Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:66

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-06-2013
Datum publicatie
17-07-2013
Zaaknummer
11/03725
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:108, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/03725

Zitting: 11 juni 2013 (bij vervroeging)

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 12 juli 2011 verdachte wegens “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van twaalf maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bedoeld in art. 179 lid 6 WVW 1994.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaarde schuld niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

4.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“zij op 1 februari 2009 in de gemeente Haarlemmermeer als verkeersdeelneemster, namelijk als bestuurster van een motorrijtuig, personenauto, daarmede rijdende over de weg, de Driemerenweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft zij, verdachte, zeer, onvoorzichtig en onoplettend niet voortdurend de aandacht aan de weg en aan het verkeer besteed, immers is zij in een in die weg gelegen flauwe bocht (naar rechts) rechtdoor gereden en is zij (vervolgens) via een puntstuk (met een lengte van ongeveer 54 meter), op het weggedeelte bestemd voor het tegemoetkomend verkeer terecht gekomen, waarna en waardoor een aanrijding of botsing ontstond tussen de door haar bestuurde auto en een haar op die weg tegemoetkomende auto, waardoor de bestuurder van die tegemoetkomende auto genaamd [slachtoffer 1] werd gedood en zijn echtgenote [slachtoffer 2], die zich als inzittende in die auto bevond dusdanig werd verwond dat [slachtoffer 2] later (op 13 mei 2009) tengevolge van die verwondingen is overleden.”

4.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2011. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 1 februari 2009 reed in als bestuurder van mijn personenauto, een VW Golf, op de Drie Merenweg te Haarlemmermeer. Ik kende de verkeerssituatie ter plaatse.

2. Een proces-verbaal Verkeersongevals Analyse met nummer K09-012749 van 4 februari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten:

Op 1 februari 2009 stelden wij een onderzoek in naar de juiste toedracht van het hierna bedoelde verkeersongeval.

De bestuurster van voertuig 1 VW Golf, reed over de Drie Merenweg komende uit de richting van de Noordelijke Randweg en reed richting Nieuw Bennebroekerweg. Ten noorden van de kruising met de eerstgenoemde weg raakte zij op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer en botste tegen het haar tegemoetkomende voertuig 2 (Suzuki Alto).

Het ongeval had plaats op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Drie Merenweg, hierna te noemen N205, gelegen buiten enige bebouwde kom in de gemeente Haarlemmermeer. De N205 heeft zijn verloop van nagenoeg zuidwestelijke richting (rijrichting Noordelijke Randweg), zijnde de rijrichting van de WV Golf, in nagenoeg noordoostelijke richting (rijrichting Nieuwe Bennebroekerweg). Ter hoogte van de kruising met de Noordelijke Randweg bestaat de N205 uit twee rijbanen gescheiden door een grasberm (rijbaansplitsing). Op een afstand van ongeveer 270 meter noordelijk van genoemde kruising convergeren beide rijbanen tot een rijbaan, met een breedte van ongeveer 7,2 meter. Ter hoogte van het divergentiepunt splitst de dubbele doorgetrokken asstreep zich in twee kantstrepen. Vanaf dit divergentiepunt naar het begin van de middenberm is tussen de twee kantstrepen een wit driehoekig vlak aangebracht (puntstuk). Het puntstuk heeft een lengte van ongeveer 54,5 meter. Het ongeval vond plaats ter hoogte van het divergentiepunt.

De bestuurster van de VW Golf reed over de N205, komende vanuit de rijrichting Noordelijke Randweg en gaande in de rijrichting Nieuw Bennebroekerweg. Zij had bij de kruising met de Noordelijke Randweg stilgestaan voor rood licht. Zij was vanuit stilstand opgereden. Ongeveer tezelfder tijd naderde vanuit de rijrichting Nieuwe Bennebroekerweg de bestuurder van de Suzuki Alto. Op het moment dat de VW het divergentiepunt naderde is zij op de rijstrook voor tegemoetkomende verkeer terechtgekomen waar de Suzuki op dat moment in tegengestelde richting reed. De VW botste met de linkervoorzijde nagenoeg frontaal op de linker voorzijde van de Suzuki. Door de kracht van de botsing werd de bestuurder van de Suzuki vermoedelijk vrijwel op slag gedood en is de naast hem gezeten passagier zwaar gewond vervoerd naar het ziekenhuis. Gezien het verloop van de zuidoostelijke rijbaan van de N205 in de richting van het divergentiepunt, is het niet uigesloten dat de bestuurster dan de VW Golf, op het moment dat zij het punt bereikte waar zij weer naar rechts moet sturen om, gezien haar rijrichting, rechts van het divergentiepunt te blijven, rechtuit is blijven rijden.

Sporen op het wegdek. De ter plaatse aangetroffen sporen zijn weergegeven in de volgende foto's. De hierna gebruikte nummering correspondeert met de labelnummers op de foto. De beschrijving en de foto wordt als bijlage aan deze aanvulling gehecht.

