Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:67

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-06-2013
Datum publicatie
17-07-2013
Zaaknummer
11/03938
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:109, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/03938

Zitting: 4 juni 2013

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 29 augustus 2011 (bij vervroeging) verdachte vrijgesproken van het hem tenlastegelegde 1. “poging tot moord” en 2. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II of III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”.1

2. Namens het Openbaar Ministerie heeft mr. F. Posthumus, advocaat-generaal bij het Ressortsparket te Amsterdam, beroep ingesteld. Mr. H.H.J. Knol, plaatsvervangend advocaat-generaal bij het Ressortsparket te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie. Op 29 juni 2012 heeft de advocaat van verdachte, mr. G. Meijers, een schriftuur houdende tegenspraak aan de Hoge Raad doen toekomen. In de kern genomen betoogt de advocaat daarin dat het Hof niet gehouden was zijn oordeel nader te motiveren.

3. Het middel behelst de klacht dat het Hof niet, althans onvoldoende, heeft gemotiveerd waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de advocaat-generaal, althans dat de redengeving van het Hof, die heeft geleid tot de gegeven vrijspraak, niet zonder meer begrijpelijk is.

4. Het gaat in deze zaak om de aanslag die op 30 juli 1998 omstreeks 22.30 uur bij het Okura hotel in Amsterdam is gepleegd op [slachtoffer] (alias [alias slachtoffer]).2 Toen [slachtoffer] rondom dat tijdstip met de auto bij het Okura hotel kwam aangereden, werd er van dichtbij op hem geschoten. [slachtoffer] raakte ernstig gewond. Toevallig was een ter plaatse aanwezige politieman, genaamd [getuige 1], getuige van deze schietpartij. Hij zag dat een man bij de auto van [slachtoffer] door de ruit van het rechter voorportier schoot en vervolgens wegrende. Deze politieman verleende eerste hulp aan [slachtoffer] en hoorde deze zeggen: “[verdachte], priboy” en vervolgens ”moslim, moslim”.

5. Alvorens ik toekom aan de bespreking van het middel, geef ik respectievelijk de tenlastelegging, het requisitoir van de advocaat-generaal bij het Hof voor zover voor de bespreking van het middel van belang en ’s Hofs motivering van de vrijspraak weer.

6. Aan de verdachte is onder 1. ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 juli 1998 te Amsterdam, althans elders in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (en na kalm beraad en rustig overleg), met een (vuur)wapen een of meer kogel(s) heeft afgevuurd op en/of naar en/of in de richting van [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

7. Ter terechtzitting van het Hof van 22 augustus 2011 heeft de advocaat-generaal het woord gevoerd overeenkomstig het aan het Hof overgelegde requisitoir. Dit requisitoir houdt - voor zover voor de bespreking van het middel van belang - het volgende in3:

“De aanslag

Op 30 juli 1998, rond 22.40 uur, is bij het Okura Hotel in Amsterdam een aanslag gepleegd op [slachtoffer]. De bijnaam van [slachtoffer] is [alias slachtoffer]. [slachtoffer] zat in zijn auto. De auto stond stil. [slachtoffer] is beschoten door een man met een vuurwapen. De dader heeft meer keren gericht gevuurd op [slachtoffer]. [slachtoffer] is geraakt door een paar kogels. De plekken waar hij geraakt is zitten in de bovenste helft van zijn lichaam. De kogels zijn met hetzelfde wapen verschoten.2

[slachtoffer] is zwaar gewond geraakt. Hij had net zo goed dood kunnen zijn.

[getuige 1], een politieman in zijn vrije tijd, is toevallig aanwezig bij de plaats delict en is getuige van een en ander. Hij geeft zo goed als hij kan een beschrijving van de dader:

een man die lang was (hij zegt 1,95 tot 2 meter) en die netjes kort geknipt haar had. Een andere PD-getuige, [getuige 2], heeft het over een man met een kort gedekt kapsel.

[getuige 1] verleent eerste hulp en spreekt met het slachtoffer. Denkende dat het slachtoffer zal komen te overlijden laat hij hem bellen met iemand.

Heeft [verdachte] de aanslag gepleegd?

[verdachte] is als verdachte aangemerkt. Hij wordt als de schutter gezien. Is dat terecht? Daar gaat het om.

verklaringen [slachtoffer]

Het bewijs tegen [verdachte] berust voor een belangrijk deel op wat [slachtoffer] heeft gezegd. Na de aanslag heeft [slachtoffer] acht keer informatie over de dader aan de politie gegeven. Dat is begonnen direct na de aanslag.5 Terwijl hij zwaargewond is, zegt hij tegen brigadier [getuige 1]: '[verdachte], priboj, moslim, moslim.' [slachtoffer] wist dat hij met een politieman van doen had, want [getuige 1] had zich als politieambtenaar kenbaar gemaakt aan [slachtoffer] (C05-007).

