Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:728

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-06-2013
Datum publicatie
31-10-2013
Zaaknummer
11/02589 P
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1014, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herstelarrest. Foutieve vermelding van het verminderde ontnemingsbedrag als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie a.b.i. art. 6.1 EVRM. De Hoge Raad verbetert deze misslag in het op 10 september 2013 in de zaak 11/02589P uitgesproken arrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/02589 P

Zitting: 4 juni 2013

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[betrokkene]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 27 mei 2011 het vonnis waarvan beroep bevestigd, met inachtneming van enkele eigen overwegingen1, en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 3.017.973,80 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. Namens de betrokkene heeft mr. A.M. Moskowicz, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende vier middelen van cassatie ingezonden.

3. Alvorens ik toekom aan de aanhaling en bespreking van de middelen, geef ik respectievelijk de relevante overwegingen van de rechtbank en die van het Hof weer.

4. Het promis-vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 9 maart 2009 houdt, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, in:

5 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank baseert zich bij de beoordeling of er door [betrokkene] wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen, en zo ja, bij de schatting van de hoogte van dat wederrechtelijk verkregen voordeel - evenals de officier van justitie en de raadsman - op het hiervoor aangehaalde arrest van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 13 februari 2008, alsmede op het hiervoor genoemde rapport (met bijlagen) betreffende het financieel onderzoek contra [betrokkene].

5.1

Bespreking van de verweren

Blijkens de conclusies van antwoord, repliek en dupliek, en het verhandelde ter terechtzitting verschillen de officier van justitie en de raadsman met betrekking tot de volgende door de rechtbank te beoordelen onderwerpen van mening.

5.1.1

Onderzoeksperiode

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat met betrekking tot het Suriname onderzoek niet kan worden vastgesteld of de onderzoeksperiode van 1 december 1999 tot en met 25 april 2005 is gehanteerd. De raadsman heeft hiertoe onder meer gewezen op de rechtshulpverzoeken waarin niet expliciet de periode vanaf 1 december 1999 wordt genoemd. Hierdoor weten we niets omtrent inkomsten en vermogen van [betrokkene] in Suriname op 1 december 1999. Voorts weten we niets over de ontwikkeling daarin, aldus de raadsman. De raadsman heeft hieraan de conclusie verbonden dat het hele Suriname dossier onbruikbaar is ter bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De officier van justitie heeft gerepliceerd dat voor wat betreft het onderzoek in Suriname dezelfde onderzoeksperiode is gehanteerd als voor het onderzoek in Nederland. Nu het onderzoek verricht in Suriname feitelijk een deelonderzoek betreft naar het vermogen/uitgavenpatroon van [betrokkene] en dit alomvattende onderzoek zich richt op bedoelde periode lijkt dit in de rede te liggen, aldus de officier van justitie.

De rechtbank oordeelt als volgt.

De rechtbank gaat uit van de verklaring van de officier van justitie dat ook voor wat betreft het onderzoek in Suriname de onderzoeksperiode van 1 december 1999 tot en met 25 april 2005 is gehanteerd. Naar het oordeel van de rechtbank ligt dit op grond van het door de officier van justitie naar voren gebrachte in de rede. Bovendien geeft het deelrapport Suriname zelf geen enkele indicatie dat er gegevens in zouden zijn verwerkt die dateren van voor 1 december 1999. De rechtbank oordeelt dan ook dat het Suriname dossier gebruikt mag worden voor de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank verwerpt daarmee het verweer van de raadsman.

Overigens heeft de raadsman dit verweer gevoerd wijzende naar een eventueel beginvermogen van [betrokkene] op 1 december 1999 te Suriname. De rechtbank overweegt dat de raadsman ter terechtzitting op vragen van de rechtbank naar een eventueel beginvermogen van [betrokkene] op 1 december 1999 heeft geantwoord dat hij hierover niets kan verklaren. Het ontbreken van gegevens over een eventueel beginvermogen van [betrokkene] in Suriname dient daarom voor rekening van [betrokkene] te komen. De rechtbank oordeelt dat niet aannemelijk is geworden dat [betrokkene] in Suriname over beginvermogen beschikte. Bovendien blijkt uit de contante stortingen op de bankrekeningen in Suriname kort hierop gevolgd door de opnames van de gestorte geldbedragen eerder het tegendeel.

5.1.2

Andere strafbare feiten

De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat er geen dan wel onvoldoende aanwijzingen bestaan dat [betrokkene] in de periode vanaf 1 december 1999 tot januari 2005 betrokken was bij andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 3 Sr.

