar memorie van antwoord in appel, blz. 4, vijfde volle alinea.

4 . Zie met name de memorie van antwoord, blz. 4 (vierde en zesde alinea), respectievelijk blz. 5 (achtste alinea: “Daarnaast is (…) toegeschreven.”) en blz. 8 (negende alinea: “[de man] (…) moeten worden.”).

5 . Zie rov. 4.4., tweede alinea, van het vonnis d.d. 16 februari 2011 van de rechtbank.

6 . De juistheid van menige door de vrouw gestelde omstandigheid is door de man bestreden. Omdat het hof de juistheid van die omstandigheden in het midden heeft gelaten, dient in cassatie vooralsnog van die juistheid te worden uitgegaan. Volgt vernietiging en verwijzing dan is naar die juistheid alsnog een nader onderzoek te doen.