Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:667

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-05-2013
Datum publicatie
04-09-2013
Zaaknummer
12/02091
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:585, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

N-o verklaring in h.b. Het Hof heeft klaarblijkelijk toepassing gegeven aan art. 416.2 Sv en daaraan ten grondslag gelegd dat de eerst op 8 maart 2012 ingediende appelschriftuur, gelet op art. 410.1 Sv niet als een appelschriftuur kan worden aangemerkt. Dat oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 410.1 Sv jo. art. 416.2 Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/02091

Zitting: 21 mei 2013

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te ’s-Gravenhage niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 22 juli 2011 waarbij verdachte wegens misdrijven is veroordeeld tot straf als in dat vonnis vermeld.

2. Namens verdachte heeft mr. J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.

4. Het Hof heeft te dier zake het volgende overwogen:

“Op 26 juli 2011 is door de verdachte tijdig appel ingesteld. De verdachte heeft echter pas op 8 maart 2012 een brief ingediend, waarin hij zijn grieven tegen het vonnis kenbaar gemaakt. Het hof acht de indiening van voornoemde brief met grieven zo zeer buiten de termijn, zoals bepaald in artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat deze niet als appelschriftuur wordt aangemerkt. Evenmin zijn door of namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ook ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep, nu naar het oordeel van het hof geen termen aanwezig zijn om tot inhoudelijke behandeling van de zaak over te gaan. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”

5. Het oordeel van het Hof komt erop neer dat niet meer van een schriftuur in de zin van art. 416 lid 2 jo 410 lid 1 Sv kan worden gesproken wanneer deze geruime tijd na afloop van de termijn genoemd in art. 410 Sv is ingediend. Door aldus te overwegen heeft het Hof volgens het middel een te beperkte uitleg gegeven aan het bepaalde in art. 416 lid 2 jo. 410 lid 1 Sv.

6. Bij de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 lid 1 Sv toegezonden stukken bevinden zich:

- een brief van de verdachte d.d. 8 maart 2012 aan het Hof, inhoudende bezwaren tegen het vonnis van de Rechtbank;

- een faxbericht d.d. 9 maart 2012 van de raadsvrouw van verdachte, mr. H.M.G. Peters, aan de voorzitter van het Hof, inhoudende bezwaren tegen het vonnis van de Rechtbank alsmede een verzoek tot oproeping ter terechtzitting in hoger beroep van drie getuigen.

7. Art. 416 lid 2 Sv luidt, als volgt:

“Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.”

8. Omtrent die bepaling houdt de parlementaire geschiedenis bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet stroomlijnen hoger beroep (Wet van 5 oktober 2006, Stb. 470) het volgende in:

“In het actuele strafprocesrecht zijn de contouren van een grievenstelsel in de artikelen 410 en 416 Sv zichtbaar, maar de vrijblijvendheid daarvan doet afbreuk aan de doelmatigheid. De bepalingen zijn zelfs betekenisloos in de gevallen, dat alleen de verdachte appèl instelt en ter terechtzitting in hoger beroep niet verschijnt. Ik acht het alleszins redelijk, om van degene die in appèl komt, of dat nu het openbaar ministerie is of de verdachte, te vragen duidelijk te maken wat de bezwaren zijn tegen het vonnis. Met het karakter van appèl als voortgezette instantie verdraagt zich niet dat in appèl, zonder dat daarvoor goede redenen bestaan een min of meer nieuwe procedure wordt gestart. Van partijen mag in het bijzonder in hoger beroep een actieve proceshouding worden gevergd. Dat is uit een oogpunt van inzet van beperkte (overheids-)middelen en mensen rationeel, aangezien daardoor dubbel en nodeloos werk wordt voorkomen. Los van de praktische eisen, die een grievenstelsel met zich brengt aangaande het beschikbaar komen van uitgewerkte vonnissen alvorens van een procespartij gevergd kan worden zijn grieven te formuleren, onderken ik ook het bezwaar, dat de eis vooraf schriftelijke grieven in te dienen die vervolgens een volledig bindend karakter hebben te ver zou kunnen voeren. Dat is enerzijds omdat redelijkerwijs niet gevergd kan worden van de niet professioneel vertegenwoordigde verdachte daartoe capabel te zijn en anderzijds omdat het karakter van het debat ter terechtzitting in hoger beroep niet zo gesloten dient te zijn dat er helemaal geen ruimte is voor de ontwikkeling van nieuwe gezichtspunten. Ook na indiening van grieven kan een verdachte reden hebben bij nader inzien andere zaken aan de orde te stellen dan in toegespitste schriftelijke grieven is vermeld. In de praktijk gaat de onvrede van de verdachte over de beslissingen nogal eens gepaard met de keuze voor een andere advocaat. Toch zal de advocaat in eerste aanleg namens de verdachte doorgaans wel het appèl moeten instellen en in een daartoe verplichtend stelsel de grieven formuleren. Ten slotte is er het al gememoreerde principiële punt van de eigen onderzoeksverantwoordelijkheid van de appèlrechter. Er zal naar mijn oordeel toch altijd een mogelijkheid moeten worden open gelaten dat de appèlrechter, hetzij ambtshalve, hetzij bij nader inzien op verzoek van procespartijen, de behandeling van de gehele zaak naar eigen inzicht inricht.”

