Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:654

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-05-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
11/04375
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:962
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 6 en 175 WVW 1994. Schuld in de zin van roekeloosheid. De HR herhaalt de toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2012:BU2016. Bij de toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen, waarbij de HR slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid kan verschaffen omtrent de inhoud van het begrip roekeloosheid, kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid a.b.i. art. 175.2 WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" - in de betekenis van "onberaden" - wordt verstaan. Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid a.b.i. art. 175.2 WVW 1994, zal de rechter zodanige f&o moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. In dit verband volstaat doorgaans niet de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175.3 WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen. In het licht van het voorgaande schiet de bewijsvoering van het hof tekort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/04375

Mr. Harteveld

Zitting 21 mei 2013 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 14 september 2011 de verdachte ter zake van 1. “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood” en 2. “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht” veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Het hof heeft voorts aan de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van 5 jaren en ter zake van feit 3 de straf bepaald op 1 week gevangenisstraf. Het arrest bevat tenslotte beslissingen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen, een en ander als in het arrest vermeld.



2. Mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat te Maastricht, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van zowel feit 1 als feit 2, voor zover inhoudend dat verzoeker als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets) zich roekeloos heeft gedragen, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.

3.2 De tenlastelegging van beide feiten is toegesneden op art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring van zowel feit 1 subsidiair als feit 2 subsidiair voorkomende term ‘roekeloos’ moet derhalve geacht worden te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 175, tweede lid aanhef en onder b, WVW 1994.

3.3. Ten laste van de verdachte is onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaard dat:

“1. hij op 27 juli 2008 te Klimmen, in de gemeente Voerendaal, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets), daarmede rijdende over de weg, de Klimmenderstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer 1], werd gedood, welke bovenbedoelde gedraging roekeloos was en hieruit heeft bestaan dat hij, verdachte, rijdende over die Klimmenderstraat, bij nadering van de splitsing van die weg en de weg, de Achtbunderstraat, met een snelheid van ongeveer 126 kilometer per uur, in elk geval met een (veel) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, meerdere over de rechterrijstrook van die Klimmenderstraat rijdende motorrijtuigen links van een in die weg gelegen, door bord D2 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 aangegeven, middengeleider, over de linkerrijstrook van die Klimmenderstraat is gaan inhalen, zulks op het moment dat de bestuurster van een over die rechterrijstrook van die Klimmenderstraat rijdend motorrijtuig (personenauto) doende was op voornoemde splitsing naar links af te slaan in de richting van die Achtbunderstraat, en zich daartoe (gedeeltelijk) op de linkerrijstrook van die Klimmenderstraat bevond, waardoor vervolgens een botsing is ontstaan tussen zijn, verdachtes, motorrijtuig (motorfiets) en dat ander (afslaand) motorrijtuig (personenauto);

2. hij op 27 juli 2008, te Klimmen, in de gemeente Voerendaal, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets), daarmede rijdende over de weg, de Klimmenderstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten meerdere snijwonden in het gelaat en botletsel aan de linker onderarm en beschadiging van het hoornvlies, welke bovenbedoelde gedraging roekeloos was en hieruit heeft bestaan dat hij, verdachte, rijdende over die Klimmenderstraat, bij nadering van de splitsing van die weg en de weg, de Achtbunderstraat, met een snelheid van ongeveer 126 kilometer per uur, in elk geval met een (veel) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, meerdere over de rechterrijstrook van die Klimmenderstraat rijdende motorrijtuigen, links van een in die weg gelegen, door bord D2 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 aangegeven, middengeleider, over de linkerrijstrook van die Klimmenderstraat is gaan inhalen, zulks op het moment dat de bestuurster van een over die rechterrijstrook van die Klimmenderstraat rijdend motorrijtuig (personenauto) doende was op voornoemde splitsing naar links af te slaan in de richting van die Achtbunderstraat, en zich daartoe (gedeeltelijk) op de linkerrijstrook van die Klimmenderstraat bevond, waardoor vervolgens een botsing is ontstaan tussen zijn, verdachtes, motorrijtuig (motorfiets) en dat ander (afslaand) motorrijtuig (personenauto), waarin [slachtoffer 2] voornoemd als passagiere was gezeten.”

3.4. Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:

“1. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep', voor zover – zakelijk weergegeven - inhoudende:

Ik heb op 27 juli 2008 als bestuurder op een motor over de Klimmenderstraat in Klimmen gereden, waarbij een ongeval heeft plaatsgevonden. Ik wilde een aantal auto's links inhalen, over de andere weghelft. Toen zag ik ineens een auto linksaf slaan.

Het kan best zo zijn dat ik bij het inhalen van de auto's reed met een snelheid van ongeveer 126 km p/u. Ik reed voor het eerst met een motor over de Klimmenderstraat. Ik kende die weg niet zo goed. Ik heb geen autorijbewijs of motorrijbewijs. De motor was een 1200cc. Dat is een zware motor. Ik heb gas gegeven en ben naar links gegaan. Ik had nog nooit op zo'n zware motor gereden en ik had niet verwacht dat de motor zo snel zou optrekken.

