Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:762

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-06-2013
Datum publicatie
10-09-2013
Zaaknummer
13/00226
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:675, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Art. 273f.1 onder 3 Sr. Grondslagverlating. Mede gelet op de wetsgeschiedenis moet art. 273f.1 onder 3 Sr aldus worden uitgelegd dat het oogmerk van verdachte erop gericht moet zijn dat de betrokkene zich in een ander land dan waar deze is aangeworven, meegenomen of ontvoerd, beschikbaar stelt tot het verrichten van de in dat artikel bedoelde handelingen. Door het bestanddeel ‘in een ander land’ te koppelen aan de gedraging ‘ertoe te brengen’ heeft het Hof derhalve een te beperkte en dus onjuiste betekenis toegekend aan die in de tll voorkomende termen die aldaar zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 273f.1 onder 3 Sr. Door verdachte van het tenlastegelegde vrij te spreken heeft het Hof hem dus vrijgesproken van iets anders dan was tenlastegelegd. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2000:ZD1788 m.b.t. de term ‘aanwerven’ a.b.i. art. 250ter (oud) Sr en ECLI:NL:HR:1999:AB9475 m.b.t. de term ‘het tot prostitutie brengen’ a.b.i. art. 250(ter) Sr. Mede gelet hierop verdient nog opmerking dat ook v.zv. het oordeel van het Hof zou zijn gebaseerd op de opvatting dat ‘reeds gevormde wilsbesluiten van de aangeefsters’ aan de toepasselijkheid van art. 273f.1 onder 3 Sr in de weg staan, dat oordeel berust op een verkeerde rechtsopvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/00226

Zitting: 4 juni 2013

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage vrijgesproken van de hem ten laste gelegde mensenhandel in vereniging.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 12/03804, 13/00225 en 13/00226. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel houdt in dat de door de Hof gegeven vrijspraak berust op een onjuiste, althans te beperkte uitleg van de tenlastelegging dan wel dat de gegeven vrijspraak berust op gronden die deze beslissing niet zonder meer kunnen dragen.

5. Aan de verdachte is tenlastegelegd:

“hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2007 tot en met 21 oktober 2008 te Rotterdam en/of Haarlemmermeer (Schiphol) en/of Vianen en/of Tiel en/of Arnhem en/of Sassenheim en/of Haarlem en/of Nuland en/of Nootdorp, in elk geval in één of meer plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer anderen, te weten:

- [betrokkene 1], geboren [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] en/of

- [betrokkene 2], geboren [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] en/of

- [betrokkene 3], geboren [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] en/of

- [betrokkene 4], geboren [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats]

(telkens)

heeft aangeworven en/of medegenomen in/vanuit Tsjechië en/of andere landen dan Nederland met het oogmerk om bovengenoemde vrouw/vrouwen in Nederland, althans een ander land (dan Tsjechië), ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling.”

6. Deze vrijspraak berust voor zover hier van belang op de volgende overwegingen:

“Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het aanwerven en/of medenemen van [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] met het oogmerk om die vrouwen er in Nederland toe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling. Naar het oordeel van het hof kan deze tenlastelegging, die de delictsomschrijving waarnaar zij verwijst op de voet volgt, taalkundig niet anders worden opgevat dan dat het oogmerk van de verdachte erop gericht moet zijn geweest om aangeefsters alhier, in Nederland ertoe te brengen als prostituée werkzaam te zijn. De Memorie van Toelichting behorend bij het wetsvoorstel tot invoering van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (TK, vergaderjaar 2003-2004, 29291, nr.3), waarnaar de advocaat-generaal verwijst, dwingt niet tot een andere opvatting. Voor de vaststelling dat het hierboven omschreven oogmerk bij de verdachte aanwezig is geweest bevat het dossier naar het oordeel van het hof geen dan wel onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Immers, uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hof aannemelijk acht dat het voornemen van de vrouwen om zich in Nederland in de prostitutie te begeven inclusief de voorwaarden waaronder dat zou plaatsvinden zich reeds in Tsjechië had gevormd. Dat de verdachte en zijn medeverdachten de gelegenheid hebben geboden voor de feitelijke uitvoering van prostitutiewerkzaamheden in Nederland doet aan het vorenstaande niets af. De opvatting van de advocaat-generaal dat het tenlastegelegde "er in Nederland toe brengen" reeds is vervuld doordat zonder het handelen van verdachte en/of zijn medeverdachten de door de aangeefsters verrichte concrete prostitutiewerkzaamheden niet zouden hebben plaatsgevonden, kan, gegeven de zich in Tsjechië reeds gevormde wilsbesluiten van de aangeefsters, niet worden aanvaard. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde.”

7. Het Hof heeft de tenlastelegging aldus verstaan dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het aanwerven en/of medenemen van de in de tenlastelegging genoemde vier vrouwen met het oogmerk om die vrouwen er in Nederland toe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling. Volgens deze tenlastelegging, aldus het Hof, moet het oogmerk van de verdachte er op gericht zijn geweest die vrouwen “alhier, in Nederland” ertoe te brengen als prostituee werkzaam te zijn.

8. Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat de uitleg van de tenlastelegging door de feitenrechter in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Dit is alleen anders in geval in de tenlastelegging termen zijn gebezigd die zijn ontleend aan de wet en daarin zijn gebezigd in dezelfde betekenis die daaraan in de wet wordt toegekend.

9. Volgens de toelichting op het middel kan de tenlastelegging bezwaarlijk anders worden begrepen dan dat verdachte verweten wordt dat hij tezamen en in vereniging met anderen, waaronder [betrokkene 5] of [betrokkene 7], in Tsjechië de vier in de tenlastelegging genoemde vrouwen heeft benaderd (aangeworven) met het oogmerk om hen naar Nederland, zijnde een ander land dan Tsjechië, te laten overkomen om hen daar prostitutiewerkzaamheden te laten verrichten.

10. Deze opvatting berust op het oordeel dat tussen [betrokkene 5] dan wel [betrokkene 7] enerzijds en verdachte en zijn medeverdachten anderzijds bewuste samenwerking bestond gericht op het tegen aan verdachte en zijn medeverdachten te betalen vergoeding bedrijven van prostitutie in Nederland. Het Hof heeft die bewuste samenwerking echter niet vastgesteld. Voorts ligt in de door het Hof vastgestelde feiten niet besloten dat verdachte en zijn medeverdachten zo bewust en nauw met [betrokkene 5] dan wel [betrokkene 7] hebben samengewerkt dat van medeplegen van aanwerven en/of medenemen vanuit een ander land dan Nederland met het in de tenlastelegging beschreven oogmerk sprake was. Van enig contact tussen verdachte en zijn medeverdachten enerzijds en [betrokkene 5] dan wel [betrokkene 7] anderzijds blijkt uit de door het Hof vastgestelde feiten immers niet.

11. Niettemin is de door het Hof aan de tenlastelegging gegeven uitleg, te weten dat het oogmerk om de in de tenlastelegging genoemde vrouwen ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen aldus moet worden verstaan dat het oogmerk van de verdachte erop gericht moet zijn geweest om aangeefsters alhier, in Nederland, ertoe te brengen als prostituee werkzaam te zijn met haar bewoordingen niet verenigbaar.

12. De tenlastelegging is toegespitst op overtreding van art. 273f lid 1 onder 30 Sr. Deze bepaling luidt:

“1. Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie gestraft:

(…)

3°. degene die een ander aanwerft, medeneemt of ontvoert met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling;”

13. De begrippen ‘aanwerven’, ‘medenemen ‘ en ‘met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling’ in de tenlastelegging zijn onmiskenbaar ontleend aan de tekst van art. 273f lid 1 onder 30 Sr. Daarom moet worden aangenomen dat deze begrippen in de tenlastelegging zijn gebezigd in dezelfde betekenis als waarin deze voorkomen in genoemde bepaling.

14. Zoals hierna onder 19 en 20 nader wordt uiteengezet is “in een ander land” in de tekst van art. 273f lid 1 onder 30 Sr opgenomen teneinde duidelijk tot uitdrukking te brengen dat het aanwerven c.a. betrekking heeft op internationale handel, en wel zo dat het oogmerk erop dient te zijn gericht iemand "in een ander land" tot prostitutie te brengen. Het vereiste van het “in een ander land” heeft dus niet, zoals in de uitleg van het Hof, betrekking op de plaats waar iemand tot prostitutie zou moeten worden gebracht maar op het “verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling”. Met andere woorden, het oogmerk moet erop zijn gericht iemand te bewegen tot prostitutie in een ander land en niet – zoals in de uitleg van het Hof - op het in een ander land bewegen tot prostitutie. Dat “ander land” kan Nederland zijn, nu Nederland, zoals in de tenlastelegging tot uitdrukking is gebracht, moet worden opgevat als ander land ten opzichte van Tsjechië (waar de in de tenlastelegging genoemde vrouwen oorspronkelijk verbleven). Een en ander wordt in de door het Hof gegeven uitleg van de tenlastelegging miskend en geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting van “met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling” als bedoeld in art. 273f lid 1 onder 30 Sr.

15. Naar mijn opvatting is het middel dus reeds gegrond voor zover het klaagt over een onjuiste uitleg van de tenlastelegging. Hierna zal ik aandacht geven aan het middel voor zover dat klaagt over de (overige) gronden voor de gegeven vrijspraak.

16. Het Hof heeft vastgesteld dat verdachte en zijn medeverdachten de gelegenheid hebben geboden voor de feitelijke uitvoering van prostitutiewerkzaamheden in Nederland waartoe de vrouwen reeds in Tsjechië hadden besloten. Op grond van laatstgenoemde omstandigheid is bedoeld gelegenheid bieden, aldus het Hof, onvoldoende om tot bewijs van het in de tenlastelegging beschreven oogmerk te kunnen leiden. Volgens de toelichting op het middel geeft het Hof aldus blijk van een onjuiste uitleg van aanwerven van iemand met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling als bedoeld in art. 273f lid 1 onder 30 Sr.

17. Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld dat – zoals hiervoor onder 13 reeds is gesteld - de begrippen ‘aanwerven’, ‘medenemen ‘ en ‘met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling’ in de tenlastelegging zijn gebezigd in dezelfde betekenis als waarin deze voorkomen in art. 273f lid 1 onder 30 Sr.

18. Het middel stelt de vraag aan de orde of ook nog kan worden gesproken van bedoeld aanwerven of medenemen van een ander met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling wanneer dat aanwerven of medenemen geschiedt op een ogenblik waarop die ander reeds het voornemen had opgevat zich in een ander land beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling en bovendien dat aanwerven of medenemen geschiedt in dat andere land.

19. Art. 273f lid 1 onder 30 Sr is in de plaats gekomen van art. 273a lid 1 onder 30 Sr, art. 273a lid 1 onder 30 Sr is in de plaats gekomen van art. 250a, eerste lid, onder 20 (oud) Sr. Voor de inwerkingtreding van deze bepaling was de strafbaarstelling van de onderhavige vorm van mensenhandel opgenomen in art. 250ter, lid 1 onder 20 (oud) Sr, daarvoor nog - in de vorm van een verbod op vrouwenhandel en handel in minderjarigen van het mannelijk geslacht - in art. 250ter Sr. Voor de beantwoording van de vraag hoe ruim art. 273f lid 1 onder 30 Sr moet worden uitgelegd is het volgende van belang.

20. In het oorspronkelijke art. 250ter Sr was volstaan met strafbaarheid van niet nader omschreven vrouwenhandel. Het verbod op het aanwerven, medenemen of ontvoeren kreeg - afgezien van een hier niet ter zake doende nadere omschrijving van prostitutie - zijn huidige vorm bij de wijziging van art. 250ter Sr bij Wet van 9 december 1993, Stb. 1993, 679.1 Teneinde duidelijk tot uitdrukking te brengen dat dit aanwerven c.a. betrekking had op internationale handel werd in de bepaling met zoveel woorden opgenomen dat het oogmerk erop dient te zijn gericht iemand "in een ander land" tot prostitutie te brengen.2

21. De strafbaarstelling van mensenhandel (toen nog: vrouwenhandel) vond oorspronkelijk haar grond in het Verdrag van Parijs van 4 mei 1910 tot bestrijding van de zogenaamde handel in vrouwen en meisjes (Stb. 1912, 355). De parlementaire geschiedenis van deze strafbaarstelling wordt in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel dat heeft geleid tot wijziging van art. 250ter Sr, waarbij de strafbaarheid van vrouwenhandel werd uitgebreid tot mensenhandel maar deze in het kader van de opheffing van het verbod op het souteneurschap voor wat betreft het beschikbaar doen stellen voor prostitutie van meerderjarigen – met behoud van de strafbaarstelling van het brengen tot prostitutie in een ander land - werd beperkt tot gevallen van onvrijwilligheid, als volgt samengevat:

“Het misdrijf ter zake van vrouwenhandel is in het Wetboek van Strafrecht bij nota van wijziging ingevoegd bij gelegenheid van de parlementaire behandeling van de Wet Bestrijding van Zedeloosheid (Wet van 20 mei 1911, Stb. 130). Het artikel, opgenomen in de nota van wijziging, luidde oorspronkelijk: «Hij die eenige handeling pleegt, ondernomen met het oogmerk om eene vrouw aan prostitutie over te leveren, wordt als schuldig aan vrouwenhandel, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren». Uit de Tweede Kamer werd als bezwaar tegen deze redactie aangevoerd, voor zover hier van belang, dat op deze wijze in artikel 250ter strafbaar werd gesteld wat reeds onder artikel 250bis, doch als beroep of gewoonte viel. Namens de Commissie van Rappor-teurs werd in het bijzonder het bezwaar naar voren gebracht dat door de delictsomschrijving preparatoire handelingen en poging, die ingevolge artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht niet strafbaar is, strafbaar worden gesteld. Minister Regout stelde daar tegenover dat concursus in het Wetboek van Strafrecht veel voorkomt en was ook voor de overige bezwaren niet gevoelig. Niettemin verklaarde hij zich bereid de door de Commissie van Rapporteurs voorgestelde redactie, waarin de delictsomschrijving achterwege bleef, over te nemen. De bepaling inzake vrouwenhandel kreeg daardoor haar huidige vorm. Als voorwaarde voor het overnemen van het amendement had de minister gesteld dat uit de debatten zou blijken dat zijn opvatting de juiste was opdat de rechter een authentieke interpretatie van het woord «vrouwenhandel» zou hebben. «In elk geval zal moeten blijken», aldus de minister, «dat elke handeling, ondernomen van het ogenblik dat men zich met de vrouw in aanraking stelt tot op het ogenblik, dat men de vrouw aan de prostitutie - wat men voornemens is - overlevert, op zich zelf reeds als «vrouwenhandel» gequalificeerd behoort te worden, met andere woorden dat voor het voltooide delict niet nodig zal zijn het verwezenlijken van het overleveringsoogmerk.» In het vervolg van zijn betoog lichtte de minister zijn opvatting nog toe door te stellen dat elke daad van vrouwenhandel reeds het delict zelf is, zodat ook bij voorbeeld het reizen met een vrouw met het doel haar aan prostitutie over te leveren, wordt beschouwd als het voltooide delict vrouwenhandel. De Commissie van Rapporteurs aanvaardde deze uitleg.13 De door de minister verdedigde opvatting werd ook in het vervolg van de parlementaire behandeling niet weersproken.
Aan de strafbaarstelling van vrouwenhandel ligt mede ten grondslag het Verdrag van Parijs van 4 mei 1910 tot bestrijding van de zogenaamde handel in vrouwen en meisjes. De Nederlandse tekst van de desbetreffende bepalingen luidt:
artikel 1: Gestraft wordt ieder die ter voldoening van eens anders lusten een minderjarige vrouw of meisje, zelfs met haar goedvinden, met het oog op het plegen van ontucht heeft aangeworven, medegenomen of ontvoerd, zelfs dan wanneer de verschillende handelingen die de bestanddelen van het strafbare feit uitmaken, in verschillende landen gepleegd zijn.
artikel 2: Mede wordt gestraft ieder, die ter voldoening van eens anders lusten een meerderjarige vrouw of meisje door bedrog of met behulp van geweld, bedreiging, misbruik van gezag of enig ander dwangmiddel, met het oog op het plegen van ontucht heeft aangeworven, medegenomen of ontvoerd, zelfs dan wanneer de verschillende handelingen die de bestanddelen van het strafbare feit uitmaken, in verschillende landen gepleegd zijn.
(…).
Uit de wetsgeschiedenis van artikel 250ter Sr. blijkt dat de wetgever destijds aan die bepaling een ruimere strekking heeft gegeven dan waartoe het Verdrag van Parijs van 1910 hem verplichtte, door ook ten aanzien van meerderjarige vrouwen de strafbaarheid niet afhankelijk te stellen van de onvrijwilligheid van de vrouw. Voorts omvat het begrip vrouwenhandel zoals dit bij de parlementaire behandeling werd opgevat, meer gedragingen dan de in het verdrag genoemde handelingen aanwerven, medenemen of ontvoeren.”4

22. Deze memorie van toelichting houdt over verdragen op het gebied van de mensenhandel voor zover hier van belang onder meer het volgende in:

“Inzake de verplichting tot strafbaarstelling van vrouwenhandel is Nederland partij bij de volgende verdragen:

(…)

- Het Internationaal Verdrag van Genève van 11 oktober 1933 (Stb. 1935, 598) nopens de bestrijding van de handel in meerderjarige vrouwen, bekrachtigd op 20 september 1935, voor Nederland in werking getreden op 19 november 1935.

Bij dit verdrag werden de verdragen van 4 mei 1910 en 30 september 1921 aangevuld met een verplichting om straf te bedreigen tegen ieder die ter voldoening van een anders lusten een meerderjarige vrouw of meisje, zelfs met haar goedvinden, met het oog op het plegen van ontucht in een ander land heeft aangeworven, medegenomen of ontvoerd, zelfs dan wanneer de verschillende handelingen die de bestanddelen van het strafbare feit uitmaken, in verschillende landen gepleegd zijn. De pogingen en voorbereidende handelingen dienen eveneens strafbaar te worden gesteld, laatstgenoemde handelingen binnen de grenzen der wet.”5

23. In de memorie van toelichting bij de Wet van 9 december 2004, Stb. 2004, 645 somt de wetgever een aantal internationale regelingen op die nopen tot aanpassing van de strafbaarheid van mensenhandel zoals die tot dan toe was opgenomen in 250a, eerste lid, onder 20 (oud) Sr:

“(1) Het op 25 mei 2000 te New York totstandgekomen Facultatief Protocol inzake de verkoop van kinderen, prostitutie en kinderpornografie bij het Verdrag inzake de rechten van het kind (Trb. 2001, 63),

(2) Het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad (Trb. 2001, 68),

(3) het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol inzake de preventie, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel, tot aanvulling van het Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad (Trb. 2001, 69),

(4) het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad (Trb. 2001, 70),

(5) het op 19 juli 2002 te Brussel totstandgekomen kaderbesluit van de Raad inzake bestrijding van mensenhandel (PbEG L 203),

(6) de op 28 november 2002 te Brussel totstandgekomen richtlijn van de Raad tot omschrijving van de hulp bij illegale binnenkomst, illegale doorreis en illegaal verblijf (PbEG L 328),

(7) het op 28 november 2002 te Brussel totstandgekomen kaderbesluit van de Raad tot versterking van het strafrechtelijk kader voor de bestrijding van de hulp bij illegale binnenkomst, illegale doorreis en illegaal verblijf (PbEG L 328),