De raadsman heeft hiertoe gewezen op de Aanwijzing ontneming (2005A002) waarin wordt aangegeven dat het zonder concrete aanwijzingen aannemen dat onverklaarbaar vermogen uit een niet bewezen verklaarde periode wederrechtelijk verkregen is, niet afdoende is.

De enige aanwijzing, en dan nog alleen voor wat betreft de periode begin 2001 tot en met begin 2004, wordt gevormd door het proces-verbaal inhoudende informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid (hierna: CIE). Mede gezien het feit dat dergelijke informatie van de CIE uitdrukkelijk niet bedoeld is om te dienen als bewijsmiddel in een strafzaak, dient de periode vanaf 1 december 1999 tot januari 2005, buiten de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel te worden gelaten, althans kan alleen de periode waarop de CIE informatie uitdrukkelijk ziet, begin 2001 tot en met begin 2004, in de berekening worden betrokken, aldus de raadsman.

Voor het geval de rechtbank overweegt de CIE informatie bij de beoordeling te betrekken, heeft de raadsman verzocht de CIE runners te horen, nu de aan de runners verstrekte informatie door [betrokkene] wordt betwist.

De officier van justitie heeft als reactie op het verweer van de raadsman betoogd dat de aanwijzingen die betrekking hebben op de periode januari 2005 tot en met 25 april 2005 - bestaande uit processen-verbaal met CIE-informatie, een melding misdaad anoniem, een notitie aangetroffen in de woning van [betrokkene] waarop onder meer staat vermeld "nog in stash" en "nog over [betrokkene]", versluierde telefoongesprekken en de grote hoeveelheid aangetroffen geld - gevoegd bij het door de raadsman genoemde proces-verbaal met CIE informatie - dat volgens jurisprudentie van de Hoge Raad in een ontnemingszaak wel als bewijs kan dienen - kunnen dienen als schakelbewijs voor wat betreft de gehele onderzochte periode.

De officier van justitie verzet zich, gezien het door hem ingenomen standpunt, tegen het horen van de CIE runner nu dit hem niet noodzakelijk lijkt.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Uit het hiervoor genoemde arrest van het gerechtshof blijkt dat als pleegperiode bewezen is verklaard op en omstreeks 25 april 2005.

In de Aanwijzing ontneming (2005A002) wordt onder meer het volgende bepaald.

Voor zover de periode van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel volgens artikel 36e lid 3 Sr niet overeenkomt met de periode van tenlastelegging en bewezenverklaring, dient in het ontnemingsrapport ruime aandacht te worden besteed aan aanwijzingen omtrent strafbare feiten in de periode die niet ten laste is gelegd c.q. bewezen is verklaard. Het zonder concrete aanwijzingen aannemen dat onverklaarbaar vermogen uit een niet tenlastegelegde/bewezenverklaarde periode wederrechtelijk is, is niet afdoende.

De rechtbank zal eerst beoordelen of er in het dossier aanwijzingen te vinden zijn voor betrokkenheid van [betrokkene] bij andere strafbare feiten dan het feit waarvoor hij veroordeeld is. De rechtbank oordeelt dat er dienaangaande aanwijzingen bestaan. De rechtbank zal de relevante aanwijzingen hieronder opsommen.

De rechtbank maakt onderscheid tussen de periode van 1 december 1999 tot begin 2001, de periode van begin 2001 tot en met begin 2004 en de periode van januari 2005 tot en met april 2005. De rechtbank begint met laatstgenoemde periode.2

5.1.2.

l Met betrekking tot de periode januari 2005 tot en met april 2005:

- Melding misdaad anoniem van 2 mei 2005:

"Het betreft een grootschalige cocaïnesmokkel tussen Suriname en Nederland. [betrokkene], de opdrachtgever, laat voornamelijk Surinaamse meerderjarige meisjes als drugskoerier voor zich werken. De drugs worden door voornoemde bolletjesslikkers voornamelijk per KLM-vlucht van Paramaribo naar Amsterdam vervoerd."

- CIE-informatie van 04 mei 2005:

"[betrokkene] werkt bij de KLM Cargo en haalt met regelmaat, van enkele koffers per week, partijen verdovende middelen die met vliegtuigen op de luchthaven van Schiphol aankomen en in transito moeten blijven, binnen. [betrokkene] doet dit niet voor zichzelf en ontvangt als commissie twintig procent van de partijen. De koffers zijn altijd van het merk Samsonite. [betrokkene] rijdt met een KLM busje en brengt de koffers buiten het luchthaventerrein. [betrokkene] heeft buiten zijn baan bij de KLM ook nog een koeriersbedrijf."