3. Een proces-verbaal met nummer PL1236/09-012749 van 1 februari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] [dossier-pagina 4]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten:

Op 1 februari 2009 had er een aanrijding plaatsgevonden op de Drie Merenweg te Haarlemmermeer waarbij twee personenauto's betrokken waren. Een daarvan was een blauwe Suzuku Alto. De mannelijke inzittende, [slachtoffer 1], was dusdanig gewond geraakt dat hij daaraan was overleden. De vrouwelijke inzittende, [slachtoffer 2], was bij de aanrijding zwaar gewond geraak en overgebracht naar het ziekenhuis.

4. Een proces-verbaal met nummer PL1236/09-012749 van 3 februari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] [dossier-pagina 7]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

Op 1 februari 2009 heeft er op de N205 een ongeval plaatsgevonden met dodelijk letsel. Hierbij is de bestuurster van een personenauto, Volkswagen Golf, betrokken.

5. Een proces-verbaal met nummer PL1236/09-012749 van 1 februari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] [doorgenummerde pagina's 17 e.v.]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 1 februari 2009 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 1]:

Op 1 februari 2009 reed ik met mijn personenauto op de openbare weg de N205. Ik kwam uit de richting van Lisse en reed in de richting van Hoofddorp. Ter hoogte van het verkeerslicht bij de Noordelijk Randweg sorteerde ik voor, om rechtdoor de N205 verder te vervolgen richting Hoofddorp. Het verkeerslicht was op dat moment rood. Voor mij stond een blauwe personenauto van het merk Volkwagen, type Golf. Toen het verkeerslicht groen werd vervolgen wij beide onze weg. lk reed achter de blauwe Volkswagen Golf. Van het een op het andere moment zag ik deze blauwe Volkswagen Golf de rijstrook van het tegenliggende verkeer op rijden. Ik zag deze Volkswagen Golf over het witte puntstuk rijden. Ik zag dat de blauwe Volkswagen recht op een tegemoet komende personenauto afreed. Ik zag dat beide personenauto's elkaar raakten.

6. Een proces-verbaal met nummer PL1236/09-012749 van 1 februari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] [doorgenummerde pagina's 19 e.v.]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 1 februari 2009 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 2]:

Op 1 februari 2009 reed ik over de Drie Merenweg komende uit de richting van Hoofddorp en gaande in de richting van Nieuw Vennep. Ik reed in mijn auto en mijn vrouw [betrokkene] zat naast mij. Wij reden enkele tientallen meters achter een blauwe Suzuki Alto die voor ons in dezelfde richting reed. In tegengestelde richting kwamen er een aantal auto's aanrijden. De voorste auto van het rijtje, een blauwe Volkswagen, reed op het puntstuk ineens links het puntstuk op. Op het moment dat die Volkswagen over het puntstuk heen kwam passeerde die Suzuki Alto die voor mij reed de Volkswagen. Ik zag dat zij met elkaar in botsing kwamen.

7. Een kopie van een geschrift, zijnde een verslag betreffende een niet natuurlijke dood, d.d. 15 mei 2009, opgemaakt door K.T. Oen, lijkschouwer van de gemeente Haarlem. Dit verslag houdt voor zover van belang en zakelijk weergegeven in:

Op 13 mei 2009 is [slachtoffer 2] overleden tengevolge van complicaties ontstaan na een operatie in verband met hersenletsel bekomen bij een op 1 februari 2009 plaatsgevonden verkeersongeval.

8. Een geschrift, zijnde een verslag betreffende een niet natuurlijke dood, d.d. 1 februari 2009, opgemaakt door P.H. de Groot, lijkschouwer van de gemeente Haarlem en omstreken. Dit verslag houdt voor zover van belang en zakelijk weergegeven in:

Op 1 februari 2009 is [slachtoffer 1] overleden. Het slachtoffer had ernstig letsel aan de borstkas, linker arm- en been fracturen en een snijwond aan het voorhoofd bekomen door een auto-ongeval.”

4.4. Het Hof heeft ten aanzien van het bewijs voorts het volgende overwogen:

“Bewijsoverweging

Het hof is anders dan de raadsman van verdachte van oordeel dat de feitelijke toedracht van de aanrijding wel degelijk is vast te stellen. Met de rechtbank wijst het hof in dit verband op het sporenbeeld als aangegeven in genoemde Verkeersongeval Analyse in combinatie met de vermelde getuigenverklaringen.

Ten aanzien van het betoog van de raadsman dat de verkeersgedragingen van verdachte niet van dien aard zijn dat dit schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 oplevert, overweegt het hof als volgt.

