Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:642

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-07-2013
Datum publicatie
02-09-2013
Zaaknummer
12/03888
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2012:BX0724
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:699, Gevolgd
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 12/03888 naar aanleiding van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam van 5 juli 2012, nr. 11/00917, ECLI:NL:GHAMS:2012:BX0724.

De uitspraak van het Hof waartegen beroep in cassatie is ingesteld betreft een uitspraak op verzet als bedoeld in artikel 8:55 Awb. Het geschil in verzet was of het Hof het hoger beroep van belanghebbende (aanvankelijk) terecht niet-ontvankelijk had verklaard in verband met het onbetaald laten van griffierecht. Op het verzet van belanghebbende heeft het Hof hem in verband met zijn beperkte financiële mogelijkheden verlaging van het griffierecht verleend tot een alsnog te betalen bedrag van € 20. Thans is aan de orde of een Hof aan een belanghebbende wegens financieel onvermogen een lager of geen griffierecht in rekening mag brengen. Die vraag heeft zowel nationale als EVRM-aspecten.

De Staatssecretaris betoogt dat het Hof ten onrechte “in de omstandigheden van het onderhavige geval waarin de financiële omstandigheden van belanghebbende zodanig zijn dat deze aan betaling van het volledige bedrag aan griffierecht in de weg staan (…) aanleiding ziet het ter zake van de indiening van het hoger beroep verschuldigde griffierecht te verminderen tot op € 20”.

De A-G wil eerst bezien in hoeverre hier de toegang tot de rechter al door de Nederlandse wetgeving zelf gewaarborgd wordt.

In de onderhavige zaak was belanghebbende op grond van artikel 27l AWR griffierecht verschuldigd ten bedrage van € 112. Dit griffierecht wordt geheven door de griffier. De wettekst geeft een gerechtshof niet de bevoegdheid om te bepalen dat een lager dan uit de wet voortvloeiend griffierecht zal worden geheven.

Op grond van artikel 27l, lid 4, AWR in samenhang met artikel 8:41, lid 2, Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het hoger beroep in verzuim is geweest met het betalen van het griffierecht.

De A-G meent dat ook als een indiener het griffierecht helemaal niet heeft betaald, ‘het bedrag niet binnen de termijn bijgeschreven of gestort’. Dat betekent volgens de A-G dat ook in dat geval kan worden getoetst of redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

De A-G merkt op dat een ratio voor de heffing van griffierecht is dat de wetgever heeft gewild dat de rechtzoekenden een zekere financiële bijdrage zouden leveren ter bestrijding van de door hun procedure opgeroepen kosten. Het lijkt de A-G echter onaanvaardbaar aan rechtzoekenden die geen bijdrage kunnen betalen mee te delen dat de overheid hun procedure niet wil laten doorgaan omdat de overheid daarvan niet alle kosten wil dragen.

Daarnaast moet de heffing van een griffierecht bijdragen tot een zorgvuldig gebruik van voorzieningen van rechtspraak, doordat de indiener een zorgvuldiger afweging van het belang en de zin van het instellen van een procedure tegenover de aan het verkrijgen van een rechterlijke uitspraak verbonden inspanningen en kosten moet maken. Een indiener van een beroep die, gelet op zijn financiële mogelijkheden, geen enkele mogelijkheid heeft het griffierecht te voldoen, is niet in staat de door de wetgever beoogde afweging te maken; hij heeft geen andere keus dan van het instellen van beroep af te zien. Ook dit lijkt de A-G niet de in overeenstemming met hetgeen de wetgever heeft bedoeld met de wettelijke regeling van het griffierecht.

Een en ander moet volgens de A-G betekenen dat na constatering van financieel onvermogen om het wettelijk voorziene griffierecht (geheel) te betalen, die niet-betaling verschoonbaar is en niet behoeft te leiden tot het oordeel dat de indiener in verzuim is geweest.

De A-G meent dat de rechter aan de indiener ten minste één gelegenheid moet bieden om feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan het onbetaald laten van het griffierecht verschoonbaar zou kunnen zijn. Indien aan een indiener van beroep nog geen gelegenheid is geboden om redenen voor het onbetaald laten van het griffierecht aan te voeren en zijn beroep bij verkorte afdoening niet-ontvankelijk verklaard is, meent de A-G dat de redenen voor niet-betalen voor het eerst in verzet mogen worden aangevoerd.

Gezien de door het Hof vastgestelde financiële positie van belanghebbende is het niet betalen van griffierecht volgens de A-G verschoonbaar te achten. De A-G acht de verleende vermindering tot € 20 toelaatbaar.

Overigens zijn er ook verdragsaspecten. In casu gaat het om een naheffingsaanslag en een vergrijpboete. In het kader van een beroep op het EVRM tot buiten toepassing laten van een wettelijke regeling pleegt onderscheid te worden gemaakt tussen de boete, waarop met name artikel 6 EVRM ziet, en de naheffingsaanslag, waarop met name ziet het beginsel dat toegang tot de rechter niet onmogelijk mag worden gemaakt omdat de slechte financiële toestand van belanghebbende hem niet in staat stelt het griffierecht (volledig) te betalen.

Met toepassing van deze verdragsaspecten komt de A-G tot dezelfde, hierboven genoemde, conclusies als reeds bestaande ingevolge Nederlandse regelgeving met betrekking tot het griffierecht.