Korte tijd later geeft [slachtoffer] informatie aan politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Zij hebben daarvan een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. In het gesprek met die twee politieambtenaren noemt [slachtoffer] [verdachte]/[verdachte] als dader, zegt dat hij bij een Joegoslaaf [betrokkene 1] in Amsterdam-Noord woont in een flat in de buurt van een plek waar bussen keren, dat hij illegaal in Nederland is, dat [verdachte] in een café in Amsterdam-Oost in de Javastraat komt, dat hij geen werk heeft en dat hij kortgeknipt haar heeft. [verdachte] had [slachtoffer] eerder die avond opgebeld en over de telefoon was een afspraak gemaakt elkaar later die avond bij het Okura Hotel te ontmoeten.

[betrokkene 1] bestaat. Hij heet [betrokkene 1]. Hij woont in Amsterdam-Noord in de [a-straat]. Hij en [slachtoffer] zijn bekenden van elkaar.

Op 31 juli 1998 zegt [slachtoffer], nu met assistentie van een tolk, opnieuw een en ander over de dader: hij heet [verdachte], is illegaal, is l,85-l,90m lang, heeft een slank postuur, ziet er een beetje uit als een junk, spreekt Engels.

Op 1 augustus 1998 toont de politie een aantal foto's aan [slachtoffer]. Hij herkent verdachte van één van de foto's, en zegt dat hij de man is die hem heeft neergeschoten. Er is een tolk aanwezig bij dat gesprek. Vast staat dat op de bewuste foto verdachte staat afgebeeld.

Op 5 augustus 1998 noemt [slachtoffer] [verdachte] opnieuw als dader, nu tegen politieambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4]. Hij geeft een beschrijving van [verdachte] en zegt dat [verdachte] hasj gebruikte.

Op 30 oktober 1998 geeft [slachtoffer] nadere informatie aan de politie. Hij zegt dat de dader [verdachte] heet, dat zijn vader [betrokkene 2] heet, en dat hij moslim is.

Dan gaan er een paar jaar voorbij waarin [slachtoffer] over de aanslag bij het Okura Hotel geen contact heeft met de politie.

Op 4 oktober 2005 wordt [slachtoffer] - met behulp van een tolk - verhoord als verdachte in de zaak [A]. En passant komt de aanslag ter sprake. [slachtoffer] zegt dat de man die hem heeft neergeschoten [verdachte] is, dat hij hem daar gezien heeft en dat hij de schutter is.

Een paar dagen later wordt [slachtoffer] weer verhoord in de zaak [A]. Ook dan is er een tolk aanwezig. De aanslag komt ook dan ter sprake. De naam [verdachte] valt. [slachtoffer] zegt dat hij heeft gezien dat [verdachte] op hem geschoten heeft (toen ik bij het Okura Hotel aankwam "heeft hij op mij geschoten. Dat heb ik gezien.") [slachtoffer] zegt dat hij dacht dat hij dood zou gaan, dat hij zijn familie wilde laten weten wie er achter de aanslag zat. [verdachte] had valse documenten en was een soort clochard. [slachtoffer] had inmiddels vernomen dat [verdachte] in Canada zou zitten.

Ik ga tamelijk uitgebreid in op deze contacten van [slachtoffer] met de politie. Dat doe ik om een aantal redenen.

In de eerste plaats doe ik dat omdat daardoor duidelijk wordt dat direct na de aanslag, als [slachtoffer] met nog niemand gesproken heeft, ook niet over de telefoon, aan [getuige 1] al een en ander zegt over de persoon van de dader. De informatie die hij dan geeft, komt in latere gesprekken terug. Al uit dit eerste contact blijkt dat [slachtoffer] weet wie de schutter is.

In de tweede plaats ga ik op de contacten in omdat het aangeeft dat [slachtoffer] consequent was met zijn aanwijzingen: het was steeds dezelfde persoon die hij aanwees als dader.

In de derde plaats laat het zien dat [slachtoffer] over een lange periode dezelfde man als dader heeft aangewezen: van 30 juli 1998 tot in elk geval begin november 2005. Dat het herhaald aanwijzen van dezelfde man als dader op een misverstand berust of het gevolg is geweest van communicatiestoornis, is zeer onaannemelijk en onwaarschijnlijk. Taalproblemen kunnen in elk geval niet de oorzaak zijn, want ook in de verhoren mét tolk wijzen de verklaringen van [slachtoffer] naar verdachte.

