Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:759

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-06-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
12/04911
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:950, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO en overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/04911

Zitting: 4 juni 2013

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens “medeplegen van moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van tien jaren. Voorts heeft het Hof een aantal inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een personenauto, het bijbehorend kentekenbewijs en een telefoon, verbeurd verklaard.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 12/04911 en 12/05183. In de zaak met het nummer 12/05183 heb ik 23 april 2013 geconcludeerd.

3. Namens verdachte heeft mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden.

5. Namens verdachte, die gedetineerd is, is op 9 december 2011 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 17 oktober 2012 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van zes maanden is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad in deze zaak uitspraak doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.

6. Redelijkerwijs gesproken kan de Hoge Raad in de onderhavige zaak op zijn vroegst uitspraak doen op een termijn van vier weken. Dat zou dan betekenen dat de hiervoor genoemde termijn van 16 maanden met bijna drie maanden zou worden overschreden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de onderhavige overschrijding van de redelijke termijn te leiden tot een strafvermindering van 5% maar niet meer dan de duur van de overschrijding1, dat is bijna drie maanden gevangenisstraf. Wordt uitgegaan van de duur van de overschrijding van de inzendingstermijn, vier maanden, dan zal de strafvermindering vier maanden bedragen.

7. In mijn conclusie bij HR 19 april 2011, LJN BP5361 heb ik uiteengezet dat een dergelijke strafvermindering niet noodzakelijk en naar mijn oordeel ook niet juist is. Voor de redenen die ik daarvoor heb aangevoerd verwijs ik naar die conclusie. Eén reden licht ik eruit: onverteerbaarheid van een dergelijke strafvermindering voor de slachtoffers. Zoals blijkt uit de slachtofferverklaring die is gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 november 2011 liet de vermoorde bestuurder een vrouw en twee dochters achter die zwaar zijn getroffen door diens overlijden.

8. In zijn arrest van 19 april 2011, LJN BP5361 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat er geen reden was om terug te komen op zijn vaste rechtspraak over overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Een van de redenen die de Hoge Raad daarvoor noemt is dat de rechtspraak van de Hoge Raad over de redelijke termijn in de praktijk blijkt te voldoen. Dat die reden in een geval als het onderhavige – een levensmisdrijf – opgeld zou doen kan ik mij niet goed voorstellen. Naar mijn indruk valt bepaald niet uit te sluiten dat een strafvermindering van bijna drie à vier maanden in een geval als het onderhavige door de nabestaanden van het slachtoffer wordt ervaren als nodeloze miskenning door de rechter van het leed dat hen door de verdachte is aangedaan. Dat leed staat immers in geen enkele verhouding tot het nadeel dat de verdachte in het onderhavige geval lijdt doordat hij langer dan rechtens is op de uitspraak van de Hoge Raad heeft moeten wachten, een langer wachten dat ook de nabestaanden hebben moeten verdragen.

9. Het voorgaande klemt temeer wanneer wordt bedacht dat in een geval als het onderhavige ook anderszins de evenredigheid tussen de mate van overschrijding van de redelijke termijn en de volgens de rechtspraak van de Hoge Raad toe te kennen compensatie zoek is. In een geval als het onderhavige is die compensatie in dagen gevangenisstraf immers gelijk aan de duur van de overschrijding van de redelijke termijn terwijl toch moeilijk valt vol te houden dat de periode van langer wachten op de uitspraak even zwaar valt als het doorbrengen van een periode van dezelfde duur in gevangenschap, ook al wordt in aanmerking genomen dat dat langer wachten in gevangenschap heeft plaatsgevonden.

10. Voorts wijst de Hoge Raad er in het hiervoor aangehaalde arrest ter onderbouwing van zijn keuze voor bestendiging van de bestaande rechtspraak op dat het vraagstuk inzake de toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn de aandacht heeft van de wetgever. Dat moge in zijn algemeenheid zo zijn2, dat geldt niet voor de strafwetgever.3 In Duitsland heeft de wetgever inmiddels wel een voorziening getroffen, ook voor strafzaken: Gesetz über den Rechtsschutz bei überlangen Gerichtsverfahren und strafrechtlichen Ermittlungsverfahren van 24 november 2011.

