Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:775

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-09-2013
Datum publicatie
25-10-2013
Zaaknummer
09/04235
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1030, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Verjaring rechtsvordering onregelmatige opzegging en kennelijk onredelijk ontslag; art. 7:683 BW. Stuiting? Uitleg stellingen. Slagende motiveringsklachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/511
JAR 2013/281
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/04235

mr. Van Peursem

Zitting 6 september 2013

Conclusie inzake:

[eiser]

(hierna: [eiser])

eiser tot cassatie

tegen

de Gemeente Rotterdam

(hierna: de Gemeente)

verweerster in cassatie

Het gaat in deze zaak om de door het hof gegeven uitleg aan (passages uit de toelichting op) de eerste grief van [eiser].

1. Feiten 1 en procesverloop

1.1 De Gemeente, dienst Werkstad, heeft als werkgever met [eiser] als werknemer een zogeheten “Arbeidsovereenkomst Wiw 2jr” gesloten. [eiser] is per 1 december 2003 voor de duur van twee jaar bij de Gemeente in dienst getreden. Namens de Gemeente neemt Werkstad in het kader van de Wet Inschakeling Werkzoekenden (WIW) jongeren, uitkeringsgerechtigden en langdurig werkelozen in dienst en detacheert hen bij inleners, met als doel het versterken van de positie van deze personen op de reguliere arbeidsmarkt.

1.2 [eiser] heeft in dat kader op basis van detachering bij diverse inleners werkzaamheden verricht.

1.3 In een gesprek op 16 juni 2005 is [eiser] door twee medewerkers van de Gemeente meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn van één maand zou worden beëindigd per 31 juli 2005. Dit is door de Gemeente aan [eiser] bij aangetekende brief van 16 juni 2005 bevestigd.

1.4 Bij brief van 30 juni 2005 van de gemachtigde van [eiser] aan de Gemeente is primair de vernietigbaarheid van deze opzegging ingeroepen en subsidiair de kennelijke onredelijkheid van het gegeven ontslag alsmede is herstel van de dienstbetrekking gevorderd.

1.5 De Gemeente heeft hierop bij brief van 7 juli 2005 gereageerd.

1.6 In de brief van 2 september 2005 van de gemachtigde van [eiser] aan de Gemeente heeft [eiser] de ingenomen standpunten aangaande de beëindiging van het dienstverband gehandhaafd en de Gemeente gesommeerd tot betaling van het salaris over de maand augustus 2005 over te gaan.

1.7 Bij brief van 6 september 2005 aan de gemachtigde van [eiser] heeft de Gemeente het eerder door haar ingenomen standpunt eveneens gehandhaafd.

1.8 De gemachtigde van [eiser] heeft hierop bij aangetekende brief aan de Gemeente van 1 oktober 2005 gereageerd.

1.9 Bij inleidende dagvaarding van 4 mei 2006 heeft [eiser] de Gemeente voor de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam (hierna: de kantonrechter) gedagvaard en kort gezegd gevorderd om de Gemeente, na vermindering van eis2, uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling van schadevergoeding ter zake van kennelijk onredelijk ontslag en onregelmatig ontslag, schade ter grootte van het verschil tussen het loon tot het einde dienstverband minus de ontvangen WW-uitkering over die periode, alsmede bedragen wegens niet opgenomen verlofuren, gewerkte en niet betaalde overuren, niet betaalde reiskosten en buitengerechtelijke kosten3.

1.10 Aan deze vorderingen heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat de Gemeente de tussen hem en de Gemeente sinds 1 december 2003 bestaande arbeidsovereenkomst op 16 juli 2005 met ingang van 31 juli 2005 kennelijk onredelijk en onregelmatig heeft doen eindigen4.

1.11 De Gemeente heeft de vorderingen gemotiveerd bestreden.

1.12 Na een comparitie van partijen, een nadere conclusiewisseling en een aktewisseling (na een rolopdracht), heeft de kantonrechter bij (eind)vonnis van 3 juli 2007 de vorderingen van [eiser] afgewezen.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat de vorderingen van [eiser] tot nakoming van een (schadevergoedings)verbintenis op grond van art. 7:683 BW verjaren na zes maanden en vallen onder de werking van art. 3:317 lid 1 BW. Zo de door [eiser] in het geding gebrachte brieven de verjaring van zijn vordering al hadden gestuit, dan is de vordering naar het oordeel van de kantonrechter toch verjaard nu [eiser] meer dan zes maanden na de laatste brief kennelijk geen stuitingshandeling meer heeft verricht.