In de vierde plaats geeft [slachtoffer] allerlei informatie over de dader die later blijkt te kloppen:

- verdachte werd [verdachte] genoemd

- hij heeft in Priboj gewoond en is daar opgegroeid

- hij is moslim

- hij kende [slachtoffer] (als [alias slachtoffer])

- hij verbleef in Nederland op 30 juli 1998

- hij heeft in die tijd bij [betrokkene 1] gewoond in de [a-straat] de flat van [betrokkene 1] was vlakbij het Waterlandplein in Amsterdam-Noord; op dat plein keren bussen van het openbaar vervoer

- het is mogelijk dat hij in de Javastraat geweest is, hij kwam toen vaak in cafés

- verdachte was destijds illegaal in Nederland

- hij had kortgeknipt haar in die tijd

- hij is 1,90 meter lang

- hij had in juli 1998 de beschikking over valse documenten

- hij gebruikte in juli 1998 drugs

- hij sprak Engels met [betrokkene 3]

- de vader van verdachte wordt [betrokkene 2] genoemd

- er zijn sterke aanwijzingen dat [verdachte] naar Canada is gegaan.

In de woning waar [verdachte] eind juli 1998 verbleef, dus de woning van [betrokkene 1] aan de [a-straat] in Amsterdam-Noord, is kort na de aanslag bij het Okura Hotel een doorzoeking uitgevoerd. In een tas die onder een tafel lag is een portemonnee gevonden. Daarin zat een Tsjechisch paspoort op naam van [naam] maar met de foto van [verdachte]. Verdachte zelf heeft erkend dat het zijn foto is in dat document en op een ander vervalst Tsjechisch document.

In de portemonnee zaten notities met telefoonnummers. Op een van de briefjes staan bij de naam '[alias slachtoffer]' de nummers '06-[001]. Het eerste nummer was in die tijd van [slachtoffer]. Het tweede nummer lijkt heel erg op een ander nummer dat [slachtoffer] in die tijd gebruikte, namelijk 06-[002]; alleen het derde cijfer is anders.

Inderdaad heeft [slachtoffer] ook iets gezegd wat niet klopte: dat [betrokkene 1] in een flat van iets van 12 verdiepingen woonde en dat [betrokkene 1] op de zesde verdieping woonde, op nummer [003] of [004]. Dat klopt dus niet, want de flat was maar zes verdiepingen hoog en [betrokkene 1] woonde op de derde verdieping en op een ander huisnummer. In het licht van alles wat wél blijkt te kloppen zijn dat ondergeschikte punten.

Uit de verklaring van [slachtoffer] en [verdachte], en ook uit verklaringen van getuigen blijkt dat [verdachte] en [slachtoffer] elkaar in juli 1998 kenden en met elkaar omgingen. Onder anderen [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6] (valse naam: [naam]) en [betrokkene 1] hebben het daarover. [verdachte] en [slachtoffer] waren misschien geen dikke vrienden, maar ze gingen normaal met elkaar om. [slachtoffer] leende zelfs een paar keer geld aan [verdachte]. Ze dronken samen wel eens wat. [slachtoffer] vertelt trouwens niet alleen aan de Nederlandse politie wie de schutter is. Hij vertelt het ook aan familie en kennissen. In elk geval doet hij dat aan [betrokkene 7], aan zijn in Servië wonende broer [betrokkene 8], en aan [betrokkene 9]. Op [betrokkene 7] kom ik later terug.

Ook lijkt uit de stukken te volgen dat er na 1998 nog gezocht werd naar [verdachte] en dat hij niet vergeten was. Drie voorbeelden:

- dat lijkt te volgen uit een telefoongesprek van 4 oktober 1999 tussen [betrokkene 10] en ene [betrokkene 11]. In dat gesprek wordt gesproken over [verdachte] uit Priboj en waar die broer zich bevindt.

- Vrbaski heeft gezegd dat [slachtoffer] hem in 2000 heeft proberen te ronselen om [verdachte] te vinden.

- [slachtoffer] zelf zegt jaren na de aanslag dat hij gehoord heeft dat de schutter in Canada zou zitten. Ik heb al gezegd dat er sterke aanwijzingen zijn dat [verdachte] inderdaad in Canada heeft gewoond.

Het is juist dat [slachtoffer] later terugkomt op zijn eerdere beschuldigingen. Als hij in de zaak Okura II vervolgd wordt voor de aanslag op [betrokkene 12], de broer van [verdachte], begint hij terug te krabbelen. Op 15 juni. 2009 noemt hij de naam [betrokkene 13] (pv ttz p. 10) en zegt hij dat hij er niet zeker van is dat verdachte de schutter was. Hij zegt dat hij niet heeft gezien wie de schutter was, dat de schutter gemaskerd was.

[slachtoffer] zegt in die verklaring echter ook:

- dat hij na de aanslag in shock was, dacht dat hij dood zou gaan en wilde dat mensen/zijn familie wisten wie hem had vermoord

- dat hij een afspraak had met verdachte bij het Okura Hotel

- "Misschien heeft iemand hem (= verdachte, AG) misbruikt en heeft iemand gevraagd om mij te bellen dat [verdachte] zijn telefoonnummer had.

Op 25 maart 2010 verklaart [slachtoffer] dat hij de schutter niet heeft herkend omdat die gemaskerd was, en dat hij verdachte nooit heeft ontmoet.