- CIE-informatie van 09 augustus 2005:

"[betrokkene] werkt samen met [betrokkene 1]. [betrokkene 1] heeft de info dat er een partij cocaïne binnenkomt op Schiphol en [betrokkene] trekt het eruit. [betrokkene 2] (fonetisch) hoort ook bij hen. [betrokkene 2] zit momenteel vast in verband met verdovende middelen."

- CIE-informatie van 06 december 2005:

"[betrokkene] en [betrokkene 1] hebben nauw samengewerkt en investeerden in elkaars partijen verdovende middelen, in het verleden hebben ze samen een jacht gekocht voor het vervoer van verdovende middelen. [betrokkene 1] bewaart ook een paar miljoen euro voor [betrokkene]."

- Notities

In de woning van [betrokkene] is op 25 april 2005 een papiertje aangetroffen met onder meer de notities:

[betrokkene]

1.579 nog in stash

263.2 nog over [betrokkene]

- Contant geld

In de woning van [betrokkene] is op 25 april 2005 een contant geldbedrag van in totaal € 102.678,- aangetroffen. Op dezelfde datum werd in het bedrijfspand van [betrokkene] een contant geldbedrag van in totaal € 953.780,- aangetroffen.

- Telefoongesprekken

Tapgesprek d.d. 11.februari 2005, [betrokkene] (A) belt uit met [betrokkene 3] (C):

A: Ik loop zelf naar een telefooncel, ik bel nooit op die telefoon

A: Maar kijk, nu overleggen we door een telefoon en dat, dat wilde ik voorkomen.

Tapgesprek d.d. 26 februari 2005, [betrokkene] (A) belt uit met [betrokkene 3] (C):

A: Jij en ik kunnen zo niet praten [betrokkene 3], dat weet je. Jij en ik kunnen zo niet praten. [betrokkene] zal straks proberen te bellen, desnoods vanuit een telefooncel.

C: Dus het percentage... zoiets.

A: Goed. Ik bel je.

Tapgesprek d.d. 27 februari 2005, [betrokkene] (A) belt uit met [betrokkene 3] (C):

C: Heb je het ding waarover ik je vertelde begrepen?

A: Ja, maar kijk ...

A: Nee, kijk, ik wil, kijk we, kijk, ik wil je iets zeggen. Het is wel goed misschien maar zeg tegen de man dat de andere man moet komen.

C: Welke andere man?

A: Ik toch. Want het is lastig.

C: Ja, ja, ja, ja.

A: Want we kunnen niet...

C: Ek zal hem zeggen dat je persoonlijk met hem wilt praten als je er bent. Klaar.

A: Ja. En we kunnen niet, je moet hem zeggen dat wij niet door de telefoon kunnen praten, die dingen zijn gevaarlijk.

Tapgesprek d.d. 01 maart 2005, [betrokkene] (A) belt uit met onbekend persoon (N):

N: Van waaruit bel je?

A: Ik zal u zo vanuit de telefooncel bellen.

N: Is goed.

A: Ja?

Tapgesprek d.d. 17 maart 2005, [betrokkene] (A) belt uit met [betrokkene 4] (C):

A: Geen telefoon meer. Mensen praten veel, te veel, door de telefoon. Ik praat ook puur voor mezelf en mijn veiligheid. Ik heb voorbeelden gezien en als ik daar geen les uit trek leer ik het nooit. Mijn vrienden piepen me op als ze me willen bereiken. Het kan ook voor hen veilig zijn. Misschien ben ik wel een gevaar voor hen.

Tapgesprek d.d. 21 april 2005, [betrokkene] (A) belt uit met [betrokkene 5] (J):

J: Natuurlijk. Je moet volgens jouw schema werken. Je kan niet volgens het schema van andere mensen werken.

A: Ja toch. De, ik kan niet... kijk eh kijk.. nu eh misschien.. .misschien enkele dingen, zijn er enkele dingen dan loop ik geld mis, omdat ik daar dan ben.

A: Ik moet mijn dingen rustig doen want als ik mijn dingen overhaast doe zal ik.. kan ik worden opgepakt.

J: Ja, ja, ja.

A: Want jij weet ook.. want hij heeft hier en daar gebeld en dat is ook niet goed.

J: Het is ook niet goed, het is niet goed.

A: Nee toch, want dan, dan, wat, wat zullen de kerels... de kerels zelf kunnen denken van he, wat is dat voor conclaaf dat de mannen elke keer houden.

5.1.2.2 Met betrekking tot de periode begin 2001 tot en met begin 2004:

- CIE-informatie van 24 december 2004:

"[betrokkene] heeft zich in de periode van begin 2001 tot en met begin 2004 veelvuldig bezig gehouden met de invoer van cocaïne via de luchthaven Schiphol. [betrokkene] heeft hiermee veel geld verdiend."