Omtrent de proceskostenveroordeling in de verzetsprocedure merkt de A-G op dat uitgangspunt moet zijn dat indien een belanghebbende in de loop van een fiscale procedure met vrucht enig rechtsmiddel aanwendt, de kosten daarvan moeten worden gebracht voor rekening en risico van de Inspecteur.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatsecretaris ongegrond dient te worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1723
Belastingblad 2013/415
V-N 2013/48.8 met annotatie van Redactie
FutD 2013-2054 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

mr. R.L.H. IJzerman

Advocaat-Generaal

Conclusie van 26 juli 2013 inzake:

Nr. Hoge Raad: 12/03888

Staatssecretaris van Financiën

Nr. Gerechtshof: 11/00917

Nr. Rechtbank: AWB 10/2093

Derde Kamer B

tegen

Loonbelasting 2005

[X]

1 Inleiding

1.1

Heden neem ik conclusie in de zaak met het nummer 12/03888 naar aanleiding van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) tegen de uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam (hierna: het Hof) van 5 juli 2012, nr. 11/00917, ECLI:NL:GHAMS:2012:BX0724.1

1.2

De uitspraak van het Hof waartegen beroep in cassatie is ingesteld betreft een uitspraak op verzet als bedoeld in artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het geschil in verzet was of het Hof het hoger beroep van belanghebbende (aanvankelijk) terecht niet-ontvankelijk had verklaard in verband met het onbetaald laten van griffierecht. Op het verzet van belanghebbende heeft het Hof hem in verband met zijn beperkte financiële mogelijkheden verlaging van het griffierecht verleend tot een alsnog te betalen bedrag van € 20. Thans is aan de orde of een Hof aan een belanghebbende wegens financieel onvermogen een lager of geen griffierecht in rekening mag brengen. Die vraag heeft zowel nationale als EVRM-aspecten.

1.3

Deze conclusie is als volgt opgebouwd. In onderdeel 2 worden de feiten en het geding in feitelijke instanties beschreven, gevolgd door een beschrijving van het geding in cassatie in onderdeel 3. Onderdeel 4 omvat een overzicht van relevante regelgeving, wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur.2 In onderdeel 5 wordt gekomen tot een beschouwing en vindt de beoordeling plaats van het door de Staatssecretaris aangevoerde middel, gevolgd door de conclusie in onderdeel 6.

2 De feiten en het geding in feitelijke instanties

2.1

De Inspecteur3 heeft aan belanghebbende met dagtekening 16 oktober 2009 een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2005 opgelegd ten bedrage van € 188.070. Bij afzonderlijke beschikkingen heeft de Inspecteur een bedrag van € 32.016 aan heffingsrente in rekening gebracht en een boete van € 86.500 opgelegd.

2.2

Voorts heeft de Inspecteur aan belanghebbende met dagtekening van 16 november 2009 een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2006 opgelegd ten bedrage van € 77.470. Bij afzonderlijke beschikkingen heeft de Inspecteur een bedrag van € 10.347 aan heffingsrente in rekening gebracht en een boete van € 29.365 opgelegd.

2.3

Het door belanghebbende gemaakte bezwaar is door de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 18 maart 2010 afgewezen.

2.4

Bij vonnis van 25 mei 2010 van de rechtbank te Utrecht is belanghebbende in staat van faillissement verklaard. Het vonnis is in hoger beroep bekrachtigd. Bij arrest van 17 december 2012 heeft de civiele kamer van de Hoge Raad het daartegen ingestelde beroep in cassatie verworpen.

Rechtbank

2.5

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank te Haarlem (hierna: de Rechtbank).4 De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en de boetes verminderd tot € 80.158 voor 2005 en € 27.345 voor 2006 vanwege overschrijding van de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Hof

2.6

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De griffier van het Hof heeft bij brief van 8 december 2011 belanghebbende verzocht het verschuldigde griffierecht ten bedrage van € 112 te betalen. Het Hof heeft daarop van belanghebbende geen betaling ontvangen.

2.7

Bij aangetekende brief, verzonden op 5 januari 2012, is belanghebbende vervolgens door de griffier nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht. In die brief is aan belanghebbende meegedeeld dat het griffierecht binnen vier weken ‘dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie dient te zijn gestort’. Het Hof heeft daarop van belanghebbende nog steeds geen betaling ontvangen.

2.8

Bij brief van 16 januari 2012, door belanghebbende aangeduid als ‘Verzoekschrift ontheffing griffierecht’, heeft belanghebbende het Hof verzocht om ‘bij beschikking te willen doen bepalen dat gelet op zijn faillissementssituatie ten aanzien van hem de verplichting tot betaling van het griffierecht buiten toepassing blijft.’ In de brief voert belanghebbende onder meer aan dat hij ‘zodanig onvermogend is dat hij niet in staat is het griffierecht te voldoen’.

2.9

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 Awb van 8 maart 2012 heeft het Hof het hoger beroep wegens het niet betalen van griffierecht, als bedoeld in artikel 8:41, tweede lid, Awb, (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard. Het Hof zag blijkbaar geen reden voor het achterwege laten van de niet-ontvankelijkverklaring op de grond dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.

2.10

Tegen de uitspraak van het Hof heeft belanghebbende op grond van artikel 8:55, lid 1, Awb verzet gedaan.5

2.11

Het Hof heeft geoordeeld:

2.5.

Het Hof begrijpt belanghebbende aldus dat hij betoogt dat hem de gang naar de hoger beroepsrechter wordt belet indien van hem verlangd wordt dat hij het (volledige) bedrag aan griffierecht betaalt. In zijn onder 2.3 bedoelde brief beroept hij zich op artikel 6, eerste lid, van het EVRM en artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).

2.6.

Zowel artikel 47 van het Handvest als artikel 6, eerste lid, van het EVRM geven in beginsel een recht op toegang tot de rechter.

2.7.

De bepalingen van het Handvest zijn echter ingevolge artikel 51, eerste lid, daarvan uitsluitend van toepassing indien het recht van de Unie tot uitdrukking wordt gebracht. Op geschillen over belastingaanslagen is het bepaalde in artikel 6 van het EVRM niet van toepassing omdat dergelijke geschillen buiten het bereik vallen van die bepaling (EHRM 12 juli 2001, nr. 44759/98, Ferrazzini, en Hoge Raad 4 maart 2011, nr. 10/01402, LJN BP6284).