2. Het ambtsedig proces-verbaal van aanhouding, dossierpagina's 20-21, opgemaakt en op 27 juli 2008 ondertekend door [verbalisant 1] (hoofdagent) en [verbalisant 2] (hoofdagent), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Op 27 juli 2008 omstreeks 14.20 uur hebben wij op de Klimmenderstraat te Klimmen, binnen de gemeente Voerendaal, aangehouden:

Naam: [verdachte]

Voornamen: [voornamen]

Geboren te: [geboorteplaats]

Geboren op: [geboortedatum]/1979

Wij reden over de Klimmenderstraat. Ter hoogte van het kruispunt met de Achtbunderstraat zagen wij dat in de Achtbunderstraat midden op de rijbaan een tweetal personen op het wegdek lag en daarvoor een motor. Wij zagen dat verderop in de Achtbunderstraat een personenauto stil stond. Wij zagen dat in de personenauto twee vrouwen zaten die ernstig gewond waren. Wij zagen dat de bestuurster er slecht aan toe was en enige minuten nadat wij ter plaatse waren overleed de bestuurster.

3. (…)

4. Het ambtsedig proces-ver baal Verkeersongevalanalyse, inclusief bijbehorende fotomappen, dossierpagina's 152-236, opgemaakt en op 18 januari 2009 ondertekend door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (brigadiers van politie en werkzaam als ongevalanalisten), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

(pag. 156)

Ad 2. De bestuurster van de personenauto sloeg linksaf. De bestuurder van de motorfiets die haar van links achteren naderde en over de linkerrijstrook meerdere auto's inhaalde en voorbij reed, botste tegen de linkerflank van de personenauto.

Ad 4. Uit het onderzoek bleek dat de bestuurder van de motorfiets kort voor de botsplaats (ongeveer 70 m) met een snelheid van 126 km/h reed. De ter plaatse toegestane snelheid is 50 km/h.

Ad 6. De bestuurster van de bij de aanrijding betrokken personenauto reed over de Klimmenderstraat. Zij was voornemens om op de Klimmenderstraat bij de T-kruising met de Achtbunderstraat linksaf te slaan en de Achtbunderstraat in te rijden. De bestuurster gaf op de Klimmenderstraat minstens 110 m voor de T-kruising met de Achtbunderstraat dat zij voornemens was om linksaf te willen rijden. Nagenoeg direct achter deze bestuurster reden drie personenauto's. De bestuurder van de betrokken motorfiets reed eveneens over de Klimmenderstraat. Hij reed op de voor hem linkerrijstrook van de Klimmenderstraat, het weggedeelte bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer, met zeer hoge snelheid. Hierbij haalde hij over de voor hem linkerrijstrook in ieder geval drie personenauto's in, die achter de bij de aanrijding betrokken bestuurster van de personenauto over de Klimmenderstraat reden. Hij reed hierbij een verhoogde middengeleiding, welke is gelegen kort voor de voornoemde T-kruising, links voorbij. Op deze middengeleiding is een verkeersbord geplaatst dat de middengeleiding aan de rechterzijde voorbij gereden dient te worden. Op het moment dat de bestuurster van de personenauto bij de T-kruising van de Klimmenderstraat met de Achtbunderstraat linksaf sloeg botste de bestuurder van de motorfiets met de voorzijde in de linkerflank van de personenauto. De bestuurder van de motorfiets had de aanrijding kunnen voorkomen. De bestuurster van de personenauto had de aanrijding niet kunnen voorkomen.

(pag. 157)

Op de verhoogde middengeleiding, die is gelegen voor de onderhavige T-kruising, zijn verkeersborden geplaatst overeenkomstig model D2 van de Bijlage 1 van het RVV (hof begrijpt: Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens) 1990.

(pag. 167)

Uit de beelden is de snelheid van de motorfiets bepaald over een traject van ca. 19 meter. De gemiddelde snelheid bedroeg 126 km/h met een marge naar boven of beneden van 4 km/h.

5.Het ambtsedig proces-verbaal van het getuigenverhoor van [slachtoffer 2], dossierpagina's 127-128, opgemaakt en op 14 augustus 2008 ondertekend door [verbalisant 1] (hoofdagent), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Op 27 juli 2008 ben ik met mijn schoonzus [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]) in haar personenauto gestapt. Zij stapte in aan de bestuurderskant en ik aan de bijrijderskant. We reden over de doorgaande weg van Klimmen en wilden linksaf slaan. Ik hoorde en voelde een ontzettende klap. Ik zag dat er glas door de auto vloog. Ik ben naar het ziekenhuis in Maastricht gebracht.

(…)”

3.5.1. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 22 mei 2012, LJN BU2016, NJ 2012, 488 (m. nt. F.W. Bleichrodt) het volgende overwogen ten aanzien van de schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 en de schuldvorm ‘roekeloosheid’:

“3. Wettelijk kader

3.1. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.