5.1.2.3 Met betrekking tot de periode van 1 december 1999 tot begin 2001:

De rechtbank heeft met betrekking tot deze periode geen aanwijzingen in het dossier aangetroffen dat [betrokkene] zich met strafbare feiten heeft bezig gehouden.

Gezien vorenstaande aanwijzingen komt de rechtbank tot het volgende oordeel.

De rechtbank oordeelt dat voor wat betreft de periode januari 2005 tot en met 25 april 2005 voldoende aanwijzingen bestaan dat [betrokkene] zich met andere strafbare feiten heeft bezig gehouden dan het feit waarvoor hij veroordeeld is.

Met betrekking tot de periode van begin 2001 (de rechtbank oordeelt: januari 2001) tot en met begin 2004 oordeelt de rechtbank dat er ook voor deze periode te dier zake voldoende aanwijzingen bestaan. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Ofschoon er met betrekking tot deze periode alleen een proces-verbaal met CIE-informatie voorhanden is, oordeelt de rechtbank dat voldoende aannemelijk is geworden dat [betrokkene] zich ook in deze periode met bedoelde strafbare feiten heeft bezig gehouden. De rechtbank oordeelt dat het proces-verbaal met CIE-informatie in samenhang met de overige hiervoor genoemde aanwijzingen dient te worden beschouwd. De daarin opgenomen informatie is in lijn met de uit de overige aanwijzingen blijkende strafbare feiten. Daarnaast heeft de rechtbank hierbij in aanmerking genomen de omstandigheid dat het uitgavenpatroon, zoals blijkt uit het financieel onderzoeksrapport, in periode vanaf begin 2001 niet veel anders was dan de periode vanaf januari 2005, waarbij [betrokkene] aanzienlijk meer uitgaf dan door legale inkomsten kon worden vastgesteld.

Met name deze laatstgenoemde overweging maakt dat de rechtbank tevens van oordeel is dat voldoende aannemelijk is geworden dat verdachte ook in de tussenliggende periode van begin 2004 tot januari 2005 betrokken was bij bedoelde strafbare feiten. De rechtbank verwerpt dus het verweer van de raadsman.

Voor wat betreft de periode van 1 december 1999 tot 2001 is de rechtbank van oordeel dat, gezien het feit dat er geen andere aanwijzingen bestaan dat [betrokkene] in deze periode betrokken was bij strafbare feiten dan zijn niet door legale inkomsten gedekte uitgavenpatroon, deze periode bij de berekening van het wederrechtelijk voordeel buiten beschouwing dient te worden gelaten.

De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman tot het horen van de CIE runner af. De rechtbank acht dit in het licht van het vorenoverwogene niet noodzakelijk.

5.1.3.

Rechtsmacht

De raadsman heeft betoogd dat er ten aanzien van strafbare feiten waaruit het wederrechtelijk verkregen voordeel zou zijn verkregen Nederlandse rechtsmacht dient te bestaan. De raadsman is van mening dat niet kan worden bepaald of het wederrechtelijke voordeel is verkregen door strafbare feiten waarop de Nederlandse strafwet van toepassing is. De bepaling of er wel Nederlandse rechtsmacht bestaat is van belang, onder meer, vanwege het feit dat [betrokkene] zeer mobiel was, de uitgaven in Suriname een eigen oorsprong en titel kunnen hebben, er geen aanwijzingen bestaan van overtreding van de Nederlandse Opiumwet voor begin 2001 en niets bekend is over het beginvermogen en inkomsten van cliënt in Suriname, aldus de raadsman. De raadsman heeft aan zijn verweer geen conclusie verbonden.

De officier van justitie heeft gerepliceerd dat - ingevolge artikel 5 Sr - de Nederlandse strafwet ook van toepassing is op Nederlanders die zich buiten Nederland schuldig maken aan misdrijven. Dus mocht het al zo zijn dat [betrokkene] zich in het buitenland heeft schuldig gemaakt aan misdrijven dan is niettemin de Nederlandse strafwet van toepassing, nu [betrokkene] Nederlander is.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Nog daargelaten dat [betrokkene] als Nederlander bij in het buitenland gepleegde delicten onder de Nederlandse Strafwet valt - met betrekking tot bedoelde periode is immers voldoende aannemelijk geworden dat [betrokkene] betrokken is geweest bij drugsgerelateerde misdrijven, waarop in alle landen wereldwijd straf is gesteld - blijkt uit de hiervoor genoemde aanwijzingen dat [betrokkene] vanaf begin 2001 tot en met 25 april 2005 zich heeft bezig gehouden met de invoer van cocaïne in Nederland. Aannemelijk is geworden dat [betrokkene] deze delicten in Nederland heeft gepleegd. De Nederlandse strafwet is reeds om die reden, gezien het in artikel 2 Sr bepaalde op hem van toepassing. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