Helemaal bont maakt [slachtoffer] het als hij op 27 juli 2010 ter terechtzitting van de rechtbank als getuige wordt verhoord in deze zaak. Hij zegt dan dat hij verdachte niet kent en hem op 27 juli 2010 voor het eerst ziet. Hij zegt dat hij voorafgaand aan de schietpartij had gehoord dat hij moest uitkijken voor een Joegoslaaf en dat hij op die manier de conclusie heeft getrokken dat [verdachte] de dader moet zijn geweest. Volgens het proces-verbaal van de zitting heeft [slachtoffer] zelfs gezegd dat hij voordat hij gewond raakte had gehoord dat [verdachte] de schutter was.

Aan de verklaringen van [slachtoffer] dat [verdachte] niet de schutter was, kan geen waarde worden gehecht. Het is lijnrecht in strijd met wat hij eerder herhaaldelijk en gedurende vele jaren aan de Nederlandse politie en ook aan vrienden en kennissen uit eigen kring heeft verteld. Zijn bewering dat de dader gemaskerd was is ook in strijd met wat [slachtoffer] eerder heeft gezegd en geen van de PD-getuigen heeft iets over een masker of gezichtsbedekking verklaard.

Verder is het zo dat [slachtoffer] dacht dat hij de aanslag niet zou overleven. Hij wilde dat zijn familie zou weten wie het gedaan had. Dat is op zich begrijpelijk. Dan is het toch voor de hand liggend dat je juiste informatie verstrekt waarmee de politie of desnoods je familie of vrienden iets kunnen doen. Als je wilt dat de moord op jouw persoon wordt opgelost, ga je natuurlijk niet bewust verkeerde informatie geven. Overigens vind ik het moeilijk voorstelbaar dat [slachtoffer], luttele minuten na de aanslag op straat en kort daarna in het ziekenhuis, denkende dat hij misschien wel dood zal gaan, het benul zou hebben gehad valse informatie te geven.

Daar komt bij dat de verhoudingen tussen [slachtoffer] en [verdachte] in juli 1998 voor zover [slachtoffer] wist, niet slecht waren. Als [slachtoffer] al iemand valselijk had willen beschuldigen van de (poging tot) moord op hem, ligt het niet voor de hand dat hij direct na de aanslag, op een moment dat hij nog met niemand had kunnen spreken, iemand beschuldigt met wie hij normaal omgaat. Dan had het meer voor de hand gelegen dat hij iemand had beschuldigd met wie hij ruzie had; en die zullen er toen echt wel geweest zijn.

De bewering van [slachtoffer] op 27 juli 2010 dat hij [verdachte] toen voor het eerst zag en hem niet kende is volstrekt ongeloofwaardig. Het is in strijd met wat anderen zeggen (bijvoorbeeld [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [verdachte] zelf). Bovendien: als zou moeten worden geloofd dat [slachtoffer] [verdachte] op 27 juli 2010 voor het eerst in zijn leven zag, zou dat betekenen dat [slachtoffer] tussen 30 juli 1998 en november 2005 allerlei juiste informatie heeft gegeven over een persoon die hij helemaal niet kende!

Op 27 juli 2010 heeft [slachtoffer] gezegd dat verhalen de ronde deden dat [verdachte] de dader was. Dat zulke verhalen de ronde hebben gedaan is juist, maar die verhalen deden niet de ronde in de minuten of uren direct na de aanslag; en toen al heeft [slachtoffer] informatie gegeven die op [verdachte] betrekking had.

De conclusie die getrokken kan worden is dat de beschuldigingen van [slachtoffer] aan het adres van [verdachte] een solide basis vormen.

Dat [slachtoffer] wist dat [verdachte] de feitelijke schutter was, blijkt ook uit de aanslag op [betrokkene 12], de broer van [verdachte], op 30 september 1998 in Priboj in Servië. [betrokkene 12] is in zijn been geschoten. [betrokkene 7] en [betrokkene 14] zijn in 2000 in Servië veroordeeld voor dat feit. [slachtoffer] is bij vonnis van 13 juli 2009 door de rechtbank 's-Gravenhage veroordeeld voor zijn rol.

In het bijzonder de verklaringen van [betrokkene 7] zijn belastend voor [slachtoffer]. [betrokkene 7], een kennis/vriend van [slachtoffer], had gehoord dat [slachtoffer] was neergeschoten. [betrokkene 7], die vond dat hij iets verschuldigd was aan [slachtoffer], wilde bijdragen aan het vinden van de dader. De dader zelf bleek niet te vinden te zijn, maar de dader had een broer. Die kon wel gevonden worden. [slachtoffer] vertelde aan [betrokkene 7] dat de broer in Priboj woonde en als ober in een café werkte. Ook de achternaam werd genoemd door [slachtoffer]. Later zou [slachtoffer] iemand [betrokkene 12] hebben laten aanwijzen aan [betrokkene 14], de man die [betrokkene 12] heeft beschoten. [betrokkene 14] heeft bekend dat hij op [betrokkene 12] heeft geschoten. Zijn opdrachtgever was [betrokkene 7]. [betrokkene 7] had tegen [betrokkene 14] gezegd wat [alias slachtoffer] was overkomen en dat [alias slachtoffer] wist wie op hem geschoten had. In de map met stukken uit zaaksdossier Okura II zijn de verklaringen van [betrokkene 7] en [betrokkene 14] te vinden.

in bepaalde kringen was het bekend dat [verdachte] de dader was

De op [verdachte] wijzende verklaringen van [slachtoffer] staan niet op zich.