11. In mijn conclusie bij voornoemd arrest wees ik ook op de aanspraken die slachtoffers van delicten kunnen ontlenen aan de positieve verplichtingen die onder meer opgesloten liggen in – voor zover voor het onderhavige geval van belang – art. 2 EVRM. Ook de Hoge Raad heeft inmiddels laten zien oog te hebben voor deze positieve verplichtingen. Zo ziet de Hoge Raad in zijn arrest van 19 februari 2010, LJN BY5322 de vraag onder ogen of bewijsuitsluiting in voorkomend geval niet op onaanvaardbare wijze tekort doet aan de rechten van slachtoffers of hun nabestaanden, mede gelet op de uit het EVRM voortvloeiende positieve verplichtingen4 tot effectieve bestraffing. Met die positieve verplichtingen staat een strafvermindering in een geval als het onderhavige, zeker wanneer deze geschiedt in een mate als de Hoge Raad pleegt te doen, op gespannen voet.

12. In laatstgenoemd arrest wijst de Hoge Raad erop dat toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk kan worden geacht als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen die onrechtmatige bewijsgaring tot gevolg hebben te voorkomen en een krachtige stimulans te laten bestaan tot handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm. Voor strafvermindering als reactie op overschrijding van de redelijke termijn geldt dit niet. Bekostiging van de rechtspraak waarin afdoening binnen redelijke termijn tot voordeel van een gerecht strekt is daarvoor eerder een aangewezen middel.

13. Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat in een zaak als de onderhavige, die in het bijzonder hierdoor wordt gekenmerkt dat verdachte een ander opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, niet onverkort kan worden vastgehouden aan de regels voor compensatie van overschrijding van de redelijke termijn zoals de Hoge Raad die heeft geformuleerd in zijn arrest van 17 juni 2008, LJN BD2578, alsmede dat de onderhavige overschrijding van de redelijke termijn gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de gevolgen die het feit voor anderen heeft gehad en de – naar de totale duur van de procedure in cassatie gerekend: geringe - mate waarin de redelijke termijn is overschreden, niet noopt tot strafvermindering, althans niet tot een strafvermindering die meer dan een week bedraagt. Het middel is dus tevergeefs voorgedragen, althans noopt niet tot strafvermindering van meer dan een week.

14. Het tweede middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

15. Het Hof heeft te dier zake – met inbegrip van hier niet opgenomen voetnoten – het volgende overwogen:

Voorwaardelijk opzet op de dood

De raadsman heeft ter adstructie van zijn tot vrijspraak strekkend verweer aangevoerd dat uit het voorhanden bewijs niet kan worden afgeleid dat [verdachte] en [medeverdachte] opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, hadden op de dood van [slachtoffer]. Daartoe zijn de volgende drie stellingen ingenomen.

(i) De gedragingen van [verdachte] brengen naar algemene ervaringsregels niet een kans op de dood met zich die aanmerkelijk kan worden genoemd.

(ii) Wanneer die aanmerkelijke kans wel wordt aangenomen, kan niet worden bewezen dat bij [verdachte] daaromtrent wetenschap heeft bestaan.

(iii) In elk geval kan redelijkerwijs niet worden vastgesteld dat [verdachte] die kans heeft aanvaard.

Het hof overweegt als volgt.

Naar het oordeel van het hof hebben [verdachte] en [medeverdachte] opzet in voorwaardelijke zin op de dood van het slachtoffer gehad. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - is aanwezig indien de betreffende verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging deze aanmerkelijke kans in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de aanmerkelijke kans afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal moeten gaan om kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de betreffende verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

(i) De aanmerkelijke kans op de dood

In de onderhavige strafzaak bestaan de gedragingen van [verdachte] en [medeverdachte] uit het met een personenauto opzettelijk veroorzaken van een zijwaartse aanrijding op een onoverzichtelijke T-kruising, wetende dat het slachtoffer van die aanrijding over een 60 kilometer weg rijdt waar vaak harder wordt gereden en die weg - ter hoogte van genoemde T-kruising - betrekkelijk smal en omzoomd met bomen is. Door in voorwaartse beweging te (blijven) rijden in de richting van de door het slachtoffer bestuurde Renault en - gelet op de onoverzichtelijkheid van die T-kruising - door die met een aanmerkelijke snelheid rijdende Renault onverhoeds te naderen, waarbij [verdachte] in zeer korte tijd en over zeer korte afstand is opgetrokken tot een snelheid van 25 kilometer per uur, en niet te stoppen toen die Renault zich op zeer korte afstand van die Audi bevond, hebben [verdachte] en [medeverdachte] naar regels van algemene ervaring de objectief aanmerkelijke kans dat de Renault als gevolg van de aanrijding van de weg zou geraken en zodanig (met die hoge snelheid) tegen een boom zou klappen dat het slachtoffer (daaraan) zou (komen te) overlijden op de koop toegenomen. Het niet dragen van een autogordel en het met open zijraam rijden door het slachtoffer doet niet af aan de reeds (dat wil zeggen zonder rekening te houden met die bijzondere omstandigheden) aanwezige aanmerkelijke kans dat het slachtoffer als gevolg van de gedragingen van [verdachte] en [medeverdachte] zou komen te overlijden.