2.8.

De rechtbank heeft het tussen partijen bestaande geschil als volgt omschreven waarbij belanghebbende is aangeduid als 'eiser' en de inspecteur als 'verweerder':

"Het geschil van partijen betreft de vraag of verweerder terecht en tot het juiste bedrag naheffingsaanslagen LB/PVV over 2005 en 2006 heeft opgelegd, voor zover deze betrekking hebben op de omissies ten aanzien van de identiteitsbewijzen en de loonbelastingverklaringen in de administratie van eiser. Bovendien zijn de daarvoor opgelegde boetes in geschil."

De conclusies van belanghebbende en de inspecteur heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - als volgt verwoord:

"Eiser concludeert tot (...) vermindering van de naheffingsaanslagen met een bedrag van € 126.842 voor 2005 en € 40.409 voor 2006, [en] navenante vermindering (...) van de boetebeschikkingen. (...) Verweerder concludeert primair tot ontslag van instantie, ofwel niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen. (...) Subsidiair (...) tot ongegrondverklaring van de beroepen."

2.9.

Uit de het Hof bij de behandeling van het verzet ter beschikking staande stukken en uit het verhandelde ter zitting van 5 juni 2012 volgt niet dat de rechtbank het tussen partijen bestaande geschil en de conclusie van partijen onjuist heeft omschreven of dat het geschil inmiddels beperkter van aard of omvang is. Hieruit volgt dat het geschil buiten de werkingssfeer van het Handvest valt omdat in dezen geen sprake is van een situatie waarin het recht van de Unie tot uitdrukking wordt gebracht. Artikel 47 van het Handvest mist derhalve in zoverre betekenis en het bepaalde in artikel 6 van het EVRM is niet van toepassing voor zover het geschil ziet op de naheffingsaanslagen.

2.10.

Artikel 6 van het EVRM is wel van toepassing voor zover het geschil betrekking heeft op de boeten. In zoverre is immers sprake van een 'criminal charge' in de zin van het eerste lid van die verdragsbepaling. Daarbij verdient opmerking dat het EVRM de verdragsstaten weliswaar niet verplicht tot het openstellen van hoger beroep in zaken waarop dat artikel van toepassing is, maar dat indien die mogelijkheid wel is opengesteld ook de behandeling in hoger beroep dient te voldoen aan de eisen van artikel 6 van het EVRM (vgl. EHRM, 19 december 1997, nr. 26737/95, Brualla Gómez de la Torre: "The Court reiterates that Article 6 of the Convention does not compel the Contracting States to set up courts of appeal or of cassation (...). However, where such courts do exist, the guarantees of Article 6 must be complied with").

2.11.

De omstandigheid dat een (deel van een) geschil zowel buiten het bereik valt van het Handvest als van het EVRM houdt echter niet in dat de bij dat geschil betrokken partijen geen recht zouden hebben op toegang tot de rechter. Een effectief recht op toegang tot de onafhankelijke rechter vormt een algemeen rechtsbeginsel dat evenzeer geldt binnen de nationale rechtsorde van een rechtsstaat en evenzeer los van enige verdragsbepaling, zeker ook indien het - zoals hier - gaat om geschillen die zien op gedwongen bijdragen aan de overheid als zodanig.

2.12.

Het Hof ziet geen aanleiding bij de vraag of het onder 2.11 geformuleerde algemene rechtsbeginsel is geschonden een andere maatstaf aan te leggen dan aan de orde is indien getoetst moet worden of het in artikel 6 van het EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter is geschonden. Voorts bestaat evenmin grond - zulks in navolging van de jurisprudentie van het EHRM - om ten aanzien van het hoger beroep een andere benadering te kiezen dan voor de berechting in eerste aanleg.

2.13.

Het heffen van griffierecht vormt, per definitie, een vorm van beperking voor de vrijheid van toegang tot de rechter. Die vrijheid is echter niet absoluut.

2.14.

In zijn arrest van 20 december 2007, nr. 21638/03, Paykar, overwoog het EHRM onder meer het volgende:

"44. The Court reiterates that the right to a court, of which the right of access constitutes one aspect, is not absolute but may be subject to limitations. Nevertheless, the limitations applied must not restrict the access left to the individual in such a way or to such an extent that the very essence of the right is impaired. (...)"

en:

"48. The Court observes that the requirement to pay court fees cannot be regarded as a restriction on the right of access to a court which is incompatible per se with Article 6 § 1 of the Convention. However, the amount of such fees assessed in the light of the particular circumstances of a given case, including the applicant's ability to pay them, and the stage of proceedings at which such a restriction is imposed, are factors which are material in determining whether or not a person enjoyed his right of access (...). Accordingly, the Court considers it necessary to examine whether, in rejecting the applicant company's request for deferral of the court fee, the Court of Cassation took into account the particular circumstances of the applicant company's case, first of all its ability to pay."

2.15.

Artikel 6 van het EVRM verzet zich derhalve slechts tegen heffing van een zodanig bedrag aan griffierecht dat dit - mede gelet op de voor de betrokken belanghebbende in het geding zijnde belangen - een wezenlijke belemmering van de toegang tot de rechter vormt. Hetzelfde heeft te gelden bij toetsing van het griffierecht aan het onder 2.11 geformuleerde algemene rechtsbeginsel.

2.16.