(8) en het op ...... 2003 te Brussel totstandgekomen kaderbesluit van de Raad ter bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie (......).”6

24. Tot twee keer toe heeft de wetgever aanleiding gezien de maximumstraf op mensenhandel te verhogen, te weten bij Wet van 12 juni 2009, Stb. 2009, 2457, en bij Wet van 28 februari 2013, Stb. 2013, 84.8 Met beide wetten werd een effectiever bestrijding van mensenhandel beoogd.9 Zo merkt de wetgever ter toelichting van de bij Wet van 12 juni 2009, Stb. 2009, 245 gerealiseerde strafverhoging op:

“De keuze voor een hoger wettelijk strafmaximum heeft tevens enkele wenselijke juridische gevolgen. Het strafmaximum voor alle gekwalificeerde vormen van mensenhandel bedraagt, indien dit voorstel tot wet wordt verheven en in werking treedt, straks tenminste twaalf jaar. Zulks betekent dat het openbaar ministerie bij een vordering tot voorlopige hechtenis in meer gevallen dan nu de zogenoemde 12-jaars grond (artikel 67a, tweede lid, onder 1°, Sv) kan opvoeren. Het openbaar ministerie heeft het belang van een ruimer toepassingsbereik van de 12-jaars grond in mensenhandelzaken benadrukt. Voorts ontstaat op het moment dat voor ongekwalificeerde vormen van mensenhandel het strafmaximum acht jaar bedraagt de mogelijkheid om tegen strafbare voorbereiding (artikel 46 Sr) van het misdrijf op te treden. De voorgestelde wijzigingen passen daarmee goed in het samenstel van maatregelen dat wordt genomen om mensenhandel effectief en krachtig te kunnen bestrijden.”10

Dezelfde gedachten worden tot uitdrukking gebracht in de memorie van toelichting op de Wet van 28 februari 2013, Stb. 2013, 84:

“Mensenhandel is een uitermate ernstig misdrijf dat een zeer ernstige inbreuk op de menselijke waardigheid en integriteit maakt. Niet zelden gaat mensenhandel gepaard met zware georganiseerde criminaliteit. De politieke en maatschappelijke verontwaardiging over deze vorm van moderne slavernij is groot en terecht. Recente mensenhandelzaken hebben de actualiteit beheerst en de rechtsorde geschokt. Mensenhandel dient dan ook effectief, krachtig en afschrikwekkend te kunnen worden bestraft.
De wetgever heeft de strafmaxima voor mensenhandel in het recente verleden verhoogd. Dit geschiedde bij gelegenheid van de Wet van 12 juni 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, Wetboek van Strafvordering en enkele aanverwante wetten etc. (Stb. 245; inwerking getreden op 1 juli 2009). Thans geldt voor het kale delict mensenhandel een strafmaximum van 8 jaren gevangenisstraf. Voor alle gekwalificeerde vormen van mensenhandel geldt ten minste een strafmaximum van 12 jaren gevangenisstraf, oplopend tot 18 jaren gevangenisstraf voor mensenhandel gepleegd onder de omstandigheid dat het feit de dood ten gevolge heeft. Niettemin is het onderhavige voorstel tot verdere verhoging van de strafmaxima naar mijn mening gerechtvaardigd en verantwoord. Met de voorgestelde verhoging wordt de ernst van het feit beter tot uitdrukking gebracht. Mensenhandel is een uitermate ernstig misdrijf waarbij veelal gedurende een langere periode een zeer ernstige inbreuk op de menselijke waardigheid en integriteit van het slachtoffer wordt gemaakt, vaak met blijvende psychische en andere gevolgen.”11

25. Zoals de rapportages van de nationaal rapporteur mensenhandel laten zien is de opsporing, vervolging en berechting van mensenhandel in Nederland bepaald nog niet optimaal.12Mensenhandel wordt door de Raad van Europa gezien als een moderne vorm van slavernij die een ernstige bedreiging vormt voor de waarden waarop de Raad van Europa steunt.13 Op 16 mei 2005 is te Warschau totstandgekomen de Convention on Action against Trafficking in Human Beings (CETS No. 197).14Deze conventie is erop gericht mensenhandel te voorkomen, de mensenrechten van slachtoffers van mensenhandel tot hun recht te doen komen en plegers van mensenhandel te vervolgen. Voor de hier aan de orde zijnde vraag zijn met name de volgende bepalingen van belang:

“Article 4 – Definitions

For the purposes of this Convention:

a "Trafficking in human beings" shall mean the recruitment, transportation, transfer, harbouring or receipt of persons, by means of the threat or use of force or other forms of coercion, of abduction, of fraud, of deception, of the abuse of power or of a position of vulnerability or of the giving or receiving of payments or benefits to achieve the consent of a person having control over another person, for the purpose of exploitation. Exploitation shall include, at a minimum, the exploitation of the prostitution of others or other forms of sexual exploitation, forced labour or services, slavery or practices similar to slavery, servitude or the removal of organs;

b The consent of a victim of “trafficking in human beings” to the intended exploitation set forth in subparagraph (a) of this article shall be irrelevant where any of the means set forth in subparagraph (a) have been used;

c The recruitment, transportation, transfer, harbouring or receipt of a child for the purpose of exploitation shall be considered "trafficking in human beings" even if this does not involve any of the means set forth in subparagraph (a) of this article;

d "Child" shall mean any person under eighteen years of age;

e “Victim” shall mean any natural person who is subject to trafficking in human beings as defined in this article.