Bij de beantwoording van de vraag of schuld in bovenbedoelde zin bewezen kan worden verklaard, moet evenals de rechtbank heeft overwogen, worden bezien of de aanrijding is veroorzaakt door zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend weggedrag van verdachte. Daarbij komt het aan op een beoordeling van bet geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de omstandigheden van het geval. In dat verband zal het hof hebben te beoordelen of verdachte tenminste in aanmerkelijke mate tekort is geschoten ten opzichte van de voorzichtigheid en de oplettendheid die van de gemiddelde voorzichtige en oplettende wegbestuurder mag worden verlangd in de situatie waarin verdachte zich bevond.

Het hof overweegt daartoe als volgt. Verdachte werd vlak voor de plaats van het ongeval geconfronteerd met de overgang van twee rijbanen met een grasberm ertussen naar één rijbaan, waarbij zij weer te maken kreeg met tegemoetkomend verkeer. Tevens maakt de weg ter hoogte van het convergentiepunt een flauwe bocht naar rechts. Volgens eigen verklaring was de verdachte bekend met deze verkeerssituatie. De verdachte heeft noch in de gaten gehad dat zij in plaats van met de flauwe bocht mee naar rechts te rijden rechtdoor is gereden over een doorgetrokken witte kantstreep het witte puntstuk op en daarover gedurende meerdere seconden heeft gereden, noch heeft zij opgemerkt dat zij opnieuw rijdend over een doorgetrokken witte kantstreep terecht was gekomen op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer en heeft zij ook niet opgemerkt dat op die rijbaan voor haar goed waarneembaar verkeer reed, terwijl zij dat wel behoorde te doen.

Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat verdachte zodanig langdurig niet heeft opgelet en niet de aandacht aan de weg en het verkeer heeft besteed, die indien zij dit wel had gedaan haar hadden genoopt tot het verrichten van corrigerende handelingen, dat zij in aanmerkelijke mate tekort is geschoten in de voorzichtigheid en oplettendheid die van haar mocht worden verlangd. Dat verdachte zich niets van het ongeval kan herinneren maakt dit niet anders.”

4.5. In cassatie kan slechts worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994, in het onderhavige geval het bewezenverklaarde zeer onvoorzichtig en onoplettend gedrag, uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van evenbedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.1

4.6. Het Hof heeft blijkens de bewijsvoering vastgesteld dat de verdachte langdurig niet heeft opgelet doordat zij in plaats van met de flauwe bocht mee naar rechts te rijden rechtdoor is gereden over een doorgetrokken witte kantstreep het witte puntstuk op, dat zij daarover gedurende meerdere seconden heeft gereden, dat zij opnieuw rijdend over een doorgetrokken witte kantstreep terecht is gekomen op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer, waarop voor haar goed waarneembaar verkeer reed en daar met een tegemoetkomende auto in botsing is gekomen.

4.7. De onderhavige zaak vertoont grote gelijkenis met HR 11 december 2012, LJN BY4835, NJ 2013/32, waarin de Hoge Raad over vergelijkbaar verkeersgedrag2 oordeelde dat het in beginsel de gevolgtrekking kan dragen dat de verdachte zich aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte als bedoeld in art. 6 WVW 1994 te wijten is. Daaraan voegde de Hoge Raad toe dat dit in concreto evenwel anders kan zijn indien omstandigheden aannemelijk zijn geworden – bijvoorbeeld dat de verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde – waaruit volgt dat van schuld in vorenbedoelde zin niet kan worden gesproken.

5. Een verschil met HR 11 december 2012, LJN BY4835, NJ 2013/32 is dat het Hof in onderhavige zaak de mogelijkheid van een black-out niet expliciet verwerpt. Daar staat echter tegenover dat daar in de onderhavige zaak ook niet echt een beroep op is gedaan. Waar de verdediging in genoemde zaak het verweer voerde dat het bijna niet anders kan zijn dan dat sprake is geweest van een tijdelijk bewustzijnsverlies van de verdachte, heeft de verdediging in de onderhavige zaak een black-out slechts als mogelijkheid geopperd in het kader van haar betoog dat de oorzaak van het ongeval niet valt vast te stellen, hetgeen volgens de verdediging tot vrijspraak diende te leiden.

5.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de feitelijke toedracht van de aanrijding wel degelijk is vast te stellen. In ’s Hofs overwegingen ligt aldus besloten dat het een black-out niet aannemelijk heeft geacht. Gelet op het gevoerde verweer behoefde het Hof dat niet nader te motiveren.

6. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 HR 11 december 2012, LJN BY4835, NJ 2013/32; HR 1 juni 2004, LJN AO5822, NJ 2005/252.

2 Het Hof had in die zaak vastgesteld dat de verdachte gedurende langere tijd dan een enkel kort moment onoplettend was geweest doordat hij als bestuurder van een personenauto, rijdend met een snelheid van ongeveer 80 km per uur op een tweebaansweg, in een flauwe bocht niet met de bocht mee, maar rechtdoor is gereden en vervolgens de dubbele doorgetrokken streep op de as van de weg met zijn gehele auto heeft overschreden en daar met de rechter voorzijde van zijn auto met een tegenligger in botsing is gekomen.