Voornoemde overwegingen vinden overigens steun in het standpunt van de deskundige Wismans. Ter terechtzitting in hoger beroep verklaarde hij namelijk dat deze zijwaartse botsing een voorwaartse component heeft waardoor de kans groot is dat de bestuurder van de aangereden auto in een slip geraakt en de macht over het stuur verliest. Uit zijn verklaring begrijpt het hof voorts dat de kans op dodelijk letsel in grote mate wordt bepaald door de langs de rijbaan aanwezige bomen. Dat het slachtoffer in dit geval geen gordel heeft gedragen, maakt dat niet anders, zo blijkt uit zijn deskundigenrapport. Ook indien het slachtoffer een gordel had gedragen, acht hij de kans dat het hoofd van het slachtoffer met de boom in botsing zou komen nog steeds groot. Voorts sluit de deskundige Wismans met betrekking tot het rijden met een niet geopend zijraam het risico op dodelijk letsel bij een zijwaartse botsing niet uit, omdat afhankelijk van de sterkte en het soort glas waarvan het zijraam is gemaakt, het glas kan breken waardoor het hoofd door het gebroken zijraam alsnog buiten de auto terecht zal komen en alsnog contact zal kunnen maken met de stilstaande boom. Volgens de deskundige Wismans is - gelet op de eerder vastgestelde snelheid van de Renault - de kans op dodelijk letsel wanneer het hoofd met een dergelijke snelheid tegen de boom zou botsen nog steeds aanwezig.

De door de raadsman aangedragen alternatieve mogelijkheden - zoals een frontale botsing met de boom, het tussen twee bomen de sloot inrijden, het tot stilstand komen op de rijbaan en het met een dicht raam rijden - die de kans op dodelijk letsel zouden verminderen, doen aan de algemene regels van ervaring niet af. De aanmerkelijke kans op de dood eist immers niet dat het in alle gevallen slecht met het slachtoffer afloopt in die zin dat het slachtoffer komt te overlijden. Ook de door de deskundige ter terechtzitting ten aanzien van zijwaartse botsingen genoemde statistieken maakt de algemene ervaringsregels niet anders. Die statistieken hebben immers betrekking op zijwaartse botsingen in het algemeen en niet op zijwaartse botsingen onder de specifieke omstandigheden, te weten de smalle weg en de aanwezigheid van bomen, van dit geval.

(ii) Wetenschap van de aanmerkelijke kans

Afgezien nog van het feit dat de wetenschap van deze aanmerkelijke kans op de dood gelet op genoemde algemene ervaringsregels bij [verdachte] en [medeverdachte] mag worden verondersteld, is het hof van oordeel dat die wetenschap ook uit de vastgestelde feiten en omstandigheden kan worden afgeleid. Het hof wijst er in dat verband op dat [verdachte] de weg goed kende en wist dat het een gevaarlijke kruising was en dat er vaak hard werd gereden. [medeverdachte] stond op het Kraanmeer (ii) en moet daarom ook gezien hebben dat het een gevaarlijke kruising betrof.

Daar komt bij dat voorafgaand aan de fatale aanrijding met de Renault, zowel [verdachte] als [medeverdachte] door de drie eerdere bijna aanrijdingen - en zeker door de bijna frontale aanrijding tussen de bestelauto van de getuige [betrokkene] en de bestuurderszijde van de Audi met de mogelijkheid van ernstige gevolgen zijn geconfronteerd.

(iii) Aanvaarding van de aanmerkelijke kans

Nu [verdachte] en [medeverdachte] na deze bijna aanrijdingen hun plan hebben doorgezet om op die bewuste T-kruising een aanrijding te veroorzaken, ligt in de aard van hun gedragingen besloten dat zij de kans op dodelijk letsel bewust hebben aanvaard. Met name het doorzetten na de bijna frontale aanrijding tussen de bestelauto van de getuige [betrokkene] en de bestuurderszijde van de Audi is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het gevolg dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan in dit geval niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat [verdachte] en [medeverdachte] de aanmerkelijke kans op dat dodelijk gevolg bewust hebben aanvaard. Bij de bijna frontale botsing tussen de bestelauto van de getuige [betrokkene] en de bestuurderszijde van de Audi lachte [verdachte] en reed weer terug naar het Kraanmeer (i), terwijl tevens gezien is dat de man die stond te bellen, zijnde [medeverdachte], ook aan het lachen was. Naar het oordeel van het hof past zulk een reactie niet bij een bijna fatale aanrijding die niet beoogd is. Bovendien heeft zich binnen enkele minuten na deze bijna botsing een nieuwe aanrijding voorgedaan met dezelfde modus operandi.