In bepaalde kringen was het bekend dat [verdachte] [slachtoffer] had neergeschoten. [betrokkene 4] zegt dat het algemeen bekend was dat [verdachte] [slachtoffer] had neergeschoten. [betrokkene 5] zegt dat gezegd werd dat [verdachte] de aanslag had gepleegd. [betrokkene 1] heeft gezegd dat hij op straat hoorde dat [verdachte] de schutter was en dat maar één naam heeft gehoord, die van [verdachte].

De broer van [slachtoffer], [betrokkene 8], heeft op 13 juli 2009 in Servië verklaard dat hij van allerlei kanten hoorde dat. zijn broer was neergeschoten door een zekere [verdachte]. Hij hoorde dat al voordat hij zijn broer daarover sprak. Hij heeft er ook met zijn broer over gesproken. [alias slachtoffer] begreep niet dat [verdachte] hem had beschoten, want hij kende [verdachte].

[betrokkene 3]

Ondersteuning komt verder uit de verklaringen van [betrokkene 3]. Zij was degene die in de zomer van 1998 een relatie had met [verdachte]. Op 27 juli 2010 heeft [verdachte] erkend dat hij een relatie met haar had. [betrokkene 3] noemt hem [verdachte] (de naam op de Tsjechische documenten). Zij is eind 2009 en in mei 2010 verhoord. Opeens was [verdachte] verdwenen, zegt zij, van de ene op de andere dag. Een maand of zo na zijn plotselinge vertrek belde [verdachte]. Hij belde vanuit het buitenland, maar wilde niet zeggen waar hij was. Hij zei dat hij iets stoms had gedaan, dat hij nooit meer terug kon komen naar Nederland omdat hij dan zou komen vast te zitten. In haar politieverklaringen zegt ze zelfs dat [verdachte] zei dat hij iemand had neergeschoten. Ook als [verdachte] tegen [betrokkene 3] alleen heeft gezegd dat hij iets stoms had gedaan waardoor hij nooit meer naar Nederland kon terugkeren, leveren de verklaringen van [betrokkene 3] bewijs op. [verdachte] en [betrokkene 3] spraken met elkaar in het Engels. [betrokkene 3] zegt dat zij toen heel goed Engels sprak en dat [verdachte] verstaanbaar Engels sprak. Ze begreep in elk geval duidelijk wat hij haar vertelde.

[betrokkene 15]

Ook de verklaring van [betrokkene 15] levert bewijs op. Zij is op 1 juli 2010 verhoord. Zij was in haar jeugd een plaatsgenoot van [verdachte]: beiden woonden toen in Priboj. [betrokkene 15] noemt verdachte [verdachte]. [betrokkene 15] kent de familie [verdachte] en weet dat de vader van [verdachte] leraar was. In 1998 woonde [betrokkene 15] in Tilburg. In 1998, zij denkt het najaar, belde [verdachte] haar op. Hij vroeg of hij een paar dagen bij haar kon verblijven. Hij zei dat hij problemen had en dat het beter was als zij niet zou weten wat er aan de hand was. Dit sluit aan bij de verklaring van [betrokkene 3] en past bij het plotselinge vertrek van [verdachte] uit Amsterdam. Op de zitting van 27 juli 2010 heeft [verdachte] erkend dat hij een paar dagen bij [betrokkene 15] geweest is, eerder had hij dat niet erkend.

verklaringen van verdachte

[verdachte] heeft op 27 juli 2010, op de zitting bij de rechtbank een en andere verklaard. Onderdelen daarvan bevestigen de juistheid van wat [slachtoffer], [betrokkene 3] en [betrokkene 15] eerder hadden verklaard.

In de maanden voor de zitting was [verdachte] echter niet erg mededeelzaam. Uiteraard stond het [verdachte] vrij om te weigeren antwoord te geven op vragen of slechts spaarzaam iets te zeggen. Er zijn echter wel enkele dingen die opvallen.