(…)

Article 18 – Criminalisation of trafficking in human beings

Each Party shall adopt such legislative and other measures as may be necessary to establish as criminal offences the conduct contained in article 4 of this Convention, when committed intentionally.

Article 19 – Criminalisation of the use of services of a victim

Each Party shall consider adopting such legislative and other measures as may be necessary to establish as criminal offences under its internal law, the use of services which are the object of exploitation as referred to in Article 4 paragraph a of this Convention, with the knowledge that the person is a victim of trafficking in human beings.
(…)

Article 21 – Attempt and aiding or abetting

1 Each Party shall adopt such legislative and other measures as may be necessary to establish as criminal offences when committed intentionally, aiding or abetting the commission of any of the offences established in accordance with Articles 18 and 20 of the present Convention.

2 Each Party shall adopt such legislative and other measures as may be necessary to establish as criminal offences when committed intentionally, an attempt to commit the offences established in accordance with Articles 18 and 20, paragraph a, of this Convention.”

26. Van belang is ook dat het EHRM aan art. 4 EVRM een aantal positieve verplichtingen voor de staten heeft ontleend die betrekking hebben op de bestrijding van mensenhandel. In EHRM 7 januari 2010, EHRC 2010, 29, m.nt. A.S.H. Timmer (Rantsev v. Cyprus and Russia) heeft het EHRM deze als volgt geformuleerd:

“2.General principles of Article 4

283.The Court reiterates that, together with Articles 2 and 3, Article 4 enshrines one of the basic values of the democratic societies making up the Council of Europe (Siliadin, cited above, par. 82). Unlike most of the substantive clauses of the Convention, Article 4 makes no provision for exceptions and no derogation from it is permissible under Article 15 par. 2 even in the event of a public emergency threatening the life of the nation.

284. In assessing whether there has been a violation of Article 4, the relevant legal or regulatory framework in place must be taken into account (see, mutatis mutandis, Nachova and Others v. Bulgaria [GC], nos. 43577/98 and 43579/98, par. 93, ECHR 2005-VII). The Court considers that the spectrum of safeguards set out in national legislation must be adequate to ensure the practical and effective protection of the rights of victims or potential victims of trafficking. Accordingly, in addition to criminal law measures to punish traffickers, Article 4 requires member States to put in place adequate measures regulating businesses often used as a cover for human trafficking. Furthermore, a State’s immigration rules must address relevant concerns relating to encouragement, facilitation or tolerance of trafficking (see, mutatis mutandis, Guerra and Others v. Italy, 19 February 1998, par.par. 58 to 60, Reports of Judgments and Decisions 1998-I; Z and Others v. the United Kingdom [GC], no. 29392/95, par.par. 73 to 74, ECHR 2001-V; and Nachova and Others, cited above, par.par. 96 to 97 and 99-102).

285.In its Siliadin judgment, the Court confirmed that Article 4 entailed a specific positive obligation on member States to penalise and prosecute effectively any act aimed at maintaining a person in a situation of slavery, servitude or forced or compulsory labour (cited above, par.par. 89 and 112). In order to comply with this obligation, member States are required to put in place a legislative and administrative framework to prohibit and punish trafficking. The Court observes that the Palermo Protocol and the Anti-Trafficking Convention refer to the need for a comprehensive approach to combat trafficking which includes measures to prevent trafficking and to protect victims, in addition to measures to punish traffickers (see paragraphs 149 and 163 above). It is clear from the provisions of these two instruments that the Contracting States, including almost all of the member States of the Council of Europe, have formed the view that only a combination of measures addressing all three aspects can be effective in the fight against trafficking (see also the submissions of Interights and the AIRE Centre at paragraphs 267 and 271 above). Accordingly, the duty to penalise and prosecute trafficking is only one aspect of member States’ general undertaking to combat trafficking. The extent of the positive obligations arising under Article 4 must be considered within this broader context.

286.As with Articles 2 and 3 of the Convention, Article 4 may, in certain circumstances, require a State to take operational measures to protect victims, or potential victims, of trafficking (see, mutatis mutandis, Osman, cited above, par. 115; and Mahmut Kaya v. Turkey, no. 22535/93, par. 115, ECHR 2000-III). In order for a positive obligation to take operational measures to arise in the circumstances of a particular case, it must be demonstrated that the State authorities were aware, or ought to have been aware, of circumstances giving rise to a credible suspicion that an identified individual had been, or was at real and immediate risk of being, trafficked or exploited within the meaning of Article 3(a) of the Palermo Protocol and Article 4(a) of the Anti-Trafficking Convention. In the case of an answer in the affirmative, there will be a violation of Article 4 of the Convention where the authorities fail to take appropriate measures within the scope of their powers to remove the individual from that situation or risk (see, mutatis mutandis, Osman, cited above, par.par.116 to 117; and Mahmut Kaya, cited above, par.par. 115 to 116).