De vergelijking met het door de raadsman aangehaalde Porsche-arrest (HR 15 oktober 1986, NJ 1997, 199) gaat niet op, nu in die zaak meermalen een ingezette inhaalmanoeuvre werd afgebroken met het kennelijke doel om een aanrijding te vermijden, terwijl er in deze zaak juist sprake is van het oogmerk om een aanrijding te veroorzaken en het derhalve om een doelbewuste tegen de bestuurder van de Renault gerichte daad van agressie gaat.

Gelet op het bovenstaande verwerpt het hof het verweer van de raadsman dat opzet, ook in voorwaardelijke zin, niet zou kunnen worden bewezen.”

16. In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats geklaagd dat het Hof de aanmerkelijkheid van de kans op het overlijden als gevolg van het handelen van verdachte onvoldoende heeft gemotiveerd.

17. Het Hof heeft vastgesteld dat verdachte met een personenauto opzettelijk een zijwaartse aanrijding (met een voorwaartse component) op een onoverzichtelijke T-kruising heeft veroorzaakt, wetende dat het slachtoffer van die aanrijding over een 60 kilometer weg reed waar vaak harder wordt gereden en die weg betrekkelijk smal en omzoomd met bomen is. Het Hof heeft geoordeeld dat de kans dat de auto van het slachtoffer als gevolg van die aanrijding van de weg zou geraken en met hoge snelheid tegen een boom zou klappen en dat het slachtoffer daardoor dodelijk letsel zou oplopen naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is. Daarbij heeft het Hof overwogen dat het niet dragen van een autogordel door het slachtoffer alsmede het rijden met open zijraam aan voornoemde kans niets afdoet, voor welk oordeel het Hof steunt vindt in de verklaringen van deskundige Wismans.

18. Anders dan het middel wil geeft dat oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd.

19. In de toelichting op het middel wordt voorts aangevoerd dat het Hof niet heeft kunnen oordelen dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte wetenschap had van de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer en dat hij die kans bewust heeft aanvaard. Aldus miskent het middel dat het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de wetenschap van die aanmerkelijke kans bij verdachte aanwezig was en dat hij die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard omdat

- de aanmerkelijke kans op de dood gelet op genoemde algemene ervaringsregels bij het opzettelijk veroorzaken van een aanrijding als de onderhavige bij verdachte bekend mag worden verondersteld;

- verdachte ten tijde van de (bijna)aanrijdingen gezien moet hebben dat het een gevaarlijke kruising betrof;

- verdachte door de drie eerdere bijna-aanrijdingen en zeker door de bijna frontale aanrijding met de bestelauto van getuige [betrokkene] met de mogelijkheid van ernstige gevolgen is geconfronteerd;

- verdachte na de drie bijna-aanrijdingen niettemin het plan heeft doorgezet om op die bewuste T-kruising opnieuw een aanrijding te veroorzaken.

20. Het middel faalt.

21. Het tweede middel kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. Mijns inziens leent de zaak zich niet voor afdoening op de voet van art. 80a RO omdat daarvoor de vereiste klaarblijkelijkheid ten aanzien van het tweede middel ontbreekt. Bespreking van het eerste middel, dat gaat over overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, kan dus niet achterwege blijven.5

22. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep, althans tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van de duur daarvan met een week en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.6.2.

2 In mijn conclusie bij genoemd arrest onder 39 wees ik op een voorontwerp van wet Aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over schadevergoeding wegens termijnoverschrijding door bestuur en rechter (Wet schadevergoeding bij overschrijding redelijke termijn).

3 Navraag bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie leerde dat geen initiatieven zijn of worden genomen tot het treffen van een wettelijke voorziening voor de compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken.

4 In HR 5 juli 2011, LJN BP6144 betrok de Hoge Raad de uit art. 2 EVRM voortvloeiende positieve verplichtingen bij de vraag of zich een zeer uitzonderlijk geval voordeed dat doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigde.

5 Zie HR 11 september 2012, LJN BX0132, rov. 2.2.4.