Naar het oordeel van het Hof is van een wezenlijke belemmering sprake indien de betrokken belanghebbende het in rekening gebrachte griffierecht gelet op zijn financiële mogelijkheden niet kan voldoen, of niet anders kan voldoen dan met buitengewoon bezwaar (hetgeen zich bijvoorbeeld kan voordoen in een situatie waarin de betrokkene reeds zwaar in de schulden zit en alleen maar zou kunnen betalen door nog meer te lenen). Onder omstandigheden kan ook van een wezenlijke belemmering van het toegangsrecht sprake zijn indien de betrokken belanghebbende weliswaar in staat moet worden geacht het griffierecht te betalen, maar het griffierecht in absolute zin en in relatieve zin (ten opzichte van het belang waarop het geschil betrekking heeft) dermate hoog is, dat hij - mede in aanmerking nemende het aan iedere procedure verbonden procesrisico - bij een rationele afweging van het beroep op de rechter af zal zien.

2.17.

Het Hof acht het gelet op hetgeen belanghebbende dienaangaande heeft aangevoerd (in het bijzonder door overlegging van de onder 1.8 gemelde nadere stukken) en het onder 2.2 vermelde faillissement aannemelijk dat belanghebbendes vermogens- en inkomenspositie dusdanig is dat deze aan betaling van het volledige bedrag aan griffierecht in de weg staan, althans dat volledige betaling niet anders zou kunnen plaatsvinden dan met buitengewoon bezwaar. Uit de vorenbedoelde nadere stukken volgt immers dat het (gezamenlijke) inkomen van belanghebbende en zijn echtgenote slechts bestaat uit een netto WWB-uitkering van € 1.033,49 waarop maandelijks een bedrag van € 133,64 wordt ingehouden in verband met een daarop gelegd beslag, en dat na aftrek van de vaste lasten slechts een betrekkelijk gering bedrag overblijft. Voorts volgt uit die stukken dat belanghebbendes vermogenspositie negatief is, na de verkoop van zijn woning begin 2012 is belanghebbende met een aanzienlijke restantschuld aan de kredietverstrekkende bank blijven zitten. Het moet dan ook in strijd worden geacht met artikel 6, eerste lid, van het EVRM en het meerbedoelde algemene rechtsbeginsel om op straffe van niet-ontvankelijkheid desalniettemin volledige betaling van het griffierecht te verlangen.

2.18.

Het Hof ziet derhalve in de omstandigheden van het onderhavige geval waarin de financiële omstandigheden van belanghebbende zodanig zijn dat deze aan betaling van het volledige bedrag aan griffierecht in de weg staan - voor wat betreft de opgelegde vergrijpboeten met inachtneming van het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en voorts gezien in het licht van het onder 2.11 geformuleerde algemene rechtsbeginsel - aanleiding het ter zake van de indiening van het hoger beroep verschuldigde griffierecht te verminderen tot op € 20.

Slotsom

Het verzet is gegrond. De griffier van het Hof zal, nadat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan, van belanghebbende een griffierecht heffen van € 20. Na betaling van het verschuldigde griffierecht zal de behandeling van het hoger beroep worden voortgezet in de stand waarin het zich op 8 maart 2012 bevond.

2.12

Het Hof heeft het verzet gegrond verklaard.

3 Het geding in cassatie

3.1

De Staatssecretaris van Financiën heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft buiten de daarvoor gegeven termijn een verweerschrift ingediend.

3.2

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende middel aangevoerd:

Schending van het Nederlandse recht, met name van artikel 29a, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verbinding met artikel 8:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en/of van artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof in de omstandigheden van het onderhavige geval waarin de financiële omstandigheden van belanghebbende zodanig zijn dat deze aan betaling van het volledige bedrag aan griffierecht in de weg staan - voor wat betreft de opgelegde vergrijpboeten met inachtneming van het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en voorts gezien in het licht van het in de uitspraak geformuleerde algemene rechtsbeginsel - aanleiding ziet het ter zake van de indiening van het hoger beroep verschuldigde griffierecht te verminderen tot op € 20, zulks ten onrechte, althans op gronden welke de beslissing niet kunnen dragen.

3.3

Ter toelichting op het middel heeft de Staatssecretaris van Financiën onder meer betoogd:

Uit dit arrest [het arrest van 10 januari 2001, nr. 35 782, BNB 2001/270, RIJ] blijkt, dat voor zover het de enkelvoudige belasting betreft, een termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Voor zover het de boete betreft vindt toetsing aan artikel 6, lid 1, EVRM plaats. Het arrest spreekt niet van algemene (nationale) rechtsbeginselen, 's Hofs oordeel komt erop neer dat bij een laag inkomen en een negatief vermogen het griffierecht gematigd dient te worden. Daarmee kent het Hof slechts betekenis toe aan de draagkracht van belanghebbende.

De toegang tot de rechter heeft recent gespeeld bij het wetsvoorstel "Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet griffierechten burgerlijke zaken en enige andere wetten in verband met de verhoging van griffierechten". Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in verschillende zaken overwogen dat het heffen van griffierechten niet onverenigbaar is met artikel 6 EVRM, zolang het daardoor gegarandeerde recht op toegang tot de rechter niet in zijn kern wordt aangetast. Uit jurisprudentie van het EHRM is af te leiden dat bij de beoordeling of aan die eis is voldaan, van belang is:

a. wat de absolute hoogte van het griffierecht is,

b. in welke verhouding dit griffierecht staat tot het zaaksbelang,

c. of rekening gehouden is met de draagkracht van de rechtzoekenden.

Bij een rechterlijk oordeel over verenigbaarheid met artikel 6 EVRM is de specifieke context van een zaak doorslaggevend (MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2011- 2012, 33 071, nr. 3, blz. 10). Ik moge voorts wijzen op de Nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer, vergaderjaar 2011-2012, 33 071, nr. 7, blz. 26, waar vermeld wordt dat rechtzoekenden die door de kantonrechter onder bewind zijn gesteld bij de gemeente een beroep kunnen doen op de Wet werk en bijstand ter verkrijging van bijzondere bijstand, bijvoorbeeld als gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming in de kosten van het griffierecht.