1.13 [eiser] is, onder aanvoering van twee grieven, bij het hof ‘s-Gravenhage van het vonnis van 3 juli 2007 in hoger beroep gekomen en heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad zijn vorderingen alsnog zal toewijzen.

1.14 De Gemeente heeft de grieven gemotiveerd bestreden en geconcludeerd dat het hof [eiser] niet zal ontvangen in zijn vordering in appel, althans hem deze zal ontzeggen.

1.15 Het hof heeft bij (eind)arrest van 16 juni 2009 het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.

1.16 [eiser] heeft tegen het arrest van het hof van 16 juni 2009 tijdig5 beroep in cassatie ingesteld6. Tegen de Gemeente is verstek verleend.

[eiser] heeft zijn standpunten nog schriftelijk toegelicht.

2 Beoordeling van het cassatieberoep

2.1

Het cassatieberoep omvat één middel van cassatie.

2.2

Het middel is gericht tegen rov. 4 van het arrest van 16 juni 2009, waarin het hof heeft geoordeeld:

“4. Het hof leest de eerste en derde alinea van de toelichting op grief 1 aldus dat [eiser] niet grieft tegen het oordeel van de kantonrechter dat de vorderingen tot vergoeding van schade op grond van art. 7:681 BW (kennelijk onredelijk ontslag, vordering A en C) en/of de betaling van een vergoeding ex 7:677 lid 4 BW (gefixeerde schadevergoeding, vordering B) verjaard zijn ingevolge art. 6:683 BW. Hiervan zal worden uitgegaan.”

2.3

Het middel klaagt (onder 17) dat [eiser], anders dan het hof heeft overwogen, wel degelijk heeft gegriefd tegen het oordeel van de kantonrechter dat de vorderingen tot vergoeding van schade op grond van art. 7:681 BW (kennelijk onredelijk ontslag) en/of de betaling van een vergoeding ex art. 7:677 lid 4 BW (gefixeerde schadevergoeding) verjaard zijn ingevolge art. 7:683 BW. Het hof had er volgens het middel dan ook niet vanuit mogen gaan dat de bedoelde vorderingen zijn verjaard, maar had een oordeel dienen te geven over de in grief 2 verwoorde bezwaren tegen de door de Gemeente gestelde verjaring, niet alleen ten aanzien van de overuren, verlofuren en reiskosten, maar ook ten aanzien van de schadevergoeding wegens kennelijke onredelijkheid ex art. 7:681 BW en/of de gefixeerde schadevergoeding ex art. 7:677 lid 4 BW.

2.4

De uitleg van grieven is in beginsel voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt7. De door de rechter gegeven uitleg aan de grieven kan in cassatie daarom niet op juistheid, maar slechts op begrijpelijkheid worden getoetst8. De omstandigheid dat het hof aan een grief dezelfde uitleg geeft als de wederpartij vormt een sterk argument voor de begrijpelijkheid van dat oordeel9.

2.5

In zoverre het middel een rechtsklacht behelst, faalt het mitsdien10.

2.6

In rov. 3 heeft het hof onbestreden vastgesteld dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat de door [eiser] ingestelde vorderingen verjaard zijn. Voorts heeft het hof overwogen dat de grieven van [eiser] zich tegen dit oordeel richten en dat die grieven zich lenen voor gezamenlijke behandeling. Het hof heeft in de door het middel bestreden rov. 4 vastgesteld dat [eiser] blijkens de toelichting op grief 1 niet grieft tegen het oordeel van de kantonrechter dat de vorderingen tot vergoeding van schade op grond van kennelijk onredelijk ontslag en/of de betaling van een gefixeerde schadevergoeding op grond van art. 6:683 BW zijn verjaard.

2.7

Grief 1 van [eiser] is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter ‘(…) dat de vordering van eiser (thans appellant) een vordering is tot nakoming van een (schadevergoedings-)verbintenis die op grond van artikel 7:683 BW verjaart na zes maanden.’ De toelichting op die grief luidt:

“De overweging van de kantonrechter is slechts juist voor zover deze ziet op de vordering tot vergoeding van schade op grond van artikel 7:681 BW (kennelijk onredelijk ontslag) en/of betaling van een vergoeding ex artikel 7:677 lid 4 BW (gefixeerde schadevergoeding).