- Art. 6 Wegenverkeerswet 1994 (verder: WVW 1994):

"Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat."

- Art. 175 WVW 1994:

"1. Overtreding van artikel 6 wordt gestraft met:

a. gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

b. gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

2. Indien de schuld bestaat in roekeloosheid, wordt overtreding van artikel 6 gestraft met:

a. gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

b. gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

3. Indien de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde of vierde lid, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel, gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid, of indien het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, dan wel zeer dicht achter een ander voertuig is gaan rijden, geen voorrang heeft verleend of gevaarlijk heeft ingehaald kunnen de in het eerste en tweede lid bepaalde gevangenisstraffen met de helft worden verhoogd."

3.2. Het tweede lid van art. 175 WVW 1994 is ingevoerd bij de op 1 oktober 2006 in werking getreden wet van 28 juni 2006, Stb. 322 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima. De memorie van toelichting bij het desbetreffende wetsvoorstel houdt onder meer het volgende in:

"4.3 schuld die bestaat in roekeloosheid

Bij de benadering die in het onderhavige wetsvoorstel is gekozen om de strafmaxima van artikel 175 Wegenverkeerswet 1994 en die van het Wetboek van Strafrecht meer met elkaar in overeenstemming te brengen, is teruggegrepen op de strekking van de wet waarmee de hoge straffen in artikel 175 Wegenverkeerswet 1994 zijn ingevoerd. Zoals blijkt uit onder meer de considerans van deze wet, is met deze strafmaatverhogingen beoogd het optreden tegen ernstige vormen van roekeloos rijgedrag te bevorderen. In dat verband zijn aan de rechter meer mogelijkheden gegeven om bij fataal gevolg of lichamelijk letsel in de strafmaat rekening te houden met het bij familieleden, vrienden en kennissen van het slachtoffer teweeggebrachte leed en met de in de samenleving ontstane onrust. Ook is met de wetswijziging tot uitdrukking gebracht dat onverantwoordelijk rijgedrag in de huidige tijd zwaar wordt aangerekend. Gelet op de intensiteit van het verkeer en het vertrouwen waarmee men aan dat verkeer moet kunnen deelnemen, rust er een grote verantwoordelijkheid op verkeersdeelnemers om de veiligheid van het verkeer niet in gevaar te brengen, aldus de wetgever."

(vgl. Kamerstukken II 1995/96, 24 112, nr. 5, p. 3)

(...)

Aansluitend bij de strekking van de wetswijziging uit 1998, die de regering onverminderd onderschrijft, wordt in het onderhavige wetsvoorstel voorgesteld om de zwaarste vorm van het culpose delict - dat is die waarbij de schuld bestaat in roekeloosheid - van een afzonderlijk strafmaximum te voorzien.

(...)

Zoals gezegd wordt met de invoering van een afzonderlijk strafmaximum voor roekeloosheid beoogd een adequate bestraffing mogelijk te maken in alle gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico's zijn genomen. Roekeloosheid vereist daarmee niet slechts een aanmerkelijke onvoorzichtigheid, maar een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid. Het gaat, anders gezegd, binnen de grenzen van het culpose delict, om het zwaarste verwijt dat iemand kan worden gemaakt."

(Kamerstukken II, 2001-2002, 28 484, nr. 3, p. 10-12)

4. Beoordeling van het derde middel

4.1. Het middel keert zich tegen het oordeel van het Hof dat te dezen sprake is van schuld in de vorm van roekeloosheid.

4.2. De tenlastelegging van feit 1 primair is toegesneden op art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term "roekeloos" moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 175, tweede lid aanhef en onder b, WVW 1994.

4.3.1. Ingevolge bestendige rechtspraak kan in cassatie slechts worden onderzocht of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (vgl. HR 1 juni 2004, LJN A05822, NJ 2005/252).

4.3.2. Voor de schuldvorm "roekeloosheid" geldt op zichzelf hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis als "de zwaarste vorm van het culpose delict" wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. Dat geldt ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in art. 175, derde lid, WVW 1994 omschreven gedragingen, nu die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het ingevolge het tweede lid van dat artikel voor roekeloosheid geldende strafmaximum.

4.4. In het licht van het voorafgaande schiet de motivering van het Hof tekort. De door het Hof genoemde omstandigheden dat de verdachte 's nachts op een vrij smalle, onverlichte weg buiten de bebouwde kom met onbelemmerd uitzicht aanmerkelijk sneller heeft gereden dan ter plaatse was toegestaan en met onverminderde snelheid tegen een voor hem op die weg rijdende bromfietster is gebotst, en voorts dat hij ondanks een waarschuwing van zijn moeder was gaan rijden terwijl hij 'opgefokt' was en alcoholhoudende drank had gedronken, zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte - zoals hem onder 1 primair eveneens is tenlastegelegd - "zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig, onachtzaam" heeft gereden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat de verdachte "roekeloos" in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994 heeft gereden. Zonder nadere motivering valt voorts niet in te zien hoe de door het Hof in zijn nadere bewijsoverweging genoemde recidive van de verdachte aan de bewezenverklaarde roekeloosheid van diens rijgedrag heeft bijgedragen.