(Kamerstukken II, 2005-2006, 30 320, nr. 3, p. 11)

“De opmerkingen van de RvdR hebben geleid tot aanpassing van het voorgestelde verlofstelsel in die zin, dat het niet indienen van redenen voor het appèl niet perse behoeft te leiden tot het niet toelaten (artikel 410a lid 3 Sv). De voorzitter dient derhalve in een dergelijk geval ook ambtshalve te beoordelen of behandeling ter zitting vereist is. Daardoor kan worden voorkomen, dat in het bijzonder allochtone, niet-Nederlandse unieburgers en analfabete verdachten door de gevolgen van de eis van schriftelijke grieven zullen worden getroffen. De suggestie van de RvdR om in alle gevallen waarin de verdachte ter zitting in eerste aanleg en bij het instellen van het rechtsmiddel van hoger beroep niet werd bijgestaan door een raadsman zonder meer toe te laten tot de behandeling ter zitting is echter niet gevolgd. Een dergelijke opening in het verlofstelsel zou de zin ervan in belangrijke mate aantasten.

(…)

De NVvR staat positief tegenover het concept-wetsvoorstel en doet suggesties voor verbeteringen van inhoudelijke en redactionele aard. De NVvR heeft waardering voor de wijze waarop de onderscheiden wensen en mogelijkheden voor herziening van het stelsel zijn afgewogen. Over het algemeen kan de NvVR de gekozen opzet volgen, maar het stelsel van het voortbouwend appèl is volgens de NvVR geen echte breuk met het huidige stelsel. Met name wordt opgemerkt, dat aan het niet indienen van een geschrift met grieven, behoudens gevallen die onder het verlofstelsel vallen, geen rechtsgevolgen worden verbonden. Het is juist, dat ook indien geen schriftelijke grieven worden ingediend de appèlrechter over alle vragen van 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering kan beslissen. Maar als alleen de verdachte appèl instelt, geen schriftelijke grieven indient, ter zitting niet verschijnt en zich ook niet laat vertegenwoordigen, dan zal het appèl in het nieuwe stelsel in de regel leiden tot niet-ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep. Een daartegen ingesteld cassatieberoep is beperkt tot die kwestie. Aan deze rechtsgevolgen, die ook besparende effecten hebben, lijkt de NVvR voorbij te gaan.”

(Kamerstukken II, 2005-2006, 30 320, nr. 3, p. 39)

“In het advies van de NOvA wordt de vraag gesteld welke eisen aan een door de verdachte ingediende schriftuur houdende grieven dienen te worden gesteld. Gewezen wordt op in de praktijk lopende experimenten. In het ressort ’s-Hertogenbosch wordt door de advocatuur, het OM en het gerechtshof al langer gezamenlijk getracht te komen tot een effectievere besteding van de schaarse zittingscapaciteit van het Gerechtshof. Daartoe is per 1 januari 1999 in het kader van een experiment voorzien in de mogelijkheid van «opgave van bezwaren» waardoor de verdachte inzichtelijk waartegen zijn bezwaren zich met name richten. Een soortgelijk stelsel wordt sinds een aantal jaren in het ressort Leeuwarden gehanteerd. In de opgave van bezwaren in het ressort ’s-Hertogenbosch kan de verdachte aangeven waartegen het hoger beroep is gericht: de bewezenverklaring van een (of meer) tenlastegelegd(e) feit(en), de opgelegde straf en/of maatregel (aard en hoogte), de beslissing tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel of anderszins. Dat is een zeer summiere opgave van bezwaren. De NOvA vraagt of het de bedoeling is dat er, in navolging van dit experiment, op landelijk niveau een soortgelijke opgave van bezwaren wordt geïntroduceerd, of dat de wetgever een uitgebreide(re) motivering van de grieven voor ogen staat. Het is denkbaar dat de experimenten in de genoemde ressorten gevolgd worden door een uniformering van de wijze waarop een opgave van bezwaren wordt gedaan. Het wetsvoorstel legt in dit opzicht geen beperkingen op en stelt ook geen verdere inhoudelijke eisen aan de schriftelijke opgave van bezwaren. Het wordt aan de rechter in hoger beroep overgelaten welke de betekenis daaraan toekomt voor de behandeling ter zitting. De combinatie van schriftelijk ingediende grieven en mondeling opgegeven bezwaren zullen immers richtinggevend moeten zijn voor die behandeling.”