Voor zover de vordering ziet op vergoeding van niet genoten verlofuren, gewerkte en niet betaalde overuren, reiskosten, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente, mist artikel 7:683 BW toepassing zodat deze vorderingen niet reeds na verloop van zes maanden verjaren doch krachtens artikel 3:307 BW na verloop van vijf jaren.

Kennelijk heeft de kantonrechter zich in zijn oordeel beperkt tot de vordering tot vergoeding van schade wegens kennelijke onredelijkheid (onderdeel A en C van de inleidende dagvaarding) en betaling van de gefixeerde schadevergoeding (onderdeel B van de inleidende dagvaarding). Ongeacht of zijn oordeel met betrekking tot de verjaring en de ontvankelijkheid van die vorderingen juist is, quod non, gaat hij daarmee ten onrechte voorbij aan de overige vorderingen en wordt verzuimd daarin uitspraak te doen zonder dat daarvoor een rechtens valide reden voor wordt gegeven.”

Grief 2 van [eiser] is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de vordering van [eiser] is verjaard zodat hij in die vordering niet-ontvankelijk is en de vordering op die grond moet worden afgewezen. De toelichting op deze grief luidt, voor zover van belang:

“(…)

De kantonrechter oordeelt in het vonnis dat de vordering van eiser een vordering tot nakoming van een (schadevergoedings-)verbintenis is die op grond van artikel 7:683 BW verjaart na zes maanden en die valt onder de werking van artikel 3:317 lid 1 BW. Daaruit volgt dat de verjaring van de vordering wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser (in casu appellant) zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. De kantonrechter is daarmee klaarblijkelijk niet van oordeel dat het tweede lid van artikel 3:317 BW van toepassing is, zoals geïntimeerde bij akte na tussenvonnis had gesteld.

De kantonrechter overweegt voorts als volgt: “Zo de door eiser overgelegde brieven de verjaring van zijn vordering al hadden gestuit, dan is de vordering vervolgens toch verjaard nu eiser meer dan zes maanden na de laatste brief kennelijk geen stuitingshandeling meer heeft verricht.

De kantonrechter gaat daarmee voorbij aan de brief van de gemachtigde van eiser d.d. 14 februari 2006 die als productie 11 bij inleidende dagvaarding is overgelegd. Daarin behoudt de gemachtigde namens eiser zich ondubbelzinnig het recht op nakoming voor. De daaraan voorafgaande brief dateert van 1 oktober 2005, zodat weldegelijk binnen de termijn van zes maanden een stuitingshandeling heeft plaatsgevonden. Nu de kantonrechter expliciet om correspondentie in de periode tussen 1 augustus 2005 en 31 januari 2006 had gevraagd, werd de brief niet (nogmaals) bij akte in het geding gebracht.

Dat de brieven op zichzelf geen stuitende werking hebben, wordt door de kantonrechter niet gesteld. Nu de kantonrechter zelfs uitdrukkelijk artikel 3:317 lid 1 BW van toepassing verklaart en een stuitingshandeling zoals bedoeld in artikel 3:316 BW kennelijk niet vereist is, geldt dat eiser met verzending van de brieven de verjaring van zijn vordering telkens (tijdig) heeft gestuit zodat zijn vordering niet is verjaard.

Dat het eerste, en niet het tweede lid van artikel 3:317 BW van toepassing is, hangt samen met het feit dat ook de verplichting tot vergoeding van schade evenzeer een verbintenis in de zin van het eerste lid inhoudt.”

