Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:70

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-06-2013
Datum publicatie
17-07-2013
Zaaknummer
11/04316
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:113, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Schriftelijke volmacht van advocaat aan griffiemedewerker om h.b. in te stellen. Het hof heeft verdachte n-o verklaard in het h.b. omdat het beroep niet zou zijn ingesteld op de wijze a.b.i. HR LJN BJ7810. HR herhaalt de in die uitspraak geformuleerde eisen waaraan een schriftelijke volmacht moet voldoen, en de toepasselijke overwegingen uit HR LJN BY8357 m.b.t. het geval waarin het verzuim om aan die eisen te voldoen, voor gedekt kan worden gehouden. Het middel klaagt terecht dat het Hof dat heeft miskend, nu uit het p-v van de tz. in h.b. blijkt dat verdachte en de raadsman op die tz. zijn verschenen en het aldaar verhandelde bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) h.b. te doen instellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/04316

Mr. Machielse

Zitting 11 juni 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 12 september 2011 op tegenspraak niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Utrecht van 17 januari 2011, waarbij verdachte ter zake van “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” is veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 300, te vervangen door zes dagen hechtenis.

2. Mr. J. Zandberg, advocaat te Zevenaar, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3.1 Het middel beoogt te klagen over de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van verdachte in zijn hoger beroep.

3.2 De aantekening van het mondeling arrest houdt in dat het hof het volgende heeft overwogen en beslist:

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De raadsman heeft op 27 januari 2011 een faxbericht gezonden naar de griffie van de rechtbank Utrecht met het verzoek om hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de Politierechter van 17 januari 2011.

In het verzoek heeft hij de naam van verdachte (zonder opgave van een adres) vermeld en het parketnummer 16/180735-10, maar niet dat de raadsman door verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van het hoger beroep en ook niet dat de verdachte instemt met het door de griffiemedewerker in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep, terwijl tenslotte ook een opgave ontbreekt van een door de verdachte opgegeven adres voor toezending van het afschrift van de appeldagvaarding.

De brief van de raadsman tot het instellen van het hoger beroep voldoet daarmee niet aan de vereisten van artikel 450, derde lid van het Wetboek van Strafvordering (Vgl HR 22 december 2009, LJN BJ 7810)

Gelet hierop zal verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”

3.3 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 maart 2012,1 voor zover thans relevant, het volgende beslist:

“2.5. Zoals in [het arrest van 22 december 20092] is geoordeeld, moeten de eisen waaraan de schriftelijke volmacht waarmee een advocaat een griffiemedewerker machtigt om namens de verdachte hoger beroep in te stellen, worden bezien tegen de achtergrond van de aanscherping van de wettelijke regeling voor het instellen van hoger beroep. Die aanscherping had tot doel problemen met betrekking tot de betekening van appeldagvaardingen te voorkomen althans te verminderen. Met het oog daarop is voorzien in de uitreiking van de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep aan zijn gemachtigde ( art. 408a in verbinding met art. 450 Sv).

2.6. Gelet op deze ratio van de eisen waaraan een door een advocaat verstrekte volmacht moet voldoen, is in zaken waarin ter terechtzitting in hoger beroep noch de verdachte noch een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen, daarom in de regel het door een advocaat door middel van een schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker ingestelde beroep niet-ontvankelijk indien die volmacht niet aan alle voormelde voorwaarden voldoet.

2.7. Gelet op diezelfde ratio bestaat evenwel onvoldoende grond voor de niet-ontvankelijkverklaring van het appel wegens een verzuim als voormeld, indien ter terechtzitting in hoger beroep wel de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen en deze aldaar - zonodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd - heeft verklaard dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen. Weliswaar is in genoemd arrest geoordeeld dat de wetgever niet heeft willen weten van een volmacht die aan voormelde eisen niet beantwoordt en dat hij ook niet heeft willen weten van de mogelijkheid tot herstel van verzuimen na het verstrijken van de termijn voor het instellen van hoger beroep, maar dat staat niet eraan in de weg dat in een dergelijk geval een verzuim als voormeld voor gedekt wordt gehouden.”

3.4 Recentelijk heeft de Hoge Raad dit oordeel herhaald in HR 19 maart 2013, LJN: BZ4492, r.ov. 2.5.

3.5 Nu blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 september 2011 zowel verdachte als zijn raadsman aldaar zijn verschenen en ik aan hetgeen de raadsman bij die gelegenheid heeft aangevoerd ontleen dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen, moet het geconstateerde verzuim in de volmacht voor gedekt worden gehouden en kan het arrest van het hof niet in stand blijven.

3.6 Het middel slaagt.

4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 LJN: BV6999, NJ 2012, 426 m.nt. Bleichrodt.

2 LJN: BJ7810, NJ 2010, 102 m.nt. Borgers.