(-)

5.2

Het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank stelt eerstens vast dat de conclusie van de rapporteur in het financieel onderzoeksrapport dat [betrokkene] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen niet is betwist. De rechtbank oordeelt dat op grond hiervan, in samenhang met het al hetgeen hiervoor is overwogen, in het bijzonder betreffende het onder 5.1.2 overwogene dat aannemelijk is geworden dat [betrokkene] betrokken is bij andere strafbare feiten dan het feit waarvoor hij veroordeeld is, aannemelijk is geworden dat het feit waarvoor [betrokkene] veroordeeld is of bedoelde andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat [betrokkene] wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.

Nu evenmin de in het financieel onderzoeksrapport gevolgde berekenmethoden en de bij de afzonderlijke posten genoemde bedragen zijn betwist gaat de rechtbank voor schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van deze berekenmethoden en deze bedragen.

De rechtbank ontleent de schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hiervoor genoemde en hierna te noemen feiten en omstandigheden zoals vervat in de in de voetnoten weergegeven bewijsmiddelen.

Gezien het onder 5.1.2.3 overwogene gaat de rechtbank uit van een onderzoeksperiode vanaf begin 2001 (meer in het bijzonder januari 2001) tot en met 25 april 2005.

(…)

Uit genoemd arrest (het strafarrest, EH) van het gerechtshof blijkt dat een bedrag van € 1.056.458 is verbeurd verklaard. Dit bedrag dient daarom bij het negatieve eindbedrag te worden opgeteld. Dit levert een uiteindelijk verschil op van - € 3.017.973,80 + € 1.056.458 = € 1.961.515,80.

(…)

7 Beslissing:

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 1.961.515,80.

Legt op aan [betrokkene] de verplichting tot betaling van € 1.961.515,80 (één miljoen negenhonderdéénenzestigduizend vijfhonderdvijtien euro en tachtig eurocent) aan de Staat.

(…)”.

5. Het Hof heeft, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende overwogen:

“Procesgang

(…)

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 februari 2008 - kort gezegd - veroordeeld ter zake van medeplegen van witwassen en witwassen. Dit arrest is inmiddels onherroepelijk geworden.3

Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 9 maart 2009 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 1.961.515,80 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

(…)

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met inachtneming van het volgende. Het hof is van oordeel dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde zich in de periode januari 2001 tot en met 25 april 2005 tevens met andere strafbare feiten heeft bezig gehouden dan waarvoor hij is veroordeeld. Het hof volgt het door de rechtbank gemaakte onderscheid tussen de verschillende (tussenliggende) periodes - zoals in het vonnis weergegeven onder 5.1.2. e.v. - daarbij niet.

Het verzoek van de raadsman tot het horen van de bron van de CIE-informatie wijst het hof af aangezien de noodzaak daartoe niet is gebleken. De omstandigheid dat de veroordeelde de juistheid van de CIE informatie betwist, maakt dit niet anders.

Het hof overweegt voorts dat het bedrag ad EUR 1.056.458,00 dat onder de verdachte in beslag is genomen en in de strafzaak verbeurd is verklaard, niet van invloed is op de omvang van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel, doch op de betalingsverplichting. In afwijking van de rechtbank schat het hof dan ook de omvang van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op EUR 3.017.973,80. In zoverre wordt het vonnis vernietigd. De in voormeld vonnis aan de veroordeelde opgelegde verplichting tot betaling van EUR 1.961.515,80 blijft evenwel in stand.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing tot vaststelling van een bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel. Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag ad EUR 3.017.973,80

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

(…)”.

6. Het eerste middel behelst de klacht dat de motivering van het oordeel van het Hof dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene zich in de periode januari 2001 tot en met 25 april 2005 tevens met andere strafbare feiten heeft beziggehouden dan waarvoor hij is veroordeeld, onbegrijpelijk is. In de toelichting op het middel wordt, onder verwijzing naar hetgeen namens de betrokkene tegenover zowel de rechtbank als het Hof is bepleit, het volgende aangevoerd. Het Hof heeft niet gemotiveerd dan wel inzichtelijk gemaakt waarom het Hof het door de rechtbank gemaakte onderscheid tussen drie perioden niet heeft gevolgd en waarom er voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene zich in de periode januari 2001 tot en met 25 april 2005 tevens met andere strafbare feiten heeft beziggehouden. De rechtbank heeft daartoe aansluiting gezocht bij de CIE-informatie en de overige aanwijzingen vanaf 2 mei 2005 (CIE-informatie viermaal) alsmede telefoongesprekken vanaf 11 februari 2005. Aan geen van deze CIE-informaties is echter te ontlenen dat de betrokkene ook al vóór januari 2005 zich zou hebben beziggehouden met Opiumwetmisdrijven. Over de periode begin 2001 tot en met begin 2004 is maar één CIE-informatie beschikbaar, die noch op zichzelf, noch bezien in samenhang met de overige informatie, de vereiste aannemelijkheid van het plegen van andere strafbare feiten oplevert. Daarbij komt dat er te minder aanleiding is aannemelijk te achten dat de betrokkene ook in de periode begin 2004 tot januari 2005, waarover helemaal geen informatie beschikbaar is, zich met andere strafbare feiten heeft beziggehouden.

7. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat de rechtbank een onderscheid heeft gemaakt tussen drie perioden die een ‘gat’ vertonen tussen begin 2004 tot januari 2005. Ik neem aan dat het Hof om die reden het door de rechtbank gemaakte onderscheid tussen de drie perioden niet heeft overgenomen en eenvoudigweg heeft volstaan met het oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene zich in de periode 2001 tot en met 25 april 2005 tevens met andere strafbare feiten heeft beziggehouden dan waarvoor hij is veroordeeld. Daarmee zegt het Hof niet dat de betrokkene gedurende die gehele afgebakende periode, van begin tot eind, voortdurend betrokken is geweest bij die andere strafbare feiten. Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het.

8. Een andere kwestie is of, in het licht van hetgeen door de verdediging is betoogd, het oordeel van het Hof in het onderhavige verband voldoende steun vindt in de gebezigde bewijsconstructie.4 Anders dan de steller van het middel, meen ik dat de, in dit opzicht door het Hof bevestigde, motivering van de rechtbank genoegzaam is verankerd in de door haar aangehaalde bewijsmiddelen.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft bevestigd de uitspraak van de rechtbank dat voldoende aannemelijk is geworden dat de betrokkene betrokken is geweest bij drugsgerelateerde misdrijven en dat deze delicten in Nederland zijn gepleegd zodat de Nederlandse strafwet om die reden op hem van toepassing is.

11. De deelklacht dat het Hof ten onrechte heeft bevestigd het oordeel van de rechtbank dat de betrokkene betrokken is geweest bij drugsgerelateerde feiten is naar de kern bezien een herhaling van het eerste middel. Ik verwijs daarom in dit verband naar mijn bespreking van het eerste middel, zij het met de toevoeging dat uit hetgeen de rechtbank onder het hoofd “5.1.2. Andere strafbare feiten” heeft opgenomen met betrekking tot de periode 2001 tot en met 25 april 2005 zonder meer blijkt dat het om drugsgerelateerde delicten gaat. In zoverre faalt deze deelklacht.

12. Voor zover het middel de deelklacht inhoudt dat niet aannemelijk is geworden dat deze drugsgerelateerde delicten in Nederland zijn gepleegd zodat de Nederlandse strafwet om die reden op hem van toepassing is, vindt het zijn weerlegging in de hierboven onder 4 aangehaalde, door het Hof bevestigde overweging van de rechtbank. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de door de rechtbank onder het hoofd 5.1.2. opgenomen aanwijzingen inderdaad kan worden afgeleid dat het telkens ging om de invoer van cocaïne in Nederland en dat overigens, zoals de rechtbank terecht heeft opgemerkt, de Nederlandse rechtsmacht zich ingevolge art. 5 Sr ook uitstrekt over Nederlanders, zoals de betrokkene, die zich buiten Nederland schuldig maken aan drugsdelicten, zodat mij ontgaat welk belang de betrokkene bij deze klacht denkt te hebben.

13. Voorts wordt in de toelichting op het middel gesteld dat de verwerping (ik begrijp door bevestiging van het Hof van het beroepen vonnis) van het verweer dat er, door de verdediging naar voren gebrachte, aanwijzingen zijn die zouden kunnen duiden op het plegen van feiten waarover Nederland geen rechtsmacht heeft, onbegrijpelijk is. Ik meen dat hetgeen op dit punt in de toelichting op het middel wordt aangevoerd dermate vaag is, dat het reeds om die reden niet voldoet aan de eisen die aan een cassatiemiddel in de zin der wet worden gesteld. In het ongewisse blijft immers op welke aanwijzingen precies wordt gedoeld en waarom het door het Hof bevestigde oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk zou zijn. Overigens verdient opmerking dat ook als zouden er tot een andere uitleg voerende aanwijzingen zijn, dit op zichzelf nog niet betekent dat de met redenen omklede gegeven beslissing van de feitenrechter onbegrijpelijk is.