[verdachte] heeft erkend dat hij in Amsterdam was op 30 juli 1998. Hij zegt dat zijn periode in Amsterdam een zwarte tijd in zijn leven was. Drugsgebruik zou daar debet aan zijn. Maar wât er gebeurd is in die tijd, zegt hij niet. In zijn verklaring in Zweden zegt hij dat hij destijds is gevlucht voor [slachtoffer]. Waarom moest hij vluchten? Het blijft een onbeantwoorde vraag. Waarvoor dacht [verdachte] problemen met de Nederlandse justitie te kunnen krijgen 12 jaar later? Hij wil het niet zeggen.

In zijn verhoor in Zweden zegt [verdachte] dat hij niet [verdachte] wordt genoemd. Terzijde merk ik op dat de verklaring in Zweden wel voor het bewijs kan worden gebruikt. De Salduz-jurisprudentie verzet zich daar niet tegen. Immers, bij dat verhoor had [verdachte] bijstand van een Zweedse advocaat, mevrouw Danielsson. (Er was trouwens ook een tolk bij.)

In een verklaring bij de Nederlandse politie zegt hij dat toen hij heel jong was [verdachte] werd genoemd. Dat hij niet [verdachte] werd genoemd of alleen als kind zo werd genoemd, staat op gespannen voet met de waarheid. In de stukken zitten vele verklaringen van personen die [verdachte] we! degelijk als [verdachte] kennen, niet alleen van personen die hem al vanaf zijn jeugd kennen, maar ook mensen die hem pas in 1998 leerden kennen. Ik noem [betrokkene 15], [betrokkene 16], [betrokkene 4], [betrokkene 1], [betrokkene 17], [betrokkene 18], [betrokkene 19], [betrokkene 20] en [betrokkene 6] (valse naam: [naam]). En natuurlijk kende [slachtoffer] hem als [verdachte]. Pas op de zitting van 27 juli 2010 erkende [verdachte] dat hij [verdachte] werd genoemd. Heeft hij dat eerder willen ontkennen omdat hij wilde verbergen dat personen met wie hij in 1998 omging, in het bijzonder [slachtoffer], hem als [verdachte] konden kennen?”

8.

Het Hof heeft de vrijspraak als volgt gemotiveerd:

“Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem ten laste gelegde feit onder 1 heeft begaan. Het hof overweegt daartoe het volgende.

Vaststaat dat met een vuurwapen is geschoten op [slachtoffer] op 30 juli 1998, waarbij vier kogels in de richting van [slachtoffer] zijn afgevuurd.

[slachtoffer] heeft vlak nadat hij beschoten was op de vraag van de getuige [getuige 1] (BC05: 007-010), wie op hem had geschoten geantwoord: '[verdachte]', 'Priboy' en 'moslim, moslim'. Ook in zijn volgende verklaringen, waarbij een tolk aanwezig is, heeft hij verklaard dat hij is neergeschoten door een persoon met de naam [verdachte] of [verdachte] die bij een persoon genaamd '[betrokkene 1]" zou wonen in een flat te Amsterdam Noord. De politie is vervolgens na het schietincident daar binnengetreden en heeft een aantal Joegoslaven aangetroffen. De politie nam aldaar een vervalst Tsjechisch paspoort in beslag ten name van [naam] waarvan de verdachte nadien (tijdens de terechtzitting in eerste aanleg op 27 juli 2010) heeft verklaard dat hij dat gebruikte.

Met de rechtbank en de advocaat-generaal acht het hof voldoende aannemelijk dat [slachtoffer] hierbij heeft gedoeld op de verdachte, wiens bijnaam '[verdachte]' is, die geboren is te Prijepolj en heeft verbleven bij een persoon genaamd [betrokkene 1] in een flat in Amsterdam Noord. Het vorenstaande vormt naar het oordeel van het hof voorts een sterke aanwijzing voor een mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij het hem onder 1 ten laste gelegde feit.

De verdachte heeft elke betrokkenheid bij het bij ten laste gelegde ontkend.

Het hof merkt op dat sprake is van verklaringen van één en dezelfde bron: het slachtoffer [slachtoffer]. Dat is naar het oordeel van het hof niet toereikend om te komen tot een bewezenverklaring. Noodzakelijk is dat deze verklaringen voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. Weliswaar is een aantal gegevens waar het slachtoffer heeft verklaard juist bevonden maar daar staat tegenover dat [slachtoffer] op zijn verklaringen van destijds is teruggekomen (25 maart 2010, BC05: 369-372) in die zin dat hij een andere persoon dan de verdachte aanziet voor degene die op hem heeft geschoten. Ook op de terechtzitting in hoger beroep op 22 augustus 2011 blijft hij bij dit laatste afgelegde standpunt.

Dit brengt met zich dat de verklaringen van het slachtoffer [slachtoffer] met grootste mogelijke behoedzaamheid moeten worden gewaardeerd.

Het hof is bij zijn zoektocht naar het noodzakelijke steunbewijs niet gebleken van andere concrete en specifieke bewijsmiddelen die steun bieden aan de stelling dat het deze verdachte is geweest die [slachtoffer] heeft neergeschoten op 30 juli 1998.