4.5. Het middel is gegrond.”

3.5.2. De Hoge Raad heeft de dragende overwegingen van dit arrest daarna in een tweetal zaken herhaald en eveneens gecasseerd vanwege een ontoereikende motivering van de bewezenverklaarde roekeloosheid.1 In één zaak (het in noot 1 genoemde arrest NJ 2012/489) had het hof vastgesteld dat het ging om een taxichauffeur die ’s nachts op een nat wegdek met onbelemmerd zicht met een veel te hoge snelheid en zonder ontheffing had gereden op de trambaan, waarbij de verdachte op de hoogte was van de aldaar geldende maximumsnelheid en van het gevaar van de langere remweg op de tramrails, en verdachte de voetganger had gezien maar had gedacht dat deze een andere kant op zou gaan, en vervolgens die voetganger had aangereden ter hoogte van een voetgangersoversteekplaats. In het ook in noot 1 genoemde arrest NJ 2013/16 had het hof vastgesteld dat de verdachte de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig had verloren, doordat hij na het gebruik van alcoholhoudende drank met een snelheid die mogelijk boven de 188 km per uur heeft gelegen, althans met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse geldende advies- en maximumsnelheid, door de bocht naar links had gereden, terwijl hij in gesprek was met zijn passagier en zich daarbij regelmatig tot die passagier wendde zonder volledig op de weg te zijn geconcentreerd. In beide gevallen had het hof wel een nadere motivering gewijd aan de bewezenverklaarde roekeloosheid waarin genoemde omstandigheden werden aangehaald, maar die motivering was dus niet voldoende, vond de Hoge Raad.

3.5.3 Door de genoemde drie arresten van de Hoge Raad bestaat inmiddels breed de notie dat de feitenrechter ‘niet te gemakkelijk’ roekeloosheid mag aannemen maar een nadere invulling en afgrenzing van de roekeloosheid is nog niet overtuigend in beeld gekomen.

3.5.4 De Hoge Raad citeert in zijn eerste op de roekeloosheid betrekking hebbende arrest – zoals hierboven integraal is weergegeven - uitgebreid uit de wetsgeschiedenis, maar vooral om het systematische verband binnen art. 175 WVW 1994 te duiden. Uit de overwegingen van de Hoge Raad blijkt van een aantal (logische) conclusies: 1) roekeloosheid is een vorm van het algemene begrip schuld (culpa) zoals dat voorkomt in art. 6 WVW 1994. Het betreft dus geen ‘Mittelstufe’ oftewel een tussenvorm, gelegen tussen opzet en schuld. 2) roekeloosheid is de zwaarste vorm binnen het verzamelbegrip schuld en wel ‘zwaarder’ dan “zeer (…) onoplettend, onvoorzichtig, onachtzaam”. 3) het vóórkomen van de in art. 175 lid 3 genoemde verkeersgedragingen – ernstige overschrijding van de maximumsnelheid, ‘kleven’, geen voorrang verlenen, gevaarlijk inhalen – levert niet zonder meer roekeloosheid op.2 De aldus aangetroffen systematiek wordt vervolgens in verbinding gebracht met (naar ik vermoed) zekere rechtsbeginselen, in de sfeer van legaliteit en rechtszekerheid, want de Hoge Raad verwijst (“mede”) naar de (fors) straf verhogende effecten van eerst al de roekeloosheid en voorts de, daarboven op komende, verkeersgedragingen van art. 175 lid 3 WVW 1994. Het een en het ander brengt met zich mee, aldus de Hoge Raad, dat aan de vaststelling van roekeloosheid bepaaldelijk eisen moeten worden gesteld, hetgeen zich (processueel) oplost in de plicht voor de rechter om – in voorkomende gevallen – daaraan nadere aandacht te geven in de motivering van de bewezenverklaring.

3.5.5 Over dat processuele aspect later meer, maar eerst besteed ik enige aandacht aan de materieelrechtelijke kant van de zaak. Voor een verdere invulling van roekeloosheid biedt de tot nu toe aangereikte opvatting van de Hoge Raad namelijk niet al te veel houvast. Ik zal proberen aan de hand van enkele gangbare interpretatiemethoden tenminste een aanzet te verkrijgen van wat – tegen de achtergrond van wat de Hoge Raad heeft prijsgegeven over zijn opvatting - onder roekeloos(heid) in art. 175 WVW 1994 kan worden verstaan.