Het belang van het onderhavige geval is relatief groot. Het gaat om een totaalbedrag aan belasting van € 265.540 en aan boeten van € 107.503. Belanghebbende bepleit een totaalbedrag aan belasting van € 167.251 en een navenante vermindering van de boeten. Een griffierecht van € 112 staat in geen verhouding tot deze bedragen.

In het arrest van 28 juni 1994, nr. 128-93-V, NJ 1994, 657, heeft de Hoge Raad in r.o. 3.5 uiteengezet dat het bij de huidige stand van zaken ervoor moet worden gehouden dat van een belemmering in ieder geval geen sprake is, wanneer een zekerheidstelling van ƒ 150 van een betrokkene wordt verlangd. Een griffierecht van f 150 zal in 1994 ook geen belemmering opleveren. In het arrest van 10 januari 2001, nr. 35 782, BNB 2001/270*, bleek een griffierecht van f 160 geen belemmering. Het komt mij voor dat een griffierecht van € 112 in 2011 dan ook geen wezenlijke belemmering vormt. Daarbij valt op te merken dat het griffierecht van € 112 ziet op twee naheffingsaanslagen en twee boetebeschikkingen. Indien belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, volgt normaliter vergoeding van het griffierecht.

Nu het Hof onvoldoende rekening houdt met het vorenstaande en geen rekening lijkt te houden met de absolute hoogte van het griffierecht en met het in geschil zijnde belang, meen ik dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld, althans op onvoldoende gronden, dat gelet op het recht op toegang tot de rechter reden bestaat voor matiging van het griffierecht. Opvallend is voorts dat de Inspecteur veroordeeld wordt in de kosten van het geding ten bedrage van € 437, terwijl hij niet betrokken is bij het in rekening brengen van het griffierecht en ook niet betrokken is bij de procedure. Opvallend is ook dat belanghebbende kennelijk wel een gemachtigde kan betalen.

4 Regelgeving, wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur

Regelgeving

4.1

Artikel 27l van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) luidde van 1 januari 2011 tot 1 januari 2012:6

1. Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier van het gerechtshof een griffierecht geheven. Indien het een beroepschrift ter zake van twee of meer samenhangende uitspraken betreft, is eenmaal griffierecht verschuldigd. In dat geval bedraagt het griffierecht het hoogste op grond van het tweede lid verschuldigde bedrag.

2. Het griffierecht bedraagt:

a. € 112 indien door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak inzake een ander besluit dan een besluit als bedoeld in onderdeel b;

b. € 227 indien door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak inzake een besluit als bedoeld in artikel 27b, eerste lid, onderdeel b;

(…)

4. Artikel 8:41, tweede en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

(…)

4.2

Artikel 8:41, tweede lid, Awb luidde tot 1 januari 2013:

2. De griffier wijst de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.3

Het in afdeling 2 (beroep bij de rechtbank) opgenomen artikel 27b, eerste lid, aanhef en onderdeel b, AWR, waarnaar het tweede lid, onderdeel b, van het in onderdeel 4.1 opgenomen artikel verwijst, luidde tot 1 januari 2013:

1. Het griffierecht bedraagt, in afwijking van artikel 8:41, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht:

(…)

b. € 156 indien door een natuurlijke persoon beroep is ingesteld tegen een besluit met betrekking tot de toepassing van de Wet op de dividendbelasting 1965, de Wet op de omzetbelasting 1968, de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, de Wet op de accijns, de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten of de Wet belastingen op milieugrondslag;

(…)

4.4

Het eerste lid van artikel 6 EVRM luidt:

1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.

4.5

Het artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: Eerste Protocol) luidt:

Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

Wetsgeschiedenis

4.6

Bij de wijziging van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken en de Tariefcommissiewet is in 1985 met betrekking tot het griffierecht opgemerkt:7

In de memorie van toelichting hebben wij al opgemerkt dat de onderhavige voorstellen uitvloeisel zijn van het besluit het griffierecht in alle takken van burgerlijke en administratieve rechtspraak te verhogen c.q. in te voeren. Deze voorstellen zijn in de eerste plaats ingegeven . Tevens ligt aan de voorstellen de gedachte ten grondslag dat de heffing van een griffierecht, zoals thans voorgesteld, kan bijdragen tot .

4.7

Bij de invoering van artikel 8:41 Awb is opgemerkt:8

Wij stellen voor om in afdeling 8.2.1 een regeling van een uniform, laag griffierecht op te nemen. Aan deze regeling liggen de volgende overwegingen ten grondslag. Het is redelijk dat degene die gebruik maakt van een door de overheid geopende essentiële voorziening als het beroep op de (administratieve) rechter een deel van de daaraan verbonden kosten draagt. Het recht mag echter niet zo hoog zijn dat aan bepaalde groepen rechtzoekenden in feite de toegang tot de rechter wordt ontnomen. Het heffen van griffierecht kan bijdragen tot een zorgvuldiger afweging van het belang en de zin van het instellen van een procedure tegenover de aan het verkrijgen van een rechterlijke uitspraak verbonden inspanningen en kosten. Voorts dienen de perceptiekosten van de uitvoering van de griffierechtenregeling niet onevenredig hoog te zijn in verhouding tot het beoogde doel. Een gedifferentieerd stelsel met verminderingen en vrijstellingen zou niet alleen kostbaar zijn, maar ook te veel tijd en arbeid in beslag nemen van de griffies.

4.8

Van 1 september 1999 tot 1 januari 2013 werd in artikel 27b AWR de hoogte van het griffierecht in belastingzaken in eerste aanleg9 geregeld. In de Nota naar aanleiding van het Verslag bij de Wet herziening van het fiscale procesrecht, waarbij artikel 27b AWR werd ingevoerd, is opgemerkt:10

De commissie en de leden van de fracties van D66 en de VVD vragen ruime aandacht voor de voorgestelde regeling van het griffierecht. Het gaat met name om de hoogte van het griffierecht, de voorgestelde differentiatie en de consequenties daarvan, de heffing van griffierecht in boetezaken, de teruggaveregeling, de anti-cumulatieregeling en de uitvoerbaarheid van de regeling.