287.Bearing in mind the difficulties involved in policing modern societies and the operational choices which must be made in terms of priorities and resources, the obligation to take operational measures must, however, be interpreted in a way which does not impose an impossible or disproportionate burden on the authorities (see, mutatis mutandis, Osman, cited above, par. 116). It is relevant to the consideration of the proportionality of any positive obligation arising in the present case that the Palermo Protocol, signed by both Cyprus and the Russian Federation in 2000, requires States to endeavour to provide for the physical safety of victims of trafficking while in their territories and to establish comprehensive policies and programmes to prevent and combat trafficking (see paragraphs 153 to 154 above). States are also required to provide relevant training for law enforcement and immigration officials (see paragraph 155 above).

288.Like Articles 2 and 3, Article 4 also entails a procedural obligation to investigate situations of potential trafficking. The requirement to investigate does not depend on a complaint from the victim or next-of-kin: once the matter has come to the attention of the authorities they must act of their own motion (see, mutatis mutandis, Paul and Audrey Edwards v. the United Kingdom, no. 46477/99, par. 69, ECHR 2002-II). For an investigation to be effective, it must be independent from those implicated in the events. It must also be capable of leading to the identification and punishment of individuals responsible, an obligation not of result but of means. A requirement of promptness and reasonable expedition is implicit in all cases but where the possibility of removing the individual from the harmful situation is available, the investigation must be undertaken as a matter of urgency. The victim or the next-of-kin must be involved in the procedure to the extent necessary to safeguard their legitimate interests (see, mutatis mutandis, Paul and Audrey Edwards, cited above, par.par. 70 to 73).

289.Finally, the Court reiterates that trafficking is a problem which is often not confined to the domestic arena. When a person is trafficked from one State to another, trafficking offences may occur in the State of origin, any State of transit and the State of destination. Relevant evidence and witnesses may be located in all States. Although the Palermo Protocol is silent on the question of jurisdiction, the Anti-Trafficking Convention explicitly requires each member State to establish jurisdiction over any trafficking offence committed in its territory (see paragraph 172 above). Such an approach is, in the Court’s view, only logical in light of the general obligation, outlined above, incumbent on all States under Article 4 of the Convention to investigate alleged trafficking offences. In addition to the obligation to conduct a domestic investigation into events occurring on their own territories, member States are also subject to a duty in cross-border trafficking cases to cooperate effectively with the relevant authorities of other States concerned in the investigation of events which occurred outside their territories. Such a duty is in keeping with the objectives of the member States, as expressed in the preamble to the Palermo Protocol, to adopt a comprehensive international approach to trafficking in the countries of origin, transit and destination (see paragraph 149 above). It is also consistent with international agreements on mutual legal assistance in which the respondent States participate in the present case (see paragraphs 175 to 185 above).”15

27. Het voorgaande laat zien dat er tussen staten overeenstemming over bestaat dat mensenhandel een ernstig probleem is, dat mensenhandel leidt tot aantasting van mensenrechten en dat deze derhalve streng dient te worden aangepakt. Dit heeft niet alleen uitdrukking gevonden in verdragen gericht op maatregelen ter bestrijding van mensenhandel maar ook tot rechtspraak van het EHRM waarin staten worden gewezen op hun verplichtingen tot het daadwerkelijk treffen van maatregelen ter bestrijding van mensenhandel alsmede tot wetgeving waarin het in die verdragen verwoorde streven is gerealiseerd. In lijn met deze ontwikkelingen wordt in de Nederlandse rechtspraak een ruime uitleg gegeven aan het delict mensenhandel. Al in 1926 komt A-G Ledeboer op grond van de door hem geciteerde wetsgeschiedenis tot de conclusie dat het toenmalige begrip vrouwenhandel ruim moest worden uitgelegd in die zin dat daarvoor geen dwang was vereist.16 Aan het tot prostitutie brengen van een minderjarige als bedoeld in – thans – art. 250ter lid 1 onder 30 (oud) Sr staat volgens de Hoge Raad17 niet in de weg dat een minderjarige al eerder in de prostitutie werkzaam is geweest. In HR 18 april 2000, LJN ZD1788, NJ 2000, 443 oordeelde de Hoge Raad op grond van de geschiedenis van de totstandkoming van art. 250ter (oud) Sr dat onder aanwerven als bedoeld in die bepaling moet worden verstaan ‘iedere daad waardoor een persoon wordt aangeworven teneinde die persoon in een ander land tot prostitutie te brengen, zonder dat behoeft te blijken dat de wijze van aanwerving de keuzevrijheid heeft beperkt’ (rov. 3.3.3). In HR 20 december 2005, LJN AU3425, NJ 2006, 35 werd aan het begrip ‘medenemen’ als bedoeld in art. 250a (oud) Sr eveneens een ruime uitleg gegeven. In deze zaak was het slachtoffer door de verdachte en zijn mededaders onder valse voorwendselen naar Nederland gelokt om in de prostitutie te gaan werken maar reisde het slachtoffer alleen per vliegtuig vanuit Griekenland naar Nederland. Toch liet de Hoge Raad het oordeel van het Hof dat sprake was van medenemen als bedoeld in art. 250a (oud) Sr in stand. De Hoge Raad wees daartoe op doel en strekking van de bepaling alsmede op de omstandigheid dat de medeverdachte het ticket van het slachtoffer had betaald en de verdachte en de mededader haar van het vliegveld naar een café in Arnhem hadden gebracht.