3.5.6 De wetsgeschiedenis voor zover die slaat op de introductie van het begrip roekeloosheid in het verkeersstrafrecht is helaas weinig consistent: In zijn noot onder NJ 2012, 488 wijst Bleichrodt op passages uit de parlementaire behandeling geschiedenis die ons weinig verder brengen, zoals de opmerking dat veel te hard rijden of onder invloed rijden al snel roekeloosheid oplevert. Het volgen van die lijn zou het onderscheidend vermogen van de roekeloosheid wel erg ondermijnen3 en die uitkomst strookt ook niet met het door de Hoge Raad aangeduide systematische verband binnen art. 175 WVW 1994. In literatuur en lagere rechtspraak wordt veelal4 wel de passage geciteerd waarin roekeloosheid is omschreven als: “zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s worden genomen” (Kamerstukken II 2001-2002, 28 484, nr. 3 (MvT), p. 10). Daarmee lijkt de roekeloosheid in de sfeer van de bewuste schuld te worden gebracht, en doet zich ook (meteen) de vraag voor naar de afgrenzing van roekeloosheid met opzet. Met een wat bredere, rechtshistorische blik bezien is daar ook wel een verband: Vanaf de jaren negentig ontstond een roep om strengere straffen voor de ernstigste gevallen van dood door schuld in het verkeer, er werd zodoende ook meer vervolgd voor ‘doodslag’ in het verkeer, hetgeen leidde tot het zgn. “Porsche”-arrest5 – waarin de HR het opzetbegrip in het verkeer afgrensde - en de introductie van de roekeloosheid sloot daar in zekere zin bij aan.

3.5.7 Tegelijk met de roekeloosheid in het verkeer is de roekeloosheid als strafverzwarende omstandigheid in het Wetboek van Strafrecht terechtgekomen, via de Wet herijking strafmaxima.6 Uiteraard gaat het dan ook om culpoze delicten, met als oervorm de artt. 307 en 308 Sr, het veroorzaken van resp. dood en zwaar lichamelijk letsel door schuld.7 Voor de uitleg van het begrip roekeloos biedt dat op het punt van de wetsgeschiedenis weinig houvast, omdat die grotendeels hetzelfde is. Richtinggevende jurisprudentie over dat (strafverzwarend) begrip trof ik niet aan. In de literatuur vond ik de volgende passage uit het handboek van Noyon-Langemeijer-Remmelink, ad art. 307 (aant. 5):

“Hoewel inderdaad gezegd kan worden dat ook thans de roekeloosheid onderdeel uitmaakt van de culpa doet de introductie van het begrip in een aantal strafbepalingen toch enige vragen rijzen. Omdat in de wetsgeschiedenis zo nadrukkelijk wordt gesteld dat het gaat om het bewust nemen van onaanvaardbare risico's lijkt de uitdrukking 'roekeloosheid' te zijn voorbehouden aan de bewuste schuld. Zo een uitleg zou evenwel een verschraling en onnodige beperking betekenen. Ook van onbewuste schuld zijn voorbeelden te bedenken die zeer kwalijk en ergerlijk zijn. Een volgende kwestie is de afgrenzing van het voorwaardelijk opzet. Omdat de wetsgeschiedenis de roekeloosheid wel omschrijft als welbewust een onaanvaardbaar groot risico nemen kan men de vraag opwerpen of hier de aanmerkelijke kans bedoeld is die ook het voorwaardelijk opzet kenmerkt. Het komt mij voor dat ook dit een ongewenste insnoering zou betekenen. Uit de geschiedenis van de nieuwe wet blijkt wel dat de wetgever aan de rechter de vrijheid heeft willen laten om het begrip roekeloosheid nader in te vullen. Ik neem daarom aan dat de rechter zich niet in een keurslijf geperst behoeft te voelen”.

Duidelijk is dat de bewerker van het handboek enige afstand neemt van de uit de wetsgeschiedenis te destilleren ‘definitie’ van roekeloosheid. Het betreft dan de eis van de ‘bewuste’ schuld en het onderscheid ten opzichte van opzet, ten aanzien van de aanmerkelijke kans op een onaanvaardbaar gevolg, Al iets van een eigen opvatting etalerend meen ik dat met name de vraag naar de zin van de koppeling van roekeloosheid aan het begrip bewuste schuld terecht wordt opgeworpen. Dat komt omdat het onderscheid tussen bewuste en onbewuste schuld uiteindelijk nogal diffuus is.8 Maar heel zelden gaat het bij culpoos handelen in het verkeer om één enkel aspect van een verkeerssituatie, waarvan de verkeersdeelnemer zich óf wel óf niet bewust was. Neem als voorbeeld dat van de (op de snelweg) kaartlezende automobilist, die doordat hij zijn aandacht niet op het zich voor hem bevindende verkeer heeft gericht op een file inrijdt, met dodelijke gevolgen. De file heeft hij niet gezien, maar is dat dan onbewuste schuld? Waarop heeft de onbewustheid betrekking: op de verkeerssituatie of de bewustheid van de mogelijk gevolgen van het gedrag? Voor mij is het in ieder geval de vraag of bij roekeloosheid de bewustheid van de risico’s een constitutief vereiste zou moeten zijn. Het lijkt mij vooralsnog dat ook het ‘zo maar wat doen’ in het verkeer roekeloos genoemd zou kunnen worden. Een voorbeeld: de automobilist die op de snelweg de afrit die hij moet hebben voorbijrijdt en na zijn vergissing te hebben bemerkt omdraait en aldus, ‘spookrijdend’, tegen het verkeer in alsnog zijn bestemming wil bereiken maar intussen een dodelijk ongeval veroorzaakt. Voor mij zou dan - als het de vaststelling van roekeloosheid betreft - niet beslissend zijn of de automobilist de vraag van de rechter of hij zich wel gerealiseerd heeft dat zó rijden ‘heel erg gevaarlijk is’ met ja beantwoordt. Ik wijs er daarnaast op dat de Hoge Raad het begrippenpaar bewuste en onbewuste schuld ook niet hanteert. Bij schuld - en voor roekeloosheid geldt hetzelfde - komt het aan “op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.”