14. Het middel faalt.

15. Het derde middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het Hof ten onrechte heeft bevestigd het oordeel van de rechtbank waarin het verweer dat het “Suriname-dossier” onbruikbaar is ter bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, heeft verworpen terwijl de motivering van die afwijzing onbegrijpelijk is. Aangevoerd wordt dat het Surinaamse onderzoek niet op een precieze periode ziet en als deelonderzoek een kortere periode kan beslaan dan het alomvattend hoofdonderzoek, en dat de rechtbank niet had kunnen uitgaan van de verklaring van de officier van justitie op dit punt gelet op het gemotiveerde betoog van de verdediging dat het Surinaamse onderzoek kennelijk op een kortere periode betrekking heeft gehad en de rechtbank derhalve niet heeft kunnen oordelen dat geen sprake was van een beginvermogen van [betrokkene] in Suriname.

16. De rechtbank, en met bevestiging van het vonnis het Hof, heeft allereerst vastgesteld dat niets in het “Suriname-dossier” erop wijst dat er gegevens in zouden zijn verwerkt die dateren van vóór 1 december 1999. Deze overweging is niet opgenomen teneinde vast te stellen dat in Suriname geen onderzoek voor deze datum zou hebben plaatsgevonden, maar teneinde steun te bieden aan de door de rechtbank overgenomen verklaring van de officier van justitie dat in Suriname dezelfde onderzoeksperiode is gehanteerd als voor het onderzoek in Nederland. Op grond daarvan heeft de rechtbank geoordeeld dat het onderzoek in Suriname eveneens betrekking heeft op de periode van 1 december 1999 tot en met 25 april 2005. Namens [betrokkene] is verweer gevoerd met betrekking tot de onderzoeksperiode in Suriname, met welk verweer is bedoeld te wijzen op een mogelijk beginvermogen van [betrokkene] in Suriname. Nu uit het voormelde onderzoek van een dergelijke beginvermogen niet is gebleken en er evenmin andere gegevens voorhanden zijn die op een beginvermogen (kunnen) wijzen, had het op de weg van de verdediging gelegen aannemelijk te maken dat dit beginvermogen er wel was. De betrokkene heeft er kennelijk voor gekozen niet te verklaren over zijn vermogen in Suriname5, terwijl naar de rechtbank heeft vastgesteld, de raadsman desgevraagd heeft geantwoord dat hij niets over een eventueel beginvermogen van de betrokkene op 1 december 1999 in Suriname kan verklaren.6

17. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank kunnen aannemen, gelijk zij heeft gedaan, dat het onderzoek in Suriname betrekking had op de periode van 1 december 1999 tot en met 25 april 2005 en dat niet is gebleken dat de betrokkene aan het begin van deze periode over een beginvermogen beschikte, waarbij ik de overweging van de rechtbank omtrent de contante stortingen op de bankrekeningen in Suriname kort hierop gevolgd door de opnames van de gestorte geldbedragen in aanmerking heb genomen. Gezien hetgeen hierover door de raadsman van de betrokkene naar voren is gebracht in hoger beroep – een herhaling van wat in eerste aanleg is betoogd – heeft het Hof het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het ‘Suriname-dossier’ kunnen bevestigen. Dit oordeel van het Hof is niet onbegrijpelijk en kan verweven als het is met wegingen en waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.

18. Het middel faalt.

19. Het vierde middel keert zich tegen de afwijzing door het Hof van het (subsidiaire) verzoek van de verdediging om de bron van de CIE-informatie te horen indien aansluiting zou worden gezocht bij de CIE-informatie omtrent de pleegperiode begin 2001 tot en met begin 2004, terwijl de motivering van deze afwijzing onbegrijpelijk is. Nu de CIE-informatie de grond is voor het te bepalen wederrechtelijk verkregen voordeel en de betrokkene de inhoud daarvan betwist, had de betrokkene in de gelegenheid gesteld moeten worden om de bron van deze informatie te horen, aldus de steller van het middel.

20. Het Hof heeft het verzoek van de raadsman tot het horen van de bron van de CIE-informatie afgewezen7 aangezien de noodzaak daartoe niet is gebleken, en de omstandigheid dat de betrokkene de juistheid van de CIE-informatie betwist dit niet anders maakt.