28. Zoals het voorgaande laat zien vormt het daadwerkelijk gelegenheid bieden tot prostitutie in een ander land dan het land van herkomst van het slachtoffer een wezenlijk element van de gedragingen die de wetgever met de strafbaarheid van mensenhandel wil bestrijden en gelet op de op de Staat rustende positieve verplichtingen dienen te worden bestreden. Voorts wijs ik met het oog op de hier aan de orde zijnde vraag op hetgeen de wetgever in de memorie van toelichting op art. 250ter Sr (zie hiervoor onder 22) schrijft over de verplichtingen die voortvloeien uit het Internationaal Verdrag van Genève van 11 oktober 1933 (Stb. 1935, 598), te weten dat dit verdrag de verplichting inhoudt om straf te bedreigen tegen ieder die ter voldoening van een anders lusten een meerderjarige vrouw of meisje, zelfs met haar goedvinden, met het oog op het plegen van ontucht in een ander land heeft aangeworven, medegenomen of ontvoerd, zelfs dan wanneer de verschillende handelingen die de bestanddelen van het strafbare feit uitmaken, in verschillende landen gepleegd zijn.

29. Uit het voorgaande volgt dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het aanwerven of medenemen van een ander met het oogmerk die ander in een ander land tot prostitutie te brengen een en ander als bedoeld in art. 273f lid 1 onder 30 Sr zo beperkt op te vatten dat daarvan geen sprake meer kan zijn wanneer dat aanwerven of medenemen van die ander plaatsvindt op een moment waarop die ander reeds het voornemen had opgevat in een ander land in de prostitutie te gaan werken en dat aanwerven of medenemen plaatsvindt in dat andere land.18 Een dergelijke beperkte opvatting verdraagt zich niet met hetgeen spreekt uit de parlementaire geschiedenis van de bestrijding van mensenhandel, met uit internationale verdragen voortvloeiende verplichtingen en in die verdragen belichaamde ontwikkelingen op het gebied van de mensenhandel en strookt niet met de in art. 4 EVRM belichaamde positieve verplichtingen voor de staat zich in te spannen voor de bestrijding van mensenhandel.

30. Het middel slaagt.

31. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

32. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In werking getreden 1 februari 1994.

2 Kamerstukken II, 21 027, 1990-1991, nr. 5, p. 12.

3 Handelingen II 1910-1911, pp. 1573 tot en met 1577.

4 Kamerstukken II 1988-1989, 21 027, nr. 3, p. 1, 2.

5 P. E

6 Kamerstukken II 2003–2004, 29 291, nr. 3, p. 1.

7 In werking getreden 1 juli 2009.

8 In werking getreden 1 april 2013.

9 Zie over de vraag of die aanpak van mensenhandel wel de juiste is M. Malsch, Mensenhandel: het verwachte effect van strafverhogingen, Trema Straftoemetingsbulletin, april 2013, p. 3-10.

10 Kamerstukken II 2008–2009, 31 386, nr. 9, p. 7.

11 Kamerstukken II 2011–2012, 33 185, nr. 3, p. 5, 6.

12 Zie http://www.nationaalrapporteur.nl en het daar te vinden rapportages Nationaal Rapporteur Mensenhandel.

13 http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/trafficking/Source/Factsheet_convention_en_oct09.pdf

14 Door Nederland getekend op 17 november 2005 en geratificeerd op 22 april 2010; de conventie is voor Nederland in werking getreden op 1 augustus 2010.

15 Het EHRM refereert aan deze rechtspraak in zijn arrest van 31 juli 2012, appl. no. 40020/03, EHRC 2012, 221 (M. a.o. v. Italy and Bulgaria), par. 146 e.v.

16 Conclusie bij HR 10 mei 1926, NJ 1926, 625.

17 HR 7 april 1998, NJ 1998, 729, rov. 6.2.

18 Zie over de uitleg van art. 273f lid 1 onder 30 Sr A. Beijer, Mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting; de interpretatie van artikel 273f Sr, D&D 2010, 60, p. 986 e.v., in het bijzonder p. 1005-1007, die echter niet specifiek op de onderhavige vraag ingaat.