Wij maken allereerst een paar opmerkingen vooraf.

De heffing van griffierecht beoogt tweeërlei. In de eerste plaats mag van de belanghebbende die beroep wenst in te stellen, een zekere bijdrage worden verlangd in de kosten van een gerechtelijke procedure. Als zodanig dient de heffing mede een budgettair doel. In de tweede plaats draagt de verschuldigdheid van griffierecht mede bij aan de afweging of het instellen van beroep zinvol is. Ook in verhogingszaken mag een bijdrage van de appellant worden verlangd (vgl. HR 17 juni 1992, BNB 1992/277). De regeling moet zodanig zijn dat het recht op toegang tot de onafhankelijke rechter gewaarborgd blijft. De regeling inzake het griffierecht in de Awb is niet in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het moet niet uitgesloten worden geacht dat onverkorte toepassing van de regeling in een concreet geval strijd zou kunnen opleveren met het in artikel 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot de rechter. Indien de rechter van oordeel is dat toepassing van de regeling in een concrete zaak dat recht belemmert, kan hij bepalen dat van de belanghebbende een zodanig recht wordt geheven dat die rechtsgang in die zaak is verzekerd. Het is aannemelijk dat de rechter bij die beslissing rekening houdt met de financiële omstandigheden van de betrokken belanghebbende, en nagaat of die omstandigheden de betaling van het ingevolge de Awb verschuldigde recht in de weg staat (vgl. HR 28 juni 1995, NJ 56711 en HR 31 januari 1994, NJ 1995, 598).

Ten slotte moet de regeling uitvoerbaar zijn.

Wij menen dat de voorgestelde regeling waarbij het Awb-regime uitgangspunt is, aanvaardbaar en uitvoerbaar is. Ter aanvulling op hetgeen daaromtrent in de memorie van toelichting is opgemerkt brengen wij het volgende naar voren.

Bij de totstandkoming van de Awb is gekozen voor een algemeen geldende regeling van globaal karakter zonder verfijningen in verband met de draagkracht van betrokkene of in verband met het belang van een specifiek geschil. De regeling is daardoor ook gemakkelijker uitvoerbaar dan een regeling waarbij bij de heffing van het recht rekening moet worden gehouden met het belang of de inkomenspositie van de appellant. Anders dan in de Warb [Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, RIJ], waarin – afgezien van artikel 5, vierde lid – geen onderscheid wordt gemaakt tussen de belanghebbenden, wordt in de Awb onderscheid gemaakt tussen natuurlijke personen en andere belanghebbenden. Anders dan in de Warb wordt in de Awb niet uitdrukkelijk rekening gehouden met de draagkracht van natuurlijke personen.

4.9

In de memorie van antwoord bij het voornoemde wetsvoorstel is opgemerkt:12

Wanneer de belastingrechter van oordeel is dat toepassing van de griffierechtregeling in een concrete zaak de uitoefening van dat recht belemmert, kan hij bepalen dat van de belanghebbende een zodanig recht wordt geheven dat die rechtsgang in die zaak is verzekerd. De rechter kan bij die beslissing rekening houden met de inkomsten van deze groep belanghebbenden.

4.10

De Minister van Justitie heeft destijds de President van en de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad een concept aangeboden van het wetsvoorstel herziening van het fiscale procesrecht met het verzoek dienaangaande te adviseren. Het concept heeft de Hoge Raad aanleiding gegeven tot onder meer de volgende opmerking:13

3. Uit het voorgestelde artikel 27 Awr blijkt dat wat betreft het beroep bij het gerechtshof de algemene regeling van het griffierecht in bestuursrechtelijke procedures gaat gelden, waardoor het niet meer mogelijk zal zijn vermindering van het griffierecht te verlenen. De Hoge Raad adviseert de huidige regeling omtrent het griffierecht in belastingprocedures te handhaven.

Jurisprudentie Hoge Raad - griffierecht en toegang tot de rechter

4.11

Ook voor 1 september 1999, in het tijdperk van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (hierna: Wet ARB), bestond de verplichting griffierecht te betalen, destijds op grond van artikel 5 Wet ARB. Anders dan in de huidige wettelijke regeling bestond onder het regime van de Wet ARB de mogelijkheid vermindering van het griffierecht te verlenen aan min- of onvermogende natuurlijke personen en in zaken van financieel gering belang. De Hoge Raad heeft over de verenigbaarheid van artikel 5 Wet ARB met artikel 6, lid 1, EVRM geoordeeld:14

3.3.

Het subsidiaire middel betoogt dat in een geval als het onderhavige, betrekking hebbende op een belastingaanslag met een verhoging van 100%, geen griffierecht mag worden geheven, nu uit het arrest van de Hoge Raad van 19 juni 1985, BNB 1986/29, blijkt dat het opleggen van een dergelijke verhoging moet worden aangemerkt als het instellen van een strafvervolging in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM, en nu hierdoor het geschil dat partijen verdeeld houdt, een accusatoir karakter heeft, met hetwelk het heffen van griffierecht zich niet verdraagt.

3.4.