21. Het door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2011 bij pleidooi herhaalde verzoek om de CIE-runner te horen indien aansluiting zou worden gezocht bij de CIE-informatie omtrent de pleegperiode als hierboven vermeld (pleitnotities, p. 10), is een (voorwaardelijk) verzoek in de zin van art. 328 Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv.8 Deze bepalingen zijn ingevolge art. 415 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing. Voorts verklaart art. 511e, eerste lid, Sv onder meer voornoemde artikelen van overeenkomstige toepassing in ontnemingsprocedures. Maatstaf bij de beslissing op een zodanig verzoek is of de noodzaak daarvan is gebleken. Het noodzaakcriterium voorziet in de bevoegdheid van de rechter om nog niet eerder gehoorde getuigen ambtshalve op te roepen. Dat de rechter deze eigen bevoegdheid heeft is begrijpelijk. Immers, ook zonder dat de verdediging of het Openbaar Ministerie getuigen heeft opgegeven kan de rechter het met het oog op de materiële waarheidsvinding en de deugdelijkheid van de te nemen beslissingen relevant achten de getuige te horen.9 Hoewel het hier om een eigen verantwoordelijkheid van de rechter gaat, kunnen de verdediging en het Openbaar Ministerie de rechter verzoeken van deze zelfstandige bevoegdheid gebruik te maken.10 Deze procespartijen moeten dan echter wel bedenken dat de rechter dit verzoek zal beoordelen binnen de door hem vast te stellen reikwijdte van het noodzaakcriterium. Anders dan bij toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang, in het licht waarvan dient te worden beoordeeld of de verdediging een rechtens te respecteren belang heeft bij het verhoor van de getuige, staat binnen het noodzaakcriterium de relevantie van het horen van de getuige centraal. De rechter beoordeelt de noodzakelijkheid van nader onderzoek in de zin van art. 315 Sv zelfstandig. Bij die beoordeling geniet de rechter een vrijheid die in cassatie slechts marginaal wordt getoetst.11 Die toetsing is indringender indien de rechter zijn oordeel heeft gemotiveerd. Dit laat onverlet dat de rechter een vordering of verzoek tot het doen van nader onderzoek van de hand kan wijzen, indien hij vindt dat hij voldoende is voorgelicht.12

22. Het Hof heeft, door het oordeel van de rechtbank te bevestigen, waarde gehecht aan de aanwijzingen die bestaan dat [betrokkene] zich heeft bezig gehouden met andere strafbare feiten dan waarvoor hij is veroordeeld. Daarin ligt als ’s Hofs oordeel besloten dat het zich voldoende voorgelicht acht. Op grond van dat oordeel kon het Hof tot de slotsom komen dat de noodzaak tot het horen van de CIE-runner niet is gebleken en kon het Hof op die grond het verzoek van de verdediging afwijzen. Gelet op de voor de vaststelling van andere strafbare feiten dan waarvoor [betrokkene] is veroordeeld gebezigde aanwijzingen, is dit oordeel niet onbegrijpelijk en behoefde het geen nadere motivering.

23. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

24. De middelen falen en kunnen naar mijn mening alle worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

25. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat zal moeten leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.

26. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

27. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van het opgelegde ontnemingsbedrag. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie nader onder 5.

2 Ter wille van de leesbaarheid vermeld ik niet de (inhoud van de) voetnoten.

3 De Hoge Raad heeft in de hoofdzaak bij arrest van 28 september 2010, nr. S 08/00875, het beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 februari 2008 verworpen.

4 HR 26 maart 2013, LJN BV9087 en HR 9 april 2013, LJN BT6251.

5 De betrokkene is op geen van de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep in de ontnemingszaak verschenen (hetgeen hem uiteraard vrijstond).

6 Zie nader het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 23 februari 2009.

7 Ik begrijp dat het Hof met “de bron van de CIE-informatie” de CIE-runner bedoelt, waarvan de verdediging in haar (voorwaardelijk) verzoek spreekt.

8 Vgl. HR 12 juni 2012, LJN BW7960.

9 Zie: G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, zevende (door M.J. Borgers bewerkte) druk, 2011, p. 610; M.J.A. Duker, Noodzaak en verdedigingsbelang: naar meer eenduidigheid, DD 2008-3, p. 47-55 en 58; en C.P.J. Scheele, Het beoordelen van getuigenverzoeken: een leidraad voor de praktijk, Strafblad 2011, p. 68.

10 Ook beginselen van een behoorlijke rechtsorde kunnen meebrengen dat de rechter de getuige ambtshalve oproept. Zie HR 1 februari 1994, LJN AB7528, NJ 1994/427 (rov. 6.3.3. (iii-1)) m.nt. Corstens.

11 Zie Corstens, a.w. (bewerkt door Borgers), p. 640-641.

12 Zie Corstens, a.w. (bewerkt door Borgers), p. 641. Zie voorts onder meer HR 1 mei 1990, LJN AB7602, NJ 1991/40.