(Kamerstukken II, 2005-2006, 30 320, nr. 3, p. 42)

“Onderdeel N. Artikel 416 Sv (…)

In aanvulling op hetgeen in het algemeen deel reeds over deze wijzigingen is gesteld, wordt het volgende opgemerkt. Het voorgestelde tweede lid bepaalt, dat indien van de zijde van de appellerende verdachte geen bewaren worden ingebracht, waaronder begrepen kan worden de omstandigheid dat wel ingebrachte bezwaren niet worden gehandhaafd, het ingestelde hoger beroep zonder verder onderzoek niet ontvankelijk verklaard kan worden. De keuze voor de mogelijkheid, in plaats van een verplichte conclusie daartoe, vloeit voort uit de wens om aan de rechter ambtshalve ruimte te laten om, indien zulks noodzakelijk wordt geacht, ondanks intrekking van bezwaren toch onderzoek te verrichten.”

(Kamerstukken II, 2005-2006, 30 320, nr. 3, p. 51)

“De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat van de verdachte die in hoger beroep gaat, in redelijkheid kan worden gevergd te verschijnen, grieven kenbaar te maken of althans verdediging te voeren, kortgezegd: «weerwoord» te voeren. Zij vragen welke gevolgen kunnen worden verbonden aan de handelwijze van een verdachte die aan deze verwachting niet voldoet. Het belangrijkste gevolg is de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. Het voorgestelde artikel 416, tweede lid, bepaalt immers dat indien de appellerende verdachte geen schriftuur met grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, het hoger beroep zonder onderzoek van de zaak niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Hieronder valt ook het geval dat de verdachte geen schriftuur heeft ingediend en ter zitting in hoger beroep niet verschijnt. Dit is geen verplichte niet-ontvankelijkheid. Het gerechtshof behoudt de bevoegdheid tot ambtshalve onderzoek. Dit onderzoek kan echter bij het ontbreken van weerwoord in die zin beperkt blijven, dat onder omstandigheden bepaalde gebreken die mogelijk aan het voorbereidend onderzoek of het onderzoek in eerste aanleg kleven, niet tot vernietiging behoeven te leiden omdat de verdediging daarover noch in eerste aanleg noch in hoger beroep heeft geklaagd.”

(Kamerstukken II, 2005-2006, 30 320, nr. 6, p. 9)

9. Uit de hierboven weergegeven wetsgeschiedenis volgt dat de appelrechter op de voet van art. 416 lid 2 Sv de bevoegdheid heeft bij het ontbreken van weerwoord van de appellerende verdachte tegen het vonnis in eerste aanleg (doordat geen schriftuur met grieven is ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven) het door hem ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Het Hof is hiertoe evenwel niet verplicht.

10. Art. 410 lid 1 Sv houdt in dat de verdachte binnen veertien dagen na het instellen van het beroep een schriftuur inhoudende grieven kan indienen. De rechter heeft de gevolgen van overschrijding van deze termijn voor de opgave van getuigen en deskundigen moeten relativeren in geval is volstaan met een zogenaamd kop-staart-vonnis en het na afloop van die termijn is aangevuld met bewijsmiddelen.1 Reeds deze omstandigheid wijst erop dat niet steeds wanneer een schriftuur wordt ingediend na afloop van de in de wet genoemde termijn niet meer van een schriftuur in de zin van art. 416 lid 2 jo 410 lid 1 Sv kan worden gesproken.