Bij de beoordeling van dit middel dient te worden vooropgesteld dat niet iedere heffing van griffierecht moet worden beschouwd als in strijd met het in artikel 6, lid 1, EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, ook niet indien de procedure - mede - strekt ter bepaling van de gegrondheid van ,,a criminal charge'' in de zin van voormelde bepaling. Het middel faalt derhalve, voor zover het betoogt dat artikel 6, lid 1, zich verzet tegen heffing van griffierecht in belastingzaken waarin - tevens - de gegrondheid van een opgelegde verhoging in geschil is. Bedoelde verdragsbepaling verzet zich slechts tegen heffing van een zodanig bedrag aan griffierecht, dat dit - mede gelet op de voor de belastingplichtige in het geding zijnde belangen - een wezenlijke belemmering van de toegang tot de rechter vormt. Van de rechten die een belanghebbende ingevolge artikel 5 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken dient te storten, kan evenwel niet worden gezegd dat zij de toegang tot de rechter wezenlijk belemmeren. Hierbij verdient opmerking dat de voorzitter van het betrokken college vermindering van het recht verleent in zaken van gering financieel belang, alsmede aan natuurlijke personen die als on- of minvermogend moeten worden aangemerkt.

4.12

De tegen voornoemd oordeel van de Hoge Raad gerichte klacht is door de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens (ECRM) kennelijk ongegrond verklaard:15

The Commission observes that in the present case the aim of levying a court registration fee is to cover part of the expenses of the administration of justice and to discourage the lodging of prospectless appeals. The Commission has further noted the limited amount of the fee, and the possibilities for its reduction and/or reimbursement.

The Commission finds that the levying of the court registration fee at issue was in conformity with the criteria formulated in the Convention organs' case-law, and cannot be regarded as constituting an unacceptable obstacle to the lodging of an appeal with the Court of Appeal or the Supreme Court.

It follows that this part of the application is manifestly ill-founded within the meaning of Article 27 para. 2 of the Convention.

4.13

Bij arrest van 10 januari 2001 heeft de Hoge Raad, inmiddels in het Awb-tijdperk, overwogen:16

De Griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekend met ontvangstbevestiging verzonden brief van 24 maart 2000, geadresseerd aan het in het beroepschrift opgegeven adres a-straat 1, 0000 AA Z, gewezen op de verschuldigdheid ingevolge artikel 29a, leden 1 en 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van griffierecht ter zake van het beroep in cassatie, te betalen binnen de bij artikel 29a, lid 4, van voormelde Wet in samenhang met artikel 8:41, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalde termijn van vier weken.

Belanghebbende is in gebreke gebleven het griffierecht te betalen.

De Griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 3 mei 2000 in de gelegenheid gesteld de redenen voor de termijnoverschrijding mee te delen. In haar brief van 18 mei 2000 heeft belanghebbende aangevoerd dat zij niet in staat is het verschuldigde griffierecht te betalen, aangezien zij vele schulden heeft en slechts in het genot is van een bijstandsuitkering. Daargelaten of dat het geval is, maakt zulks het achterwege laten van betaling echter niet verschoonbaar. Er is geen grond aangevoerd die de conclusie zou kunnen rechtvaardigen dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.

Nu het beroep mede een boete betreft, moet worden beoordeeld of de heffing van het griffierecht in strijd is met het in artikel 6, lid 1, EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. Daarbij moet worden vooropgesteld dat niet iedere heffing van griffierecht in strijd is met het evenvermelde recht op toegang tot de rechter, aangezien bedoelde verdragsbepaling zich slechts verzet tegen heffing van een zodanig bedrag aan griffierecht, dat dit - mede gelet op de voor de belastingplichtige in het geding zijnde belangen - een wezenlijke belemmering van de toegang tot de rechter vormt (HR 17 juni 1992, nr. 27 723, BNB 1992/277). Van het in het onderhavige geval in cassatie verschuldigde griffierecht van ƒ 160 kan niet worden gezegd dat het de toegang tot de rechter wezenlijk belemmert.

4.14

Feteris annoteerde bij voornoemd arrest in BNB:17

-4. Het arrest maakt niet duidelijk of de Hoge Raad in alle gevallen een vast griffierecht van ƒ 160, zonder mogelijkheid tot vermindering, zal aanvaarden. De Hoge Raad zegt dat mede gelet moet worden op de belangen die voor de belastingplichtige in het geding zijn, en aanvaardt ‘in het onderhavige geval’ het in cassatie verschuldigde griffierecht. Hierin zou men kunnen lezen dat de Hoge Raad rekening heeft gehouden met de hoogte van de naheffingsaanslag en de boete in dit geval. Dat zou dan wel een heel indirecte motivering zijn, want deze bedragen blijken niet uit het arrest.

-5. De formulering van de Hoge Raad in het onderhavige arrest is zo algemeen, dat hij een griffierecht in dezelfde orde van grootte waarschijnlijk ook wel zal aanvaarden voor de rechter in eerste aanleg (in belastingzaken: het Gerechtshof). Uit de in punt 2 genoemde beslissingen over het griffierecht bij de Raad van State valt af te leiden dat de ECRM dit ook wel zou accepteren: de Raad van State besliste destijds in eerste aanleg. Dit sluit aan bij de rechtspraak van de strafkamer van de Hoge Raad over bestuurlijke boetes die op grond van de 'Wet Mulder' worden opgelegd wegens verkeersovertredingen. Om tegen dergelijke boetes in beroep te kunnen komen, moet de betrokkene zekerheid stellen. Uit art. 6 EVRM vloeit volgens de Hoge Raad voort dat die zekerheid op verzoek van de betrokkene moet worden gematigd in overeenstemming met diens draagkracht, met dien verstande dat een zekerheid van ƒ 150 in elk geval verlangd mag worden (HR 31 januari 1994, NJ 1995, 598). Van een autobezitter mag volgens de strafkamer zelfs worden aangenomen dat een zekerheidsstelling van maximaal ƒ 500 in het algemeen aanvaardbaar is (HR 28 juni 1994, NJ 1994, 657). Daarmee is ook de toon gezet voor procedures over belastingen van autobezitters, zoals de motorrijtuigenbelasting.