In het Joegoslavische milieu waarin verdachte en [slachtoffer] zich bevonden zijn weliswaar geruchten geweest dat de verdachte de schutter is geweest die op [slachtoffer] heeft geschoten. Het hof moet hieraan voorbij gaan, reeds op grond dat de bron van deze geruchten en de hieraan ten grondslag liggende mededelingen niet duidelijk zijn geworden.

De verklaringen van de getuige [betrokkene 3] bij de politie (BC05: 243-248 en BC05: 249- 255), alsmede haar verklaring bij de rechter-commissaris op 21 mei 2010 acht het hof, mede gelet op haar relativering daarvan ter gelegenheid van het verhoor van de rechter-commissaris, evenmin voldoende concreet en specifiek, om op grond hiervan aan te nemen dat de getuige heeft gedoeld op de aan verdachte ten laste gelegde gedraging onder 1.

Ten slotte wijst het hof op de verklaringen van getuige [getuige 1], de brigadier van politie, die het slachtoffer [slachtoffer] als eerste medische bijstand verleende (BC05: 007-010). Hij heeft onder meer waargenomen dat de schutter een lengte van 195-200 cm had, hij de leeftijd op 35 à 40 jaar schatte en opmerkte dat de schutter een fors postuur had en een camelkleurig jack droeg. Ter zitting van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij 192 cm lang is. Dit signalement komt niet overeen met andere signalementen van hen die als getuigen in de buurt waren toen het schietincident plaats vond (BC05:017-032). Dit brengt het hof ertoe, anders dan de rechtbank, aan de signalementen als zodanig op zichzelf onvoldoende identificerende betekenis toe te kennen, mede gelet op het tijdstip van het schietincident 22.30 uur. Daarbij voegt zich dat voornoemde getuige [getuige 1], door zijn collega's geconfronteerd met een foto van de verdachte heeft verklaard: 'dat is hem niet' (6 april 2009, BC05: 214-215) aan welke mededeling het hof in de onderhavige situatie niet voorbij kan gaan, nu deze zonder enig voorbehoud en met een aanzienlijke mate van stelligheid is gedaan. Daaraan doet niet af dat de wijze waarop deze fotoconfrontatie in 1998 niet is geverbaliseerd.

Bij deze stand van zaken komt het hof tot de slotsom dat de verklaringen van het slachtoffer - die het hof met grootst mogelijke behoedzaamheid dient te waarderen gelet op de omstandigheid dat het slachtoffer later daarop is teruggekomen - noch het noodzakelijke steunbewijs - bij een ontkennende verdachte - voldoende houvast bieden voor een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde. Dit brengt het hof ertoe dat, nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard hetgeen de verdachte onder 1 heeft begaan, de verdachte behoort te worden vrijgesproken.

Gelet op de vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde, is het hof van oordeel dat ook het onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, zodat de verdachte ook hiervan moet worden vrijgesproken.”

9.

Hetgeen de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot de onder 1 tenlastegelegde poging tot moord heeft betoogd kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als behelzende een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Dat betekent dat sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt waarop ingeval van een afwijkende uitspraak de responsieplicht als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv van toepassing is.

10.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het Hof in de voornoemde responsieplicht in zoverre is tekortgeschoten, dat het in zijn redengeving betreffende de vrijspraak niet heeft betrokken de door de advocaat-generaal bij en in zijn uitdrukkelijk standpunt genoemde omstandigheden dat verdachte op 30 augustus 1998 (ik begrijp 30 juli 1998, EH) in Amsterdam was, vervolgens Amsterdam is ontvlucht voor het slachtoffer [slachtoffer] en dat hij, naar [betrokkene 15] heeft verklaard, vanwege problemen bij haar in Tilburg heeft verbleven, welke verklaring past bij de verklaring die een andere getuige, te weten [betrokkene 3], over het plotselinge vertrek van verdachte uit Amsterdam heeft afgelegd.

11.

De vraag die met betrekking tot de onderhavige zaak in cassatie in het bijzonder beantwoording behoeft, houdt in of het Hof met miskenning van de responsieplicht in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv in zijn motivering van de vrijspraak ten onrechte is voorbijgegaan aan het onderdeel van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de advocaat-generaal dat verdachte op 30 juli 1998 in Amsterdam was en vervolgens deze stad is ontvlucht voor het slachtoffer [slachtoffer].

12.

Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld.4 In cassatie kan niet worden onderzocht of de feitenrechter die de verdachte op grond van zijn feitelijke waardering van het bewijsmateriaal heeft vrijgesproken, terecht tot dat oordeel is gekomen. Ingeval de rechter die over de feiten oordeelt het tenlastegelegde bewezen acht, is het aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht.5 Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die - behoudens bijzondere gevallen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.6 Hetzelfde heeft te gelden in het tegenovergestelde geval dat de rechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot de slotsom komt dat vrijspraak moet volgen. Hieruit volgt dat het oordeel betreffende het al dan niet bewezen zijn van het tenlastegelegde, met de daartoe gegeven motivering, niet onbegrijpelijk genoemd zal kunnen worden op de grond dat het beschikbare bewijsmateriaal - al dan niet in verband met een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard - een andere (bewijs)beslissing toelaat.7 Art. 359, tweede lid, Sv, zoals die bepaling luidt sedert 1 januari 2005, heeft daarin geen wijziging gebracht. Ook thans is de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal aan de feitenrechter voorbehouden, ook indien de feitenrechter tot een vrijspraak komt. Wel brengt die bepaling mee dat de feitenrechter in een aantal gevallen zijn beslissing nader zal dienen te motiveren. Dat is onder meer het geval indien het Openbaar Ministerie ter zake van de bewijsvoering een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ingenomen.8 Het voorbehoud dat behoudens bijzondere gevallen een vrijspraak die steunt op de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal geen motivering behoeft, heeft betrekking op het bepaalde in art. 359, tweede lid, Sv. Heeft het Hof in afwijking van het requisitoir de verdachte vrijgesproken en diens vrijspraak nader gemotiveerd, dan pleegt de Hoge Raad zich daarbij in de regel neer te leggen.9

13.

Het Hof heeft verdachte vrijgesproken en daartoe overwogen dat bij de onderhavige stand van zaken niet wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan. Daarmee heeft het Hof het in het requisitoir van de advocaat-generaal bij het Hof verwoorde standpunt, inhoudende diens opvatting omtrent de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal dat in het bijzonder op grond van de door de advocaat-generaal genoemde belastende aanwijzingen in de richting van verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit kan worden bewezen verklaard, niet aanvaard. Het Hof heeft dienaangaande uitvoerig overwogen hetgeen onder 8 is weergegeven en in het licht daarvan geoordeeld dat (i) het Hof bij zijn zoektocht naar het noodzakelijke steunbewijs niet gebleken is van andere concrete en specifieke bewijsmiddelen die steun bieden aan de stelling dat het verdachte is geweest die [slachtoffer] heeft neergeschoten op 30 juli 1998; (ii) het Hof de verklaringen van het slachtoffer met grootst mogelijke behoedzaamheid dient te waarderen gelet op de omstandigheid dat het slachtoffer daarvan later is teruggekomen; en (iii) bij de onderhavige stand van zaken de verklaringen van het slachtoffer noch het noodzakelijke steunbewijs – bij een ontkennende verdachte – voldoende houvast bieden voor een bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde poging tot moord.

14.

Gelet op hetgeen onder 12 is vooropgesteld omtrent de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de rechter en in aanmerking genomen hetgeen door de advocaat-generaal naar voren is gebracht, is het bestreden oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk en was het Hof, ook in het licht van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv, niet gehouden dat oordeel nader te motiveren. Daarbij neem ik in aanmerking dat in het requisitoir van de advocaat-generaal weliswaar wordt gesteld dat sprake was van een plotseling vertrek van verdachte uit Amsterdam, maar dat dit onderdeel van het requisitoir bepaald niet de sterkste aanwijzing ten laste van verdachte vormt, ook omdat de advocaat-generaal bij het achterhalen van de werkelijke reden van dat gestelde plotselinge vertrek in vraagvorm blijft steken (“waarom moest hij vluchten?”). Dat het Hof hiermee in zijn zoektocht naar het noodzakelijke steunbewijs kennelijk niet veel kon, acht ik begrijpelijk. Voorts wijs ik erop dat het Hof niet (expliciet) behoeft in te gaan op ieder detail van de redenering die het Openbaar Ministerie heeft voorgehouden, waaronder ik reken het plotselinge vertrek zoals door de advocaat-generaal aangevoerd.10

15.

Het middel faalt en kan naar mijn inzicht worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

16.

Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

17.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Omdat het Hof tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde feit komt, is het van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde evenmin wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden. Overigens heeft de rechtbank te Amsterdam bij vonnis van 10 augustus 2010 beide feiten ten laste van verdachte bewezen verklaard en hem op grond daarvan veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren.

2 Dit en het navolgende is ontleend aan de in cassatie voorhanden stukken van het geding.

3 Evenals de steller van het middel in de schriftuur, laat ik (ten behoeve van de leesbaarheid) de aanduiding en de weergave van de voetnoten achterwege.

4 Het navolgende is ontleend aan HR 13 maart 2012, LJN BU6250.

5 Aldus ook HR 14 oktober 2003, LJN AJ1420, NJ 2005/182 m.nt. Knigge.

6 Zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, zevende druk, 2012, p. 249.

7 HR 4 mei 2004, LJN AO5061, NJ 2004/480.

8 Vgl. HR 13 juni 2006, LJN AV8527.

9 Van Dorst, a.w., p. 249/250.

10 HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006/393 (rov. 3.8.4.d) m.nt. Buruma.