3.5.8 Een taalkundige verkenning levert het volgende op. Volgens Van Dale9 betekent roekeloos: “zonder zorg mbt. de gevolgen van een handeling of het daaraan verbonden gevaar, zeer onbezonnen.”10 Deze taalkundige ‘definitie’ bevat wat mij betreft ook zinvolle aanknopingspunten voor het strafrechtelijke begrip. Waar bij schuld (culpa) nogal eens in termen van voorzorg wordt gedacht11, en het handelen in strijd daarmee als onvoorzichtig wordt omschreven, kan men bij roekeloosheid dat onderliggende begrip in versterkte mate herkennen: het gaat niet om handelen met onvoldoende (voor)zorg, maar om het (geheel) ontbreken van zorg. Dichterbij het woord roekeloos blijvend: het zich niet geven van rekenschap omtrent de gevolgen van zijn handelen. Het handelen is als het ware ‘ongeremd’. In zijn noot bij HR NJ 2012, 489 duidt Bleichrodt het roekeloos handelen aan als ‘doldriest’. Dat ligt in dezelfde lijn, maar dekt de lading wat mij betreft niet helemaal. Evident is dat bij een strafrechtelijke ‘vertaling’ het begrip roekeloosheid in beginsel een negatieve lading verkrijgt die verbonden is met de achterliggende norm. Simpel gezegd: de roekeloze soldaat kan wellicht (desnoods postuum) een medaille krijgen voor betoonde moed, maar de roekeloze automobilist riskeert de gevangenis.

3.5.9. Nog iets dichter komend bij een eigen opvatting over roekeloosheid meen ik dat ook wel iets gezegd kan worden over de verhouding van roekeloosheid tot het voorwaardelijk opzet, dus het welbewust of willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg. Gezegd zou kunnen worden dat gelet op de omschrijving van roekeloosheid die uit de wetsgeschiedenis blijkt (zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen aanmerkelijke risico’s worden genomen) ‘eigenlijk’ sprake is van voorwaardelijk opzet, en aldus voor de roekeloosheid een klein domein is weggelegd, namelijk bestaande uit die gevallen waarin weliswaar naar uiterlijke verschijningsvorm voorwaardelijk opzet aanwezig lijkt te zijn, maar dit door contra-indicaties uiteindelijk niet aangenomen kan worden. Dat is meer specifiek de situatie uit het Porsche-arrest, dat hierboven al even werd genoemd. Niettemin lijkt mij de roekeloosheid een ruimer begrip. In de gehanteerde omschrijving lezen wij het nemen van risico’s en dat is niet zonder meer het aanvaarden van de aanmerkelijke kans op een (fataal) gevolg. Vervolgens is het de vraag wat de functie is van de ‘bewustheid’ in deze omschrijving: is inderdaad bedoeld de bewustheid van het mogelijke gevolg uit te drukken of zou het - binnen de context van de culpa – ook de verwijtbaarheid kunnen betreffen? Dan is uiteindelijk geen sprake van een (positief) vast te stellen vereiste, maar is slechts een afgrenzing met straffeloosheid door niet-verwijtbaar ontbreken van bewustheid aangegeven, een omstandigheid die, als we een en ander binnen het strafproces trekken, door de verdediging zal moeten worden aangevoerd. Toegegeven moet worden dat deze lezing iets geforceerd aandoet, maar men zal in de Tweede Kamer nu eenmaal niet - dogmatisch gezien - op elke slak evenveel zout leggen.

3.5.10 Samengevat zou ik menen dat onder roekeloosheid kan worden verstaan dat verkeersgedrag, dat zich kenmerkt door het ontbreken van elke vorm van voorzichtigheid, waarbij de verkeersdeelnemer (meestal de bestuurder van een motorrijtuig) kennelijk zonder enige remming door of besef van de onaanvaardbare risico’s van zijn gedrag op zeer gevaarlijke wijze aan het verkeer deelneemt. Daarmee staat hij dus zozeer ver af van het te verwachten min of meer normale verkeersgedrag, waarbij als bekend wel vaker normen worden overtreden (en soms in aanzienlijke mate), dat een strafverzwaring ten opzichte van de ‘gewone’ schuld gerechtvaardigd is, gelet op de evidente gevaarzetting voor het verkeer. Ik zou haast zeggen: het betreft gemeengevaarlijk gedrag.