11. Noch van de officier van justitie noch van de verdachte kan redelijkerwijs worden verlangd dat binnen de termijn van art. 410 lid 1 Sv grieven worden geformuleerd tegen de motivering van de bewezenverklaring wanneer ten tijde van het wijzen van het vonnis is volstaan met een verkort vonnis en de opgave van de bewijsmiddelen pas ter beschikking komt na afloop van die termijn. Het is immers niet wel doenlijk bezwaren te formuleren tegen hetgeen men niet kent.2 Ook dat wijst er op dat niet steeds wanneer een schriftuur wordt ingediend na afloop van de in de wet genoemde termijn niet meer van een schriftuur in de zin van art. 416 lid 2 jo 410 lid 1 Sv kan worden gesproken en deze derhalve als zodanig buiten beschouwing zou kunnen worden gelaten.

12. De termijn van art. 410 Sv is met name van belang voor het criterium dat dient te worden gehanteerd bij de beoordeling van bij schriftuur opgegeven getuigen en deskundigen:

“Het wettelijk kader om de behandeling af te stemmen op de wensen van partijen en hetgeen de rechter nodig acht kan – met handhaving van het verbod van partieel appèl – worden geschapen door de rechter in hoger beroep de bevoegdheid toe te kennen het onderzoek ambtshalve te beperken tot de schriftelijk of mondeling naar voren gebrachte grieven van de procespartijen en hetgeen hij overigens noodzakelijk oordeelt. Deze kijk op de behandeling in hoger beroep stemt ook overeen met de door mij voorgestelde aanpassing van artikel 414, tweede lid, Sv zoals opgenomen in het voorstel wet tot wijziging van het Sv in verband met het horen van getuigen en enkele verwante onderwerpen. Door die aanpassing te realiseren zal de toelating van opgegeven van getuigen gedurende de verdere behandeling, anders dan bij het indienen van een schriftuur, gekoppeld worden aan het noodzakelijkheidscriterium.

(Kamerstukken II, 2005-2006, 30 320, nr. 3, p. 10)

13. Een verdachte kan zowel bij appelschriftuur als ter terechtzitting in hoger beroep zijn bezwaren tegen het beroepen vonnis opgeven. Daarom valt niet in te zien welk door de termijn van art. 410 lid 1 Sv beschermd belang ermee is gediend dat een geschrift houdende bezwaren tegen het beroepen vonnis binnengekomen na afloop van de termijn genoemd in art. 410 lid 1 Sv maar – zoals in het onderhavige geval – ruim voor de terechtzitting in hoger beroep door de appelrechter bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep buiten beschouwing wordt gelaten. Verdachte kon immers ook nog op de terechtzitting met bezwaren tegen het vonnis aankomen. Daarom, aldus Van Woensel, wordt pas ter terechtzitting duidelijk wat de stand van zaken is met betrekking tot de grieven en moeten zaken de facto altijd in volle omvang worden voorbereid.3

14. Tegen deze achtergrond moet het buiten beschouwing laten van de hiervoor in nr. 6 genoemde geschriften bij de beoordeling van de vraag of het beroep ontvankelijk is als nodeloos formalisme (“unduly formalistic”) worden beschouwd. Hier lijkt in de woorden van Buruma4 het soepel lopen van de vonnissenmachine de doorslag te hebben gegeven ten detrimente van de gerechtvaardigde belangen van de verdachte. Het oordeel van het Hof geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder van het begrip schriftuur als bedoeld in art. 416 lid 2 jo 410 lid 1 Sv.

15. Het middel is derhalve terecht voorgedragen. De vraag is of dit ook moet leiden tot vernietiging van het arrest van het Hof. Die vraag dient bevestigend te worden beantwoord. De geschriften van verdachte en advocaat strekken er immers toe dat het bewezenverklaarde onder opgave van redenen wordt ontkend. Als zodanig bevatten deze geschriften grieven tegen het beroepen vonnis, zodat deze zijn op te vatten als schriftuur houdende grieven tegen het vonnis.5

16. Het middel slaagt.

17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007, 626, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.4.1, 3.4.2.

2 De Minister tilde aan dit bezwaar minder: Kamerstukken II 2003-2004, 29 254, nr. 8, p. 6.

3 A.M. van Woensel, Stroomlijning: voor het bouwen, afbouwen en door timmeren, p. 25, in Stroomlijning van het hoger beroep in strafzaken, P.G. Wiewel en R.E. de Winter (red.), Prinsengrachtreeks 2007/1, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2007.

4 Y. Buruma, ‘Strafrechtelijke rechtsvorming’, Strafblad 2013, p. 10.

5 Vgl. HR 14 september 2010, LJN BM7489.