2.8

De Gemeente heeft in haar memorie van antwoord (onder 6) bij de behandeling van grief 1 aangevoerd dat zij meent dat de kantonrechter terecht heeft vastgesteld dat de vordering van [eiser] een vordering is die op grond van art. 7:683 BW verjaart na zes maanden. Voorts heeft de Gemeente (onder 7) gesteld dat [eiser] in zijn memorie van grieven uitdrukkelijk heeft erkend dat deze overweging van de kantonrechter juist is voor zover deze ziet op de vordering tot schadevergoeding op grond van art. 7:681 BW (kennelijk onredelijk ontslag) en art. 7:677 lid 4 BW (gefixeerde schadevergoeding), zodat deze dan ook vast staat. De grief richt zich volgens de Gemeente dan ook tegen de overige door [eiser] ingestelde vorderingen ter zake niet genoten verlofuren, gewerkte en niet betaalde overuren, reiskosten, buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke verhoging en wettelijke rente. Tegen grief 2 heeft de Gemeente (onder 13) aangevoerd dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat de vordering van [eiser] is verjaard, zodat de vordering terecht is afgewezen. De Gemeente heeft vervolgens (onder 14) aangevoerd dat niet ter discussie staat dat: a) rechtsvorderingen tot betaling van een schadevergoeding als bedoeld in de art. 7:677 lid 4 en 7:681 BW conform art. 7:683 BW zes maanden nadat de arbeidsovereenkomst feitelijk is geëindigd verjaren, b) de arbeidsovereenkomst bij brief van 16 juni 2005 met in achtneming van de wettelijke opzegtermijn van één maand is opgezegd tegen 31 juli 2005 en c) eerst bij dagvaarding van 4 mei 2006 door [eiser] een daad van rechtsvervolging is ingesteld en aanspraak is gemaakt op een vergoeding uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag en gefixeerde schade, ruim negen maanden nadat de arbeidsovereenkomst feitelijk is geëindigd. Op grond van het voorgaande heeft de Gemeente (onder 15) betoogd dat tussen partijen vast staat dat de vorderingen van [eiser] aanhangig zijn gemaakt na het verstrijken van de termijn van zes maanden en het in hoger beroep gaat om de vraag of er (tijdig) een stuitingshandeling door [eiser] is verricht. De Gemeente is verder uitvoerig ingegaan op de vraag of de vorderingen tot schadevergoeding uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag en gefixeerde schadevergoeding zijn verjaard. Deze vraag heeft de Gemeente (onder 24) bevestigend beantwoord. Ten slotte gaat de Gemeente (vanaf 26), voor zover in hoger beroep zou worden geoordeeld dat het beroep op kennelijk onredelijk alsmede onregelmatig ontslag tijdig zou zijn gestuit en de vordering daarom ontvankelijk zou zijn, in op de vraag of er sprake is van kennelijk onredelijk ontslag of onregelmatig ontslag.

2.9

Met grief 1 heeft [eiser] onmiskenbaar aangevoerd dat de kantonrechter met juistheid heeft geoordeeld dat art. 7:683 BW van toepassing is op vorderingen tot vergoeding van schade op grond van kennelijk onredelijk ontslag en op vorderingen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding11. De vraag of de door [eiser] ingestelde vorderingen tot vergoeding van schade op grond van kennelijk onredelijk ontslag en/of de betaling van een gefixeerde schadevergoeding zijn verjaard, zoals de kantonrechter heeft geoordeeld, heeft [eiser] ontkennend beantwoord12. De Gemeente laat er in haar memorie van antwoord geen twijfel over bestaan dat zij de grief van [eiser] op dezelfde wijze interpreteert. Voorts volgt uit grief 2 dat [eiser] gemotiveerd bezwaren naar voren heeft gebracht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de vorderingen zijn verjaard omdat ze niet tijdig zijn gestuit. Deze grief ziet op alle vorderingen13 en dus ook op de vordering tot vergoeding van schade op grond van kennelijk onredelijk ontslag en de vordering tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding. De reactie van de Gemeente laat ook geen andere lezing toe dan dat dat aan haar duidelijk was. De Gemeente heeft in haar memorie van antwoord niet verwezen naar de - door het hof aangenomen - beperking op grond van grief 1. Deze grief vormt dus ook in de ogen van de Gemeente geen beperking van grief 2. De door het hof gegeven uitleg aan (passages uit de toelichting op) grief 1 van [eiser] is, in het licht van de door de Gemeente aan die grief toegekende uitleg, dan ook onbegrijpelijk in cassatie-technische zin. Toegegeven kan wel worden – zoals ook mrs. Vermeulen en Janssens doen in hun schriftelijke toelichting voor [eiser]14 – dat de redactie en inrichting van de toelichting op grief 1 beter had gekund, om niet te zeggen licht tot verwarring aanleiding kan geven. Beslissend lijkt mij, in lijn met de rechtspraak van uw Raad, hoe de wederpartij de betreffende stellingen redelijkerwijs heeft moeten opvatten15 en dan moet worden geconstateerd dat de Gemeente grief 1 niet heeft opgevat als een beperking van grief 2 zoals hiervoor uiteengezet.

Het middel slaagt mitsdien.

2.10

Ten slotte heb ik mij nog afgevraagd of uw Raad de zaak zelf af zou kunnen doen, maar de vraag of de brieven stuitingshandelingen zijn, vergt een feitelijke beoordeling, zodat dit een miskenning van de grenzen zou zijn die zijn gesteld aan de taak van de cassatierechter16.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het hof van 16 juni 2009 en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Zie rov. 2 van het (eind)arrest van het hof ‘s-Gravenhage van 16 juni 2009.