3.5.11 Tot slot van deze meer algemene beschouwing, iets over de ‘samenloop’ van roekeloosheid met de strafverzwarende omstandigheden van lid 3 van art. 175 WVW 1994. Op zichzelf leveren deze gelet op de opbouw van art. 175 WVW 1994 niet zonder meer roekeloosheid op, Dat spreekt uiteraard voor zich bij het weigeren van het alcoholonderzoek – slechts het achterliggende drankgebruik kan een factor zijn. Net zo de ernstige overschrijding van de maximumsnelheid: het zal altijd afhangen van de verkeerssituatie in al zijn facetten of de snelheidsoverschrijding een onderdeel uitmaakt van de roekeloosheid. Anderzijds sluit uiteraard het vóórkomen van een van deze strafverzwarende omstandigheden de roekeloosheid begripsmatig niet uit. Een en ander roept wel de verplichting op voor de feitenrechter om er van blijk te geven hoe en in welke mate die specifiek in lid 3 genoemde gedragingen zich verhouden tot de roekeloosheid. Dat vergt dus een extra duiding. Iets anders is dat een cumulatie van de genoemde omstandigheden heel goed de roekeloosheid ‘dichterbij’ kan brengen. Bijvoorbeeld: het, zwaar onder invloed van alcohol (of andere ‘middelen’ uit art. 8 WVW 1994), in ernstige mate overschrijden van de maximumsnelheid, gepaard gaand met gevaarlijk inhalen kán duiden op roekeloosheid. In het al eerder genoemde arrest NJ 2013,16 had het hof vastgesteld dat de verdachte de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig had verloren, doordat hij na het gebruik van alcoholhoudende drank met een snelheid die mogelijk boven de 188 km per uur heeft gelegen, althans met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse geldende advies- en maximumsnelheid, door de bocht naar links had gereden, terwijl hij in gesprek was met zijn passagier en zich daarbij regelmatig tot die passagier wendde zonder volledig op de weg te zijn geconcentreerd. Die door het hof zo weergegeven wijze van rijden leverde voor de Hoge Raad niet zonder meer roekeloosheid op. De feitenrechter zal dus, lijkt mij, meer uitleg moeten geven aan de gehele verkeerssituatie, de rol van de overschrijding van de maximumsnelheid daarbinnen en ook meer aandacht moeten besteden aan de effecten van het drankgebruik op het (verkeers)gedrag. De conclusie zou dan kúnnen zijn dat de bestuurder zonder enige remming door of besef van de onaanvaardbare risico’s van zijn gedrag op zeer gevaarlijke wijze aan het verkeer aldaar heeft deelgenomen.

3.6 Terug naar de thans aan de orde zijnde zaak. In het onderhavige geval heeft het hof niet nader gemotiveerd waarom het gedrag van de verdachte als roekeloos moet worden aangemerkt, maar heeft het volstaan met de bewezenverklaring en een weergave van (de inhoud van) de gebezigde bewijsmiddelen. Gelet op de hiervoor weergegeven jurisprudentie lijkt het middel reeds daarom kans van slagen te hebben. In dit geval heeft het hof mijns inziens echter kunnen oordelen dat geen sprake was van een ‘voorkomend geval’ waarin de rechter gehouden was om daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. Ik stel in dit verband voorop dat het als gezegd ook bij de bewezenverklaring van roekeloosheid aankomt op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, en dat zolang is voldaan aan de eis dat de tenlastelegging voldoende feitelijke betekenis heeft, het niet noodzakelijk is dat al deze omstandigheden in de tenlastelegging zijn opgenomen.12 Deze omstandigheden kunnen dus bijvoorbeeld ook worden ontleend aan de gebezigde bewijsmiddelen. In het onderhavige geval kan uit die gebezigde bewijsmiddelen zonder meer volgen dat sprake is geweest van roekeloos rijgedrag. Deze houden immers onder meer in i) dat de verdachte op een 1200 cc motor over de andere weghelft en langs de verkeerde kant van een verhoogde middengeleiding, een aantal auto’s links wilde inhalen toen hij opeens een auto linksaf zag slaan, ii) dat hij op dat moment 126 kilometer per uur reed terwijl de ter plaatse toegestane snelheid 50 kilometer per uur is, iii) dat de verdachte heeft verklaard dat hij voor het eerst op zo’n zware motor reed en niet had verwacht dat de motor zo snel zou optrekken, en dat hij de weg niet zo goed kende, en iv) dat hij geen auto- of motorrijbewijs had. Het hof heeft daarnaast in de strafmotivering nog overwogen dat de verdachte door zijn hoge snelheid niet meer in staat was om tijdig te stoppen en dat hij niet heeft opgemerkt dat [slachtoffer 1] ongeveer 100 meter voor het afslaan al de richtingaanwijzer naar links had aangezet. Uit een en ander heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte zonder enige remming door of besef van de onaanvaardbare risico’s van zijn gedrag op zeer gevaarlijke wijze aan het verkeer aldaar heeft deelgenomen.

Ook bij hantering van de in de literatuur, aan de wetsgeschiedenis ontleende omschrijving is het resultaat mijns inziens hetzelfde: het hof heeft kunnen aannemen dat de verdachte zich zeer onvoorzichtig heeft gedragen waarbij hij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s heeft genomen, en dus dat sprake was van roekeloos rijgedrag. Het lijkt mij dat bij de beoordeling van de bewijsmotivering van het hof ook kan worden betrokken dat ten aanzien van de vraag of tot een bewezenverklaring van roekeloosheid kon worden geen verweer is gevoerd. De advocaat-generaal bij het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep tot vrijspraak van de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde doodslag, respectievelijk poging tot doodslag gerekwireerd, en tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde schuld in de zin van roekeloosheid aan het ongeval waarbij [slachtoffer 1] werd gedood en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. De raadsman van verdachte heeft enkel (gemotiveerd) betoogd dat het primair tenlastegelegde (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer 1] en het zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 2] niet kon worden bewezen, maar heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van het onder 1 en 2 subsidiair (en meer subsidiair) tenlastegelegde, inclusief de in de subsidiaire variant opgenomen roekeloosheid. Het hof kon derhalve mede daardoor oordelen dat een nadere motivering van de bewezenverklaringen niet vereist was. Ik neem daarbij in aanmerking dat het hof in de onderhavige zaak uitspraak heeft gedaan voordat de Hoge Raad de hiervoor genoemde arresten heeft gewezen en nadere eisen aan de motivering van de bewezenverklaring van de strafverzwarende omstandigheid roekeloosheid heeft gesteld.

Gelet op een en ander acht ik de bewezenverklaarde roekeloosheid toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.

3.7 Het middel faalt dus.

4.1. Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden nu tussen het instellen van cassatie en het insturen van het dossier naar de griffie van de Hoge Raad te veel tijd is verstreken, hetgeen aanleiding zal moeten zijn voor een compensatie in de straftoemeting.

4.2. Het cassatieberoep is op 26 september 2011 ingesteld. Eerst op 28 augustus 2012 is het dossier ter griffie van de Hoge Raad aangekomen. Tussen beide data zijn elf maanden verlopen. Aldus is de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn met drie maanden overschreden. Deze overschrijdingen van de redelijke termijn dient te leiden tot een verlaging van de opgelegde gevangenisstraf.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de opgelegde straf betreft en tot verlaging daarvan, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 3 juli 2012, LJN BW4254, NJ 2012, 489 m.nt. F.W. Bleichrodt en HR 4 december 2012, LJN BY2823, NJ 2013, 16.

2 Die gedragingen kunnen immers ook straf verhogend werken bij de ‘normale’, dus niet roekeloze variant van schuld, strafbaar gesteld in lid 1, en kunnen dus inderdaad niet ‘zonder meer’ roekloosheid aantonen.

3 Zie J. Remmelink, Hoofdwegen door het verkeersrecht, zesde druk, 2012, p. 65 e.v. voor een weergave van de discussies op dit punt in de literatuur.

4 Ik verwijs nogmaals naar de noot van Bleichrodt onder NJ 2012, 489 en Remmelink, a.w. p. 68, ook bijv. de conclusie van de A-G Jörg voor HR 17 maart 2009, NJ 2009, 158. Zie voorts bijv. Hof Den Haag 24 januari 2013, LJN BY9316 (vrijspraak van roekeloosheid) en Hof Arnhem 12 oktober 2012, LJN BY0009 (bewezenverklaring van roekeloosheid).

5 HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 199.

6 Wet van 22 december 2005 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima, S. 2006, 11.

7 Bij de gemeengevaarlijke delicten achtte men opname van de roekeloosheid niet nodig.

8 Zie ook J. de Hullu, Materieel strafrecht, vijfde druk, Kluwer, 2012, p. 252. Hij noemt de ‘onverschilligheid’ als mengvorm van bewuste en onbewuste culpa. Niettemin kan men wel archetypen onderkennen, zie ook de beschouwing van R. Robroek, Onbewuste culpa, Celsus, Tilburg 2010. De auteur gaat vooral in op de (problematische) strafwaardigheid bij het ontbreken van bewustheid ten aanzien van de gevolgen.

9 Groot Woordenboek van de Nederlandse taal, 14e editie, 2005.

10 Aardig voor de taalliefhebbers is dat volgens het Woordenboek roekeloos afstamt van het Middelnederlandse ‘roeke’, dat aandacht, zorg betekent en behoort tot dezelfde stam als ‘rekenen’. In het Engels: to reck, wat maakt dat het Engelse woord reckless een zuivere vertaling is van roekeloos.

11 Zie met name de noot van N. Keijzer onder HR 24 juni 2008, NJ 2008, 442.

12 Vgl. HR 4 december 2012, LJN BY2823, NJ 2013/16, rov. 3.4.