2 Een eisvermindering bij akte ‘vermindering eis tevens houdende overlegging producties’ van 21 augustus 2006 en een eisvermindering bij conclusie van repliek tevens houdende akte wijziging eis van 31 oktober 2006.

3 Zie het (eind)vonnis van de kantonrechter van 3 juli 2007 onder ‘DE VORDERING EN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN’ (p. 1). De vorderingen zijn uitgeschreven in rov. 1 van het bestreden arrest.

4 Zie het (eind)vonnis van de kantonrechter van 3 juli 2007 onder ‘DE VORDERING EN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN’ (p. 1).

5 De cassatiedagvaarding is op 16 september 2009 uitgebracht.

6 De zaak is door de procesvoering van de (voormalig) cassatieadvocaat van [eiser] lang blijven liggen. Na een herstelexploot van 14 oktober 2009 vanwege het verzuim om het exploot van dagvaarding tijdig ter griffie in te dienen en het tot tweemaal toe niet verschijnen van de cassatieadvocaat op de roldatum (13 en 20 november 2009), is de zaak van de rol afgevoerd (art. 247 Rv). Vervolgens is de Gemeente, na een oproepingsexploot van 10 oktober 2012 en een herstelexploot van 8 november 2012, opgeroepen te verschijnen op de rolzitting van 16 november 2012.

7 Vaste rechtspraak. Zie voor de rechtspraakgegevens Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012, nr. 117; Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2011, nr. 40 en Snijders/Wendels, Civiel appel, 2009, nr. 168.

8 Vgl. Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2011, nr. 40.

9 Vgl. Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012, nr. 117; Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2011, nr. 40 en Snijders/Wendels, Civiel appel, 2009, nr. 168.

10 Zie de cassatiedagvaarding onder ‘MIDDEL VAN CASSATIE:’ (p. 2).

11 Zie de parafrase van het oordeel van de kantonrechter bij grief 1 (‘(…) dat de vordering van eiser (thans appellant) een vordering is tot nakoming van een (schadevergoedings-)verbintenis die op grond van artikel 7:683 BW verjaart na zes maanden.’).

12 Zie de toelichting op die grief (“Ongeacht of zijn oordeel met betrekking tot de verjaring en de ontvankelijkheid van die vorderingen juist is, quod non, gaat hij daarmee ten onrechte voorbij aan de overige vorderingen (…).”).

13 Daarbij merk ik nog op dat het vermelden van de stuitingsbrieven in de toelichting op grief 2 zinledig was indien die grief geen betrekking zou hebben op de vorderingen uit kennelijk onredelijk ontslag en onregelmatig ontslag. De overige vorderingen hebben naar het oordeel van het hof, anders dan die vorderingen, een verjaringstermijn van vijf jaar (en niet zes maanden) en die termijn was nog niet verstreken bij het uitbrengen van de inleidende dagvaarding. Zie de toelichting op grief 2 in de memorie van grieven en rov. 5 van het bestreden arrest.

14 In 4.3: “(…) is de (wellicht minder logische) redactionele keuze gemaakt die grief als eerste aan te voeren en daarna een grief te formuleren tegen het oordeel omtrent de verjaring van de overige vorderingen (…)” en in 4.6 “(…) de (als gezegd wellicht ongelukkige) formulering van de eerste en derde paragraaf van zijn toelichting op de eerste grief” en ten slotte weer in 4.7: “Toegegeven dat de formulering van de toelichting op de eerste grief onhandig is, (…)”.

15 Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr, 169 nt. 3 op p. 363.

16 Dat zou anders kunnen zijn, indien op voorhand al duidelijk zou zijn, dat de overgelegde brieven van 30 juni 2005 (prod. 2 inleidende dagvaarding), 2 september 2005 (prod. 18 akte overlegging producties [eiser]), 1 oktober 2005 (prod. 20 van genoemde akte) en 14 februari 2006 (prod. 11 inleidende dagvaarding) hoe dan ook geen stuitingshandelingen kunnen behelzen, zodat [eiser] alsdan geen belang bij cassatie zou hebben. Daarvan lijkt mij geen sprake, nu in eerstgenoemde drie brieven telkens alle rechten en weren namens [eiser] worden voorbehouden en in de laatste brief voorwaardelijk de onderhavige procedure wordt aangekondigd.