-6. Uit praktische overwegingen valt er veel te zeggen voor het hanteren van een bepaald - relatief laag - forfaitair minimumbedrag dat elke procespartij geacht kan worden te betalen. Toch betwijfel ik of men de individuele gerechtigheid voor een burger die toegang tot de rechter wenst, daaraan ondergeschikt mag maken. (…)

(…)

-8. De regering heeft ook erkend dat de huidige bedragen van het griffierecht in belastingzaken onder omstandigheden kunnen leiden tot een inbreuk op art. 6 EVRM. Zij voelde er echter niet voor om daarvoor een procedure in de wet vast te leggen. Ik vind dit een onbevredigende situatie. De buitenwettelijke mogelijkheid tot vermindering van griffierecht op grond van art. 6 EVRM is voor het overgrote deel van de belanghebbenden niet kenbaar. Als zij de nota griffierecht niet kunnen betalen zullen zij het er vermoedelijk bij laten zitten. Maakt een assertieve belastingplichtige hier wel een punt van, dan zal de rechter op eigen kracht de normen en procedures moeten vaststellen om tot de eventueel vereiste vermindering van griffierecht te komen. De belastingrechter kan daarbij inspiratie zoeken in jurisprudentie van de strafkamer van de Hoge Raad over de zekerheid die verlangd kan worden op grond van de 'Wet Mulder' (zie het arrest NJ 1995, 598, vermeld in punt 5 van deze noot). Op basis van art. 6 EVRM heeft de strafkamer als een wetgever-plaatsvervanger vrij gedetailleerde regels geformuleerd over de procedure die gevolgd moet worden indien een belanghebbende wegens zijn geringe draagkracht verzoekt om het bedrag van de vereiste zekerheid te verminderen. Een regeling door de wetgever zou echter beslist mijn voorkeur hebben.

4.15

Bij arrest van 23 juni 2006 heeft de Hoge Raad overwogen:18

2.1.

De Griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 26 september 2005, waarvan een ontvangstbevestiging is binnengekomen, gewezen op de verschuldigheid ingevolge artikel 8:88, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht van griffierecht ter zake van het verzoek tot herziening, te betalen binnen de bij artikel 8:41, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalde termijn van vier weken. Het griffierecht is niet voldaan.

2.2.

Wel heeft belanghebbende, zij het na afloop van de voor de betaling van het griffierecht gestelde termijn, verzocht om vermindering c.q. kwijtschelding van het door hem verschuldigde griffierecht. Dit verzoek is bij brief van de griffier van 17 november 2005 afgewezen op de grond dat de wet de mogelijkheid van vermindering/kwijtschelding niet kent.

Deze afwijzing is niet in strijd met het in artikel 6 EVRM besloten liggende recht op toegang tot de rechter, nu aan belanghebbende geen boete is opgelegd. Dat artikel 6 EVRM in belastingzaken uitsluitend toepasselijk is ingeval een boete is opgelegd, is door de wetgever onderkend bij de behandeling van wetsvoorstel 25 175 door de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1997/98, 25 175, nr. 25, blz. 20/21). De door belanghebbende aangewezen passage uit de latere Memorie van antwoord aan de Eerste Kamer (Kamerstukken I 1997/98, 25 175, nr. 323b, blz 4/5) moet in samenhang daarmee worden gelezen, en heeft derhalve eveneens uitsluitend betrekking op boetezaken.

2.3.

De Griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 11 januari 2006, waarvan een ontvangstbevestiging is binnengekomen, in de gelegenheid gesteld de redenen voor de termijnoverschrijding mee te delen. Hetgeen belanghebbende in zijn brief van 31 januari 2006 aanvoert, is onvoldoende voor de conclusie dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.

4.16

Bij arrest van 4 maart 2011 heeft de Hoge Raad overwogen:19

3.6.

Belanghebbende heeft voor de Rechtbank aangevoerd dat hij het griffierecht niet kan betalen en heeft daartoe een beroep gedaan op de artikelen 6 en 8 van het EVRM.

In het onderhavige geval gaat het om het betalen van griffierecht in verband met de behandeling van een beroep dat uitsluitend is gericht tegen een belastingaanslag. Op dergelijke geschillen is het bepaalde in artikel 6 van het EVRM niet van toepassing (EHRM 12 juli 2001, nr. 44759/98, Ferrazzini tegen Italië, BNB 2005/222). Daardoor kan bij dergelijke geschillen aan artikel 6 van het EVRM geen recht op toegang tot de rechter worden ontleend. Reeds daarom kan niet worden gezegd dat de hoogte van het griffierecht in dit geval een met artikel 6 van het EVRM strijdige beperking van de toegang tot de rechter vormt.

Ook het beroep op artikel 8 van het EVRM kan niet slagen, aangezien het heffen van griffierecht geen inbreuk maakt op het recht op respect voor belanghebbendes privé-, familie- of gezinsleven.

4.17

Den Ouden annoteerde bij voornoemd arrest in NTFR:20

4. Wellicht biedt art. 1 Eerste Protocol EVRM in dit verband uitkomst. Het heffen van belasting tast immers het ongestoorde genot van eigendom aan. Die inbreuk moet vergezeld gaan van procedurele garanties die de betrokkene een redelijke mogelijkheid bieden tot effectieve betwisting van de rechtmatigheid van de maatregel. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een categorische uitsluiting van verweer strijdig is met art. 1 Eerste Protocol EVRM (zie HR 10 juli 2009, NTFR 2009/1748 en HR 22 oktober 2010, NTFR 2010/2458). Bij het heffen van griffierechten is weliswaar geen sprake van een categorische uitsluiting van verweer, maar bedoelde procedurele garanties zien op een redelijke mogelijkheid tot effectieve betwisting. Bij het heffen van een griffierecht van € 41 komt die procedurele garantie naar mijn mening niet in het gedrang. De vraag rijst echter of dit ook geldt in een systeem van kostendekkende griffierechten, waarbij de griffierechten wellicht ongeveer € 800 (beroep), € 2.200 (hoger beroep) en € 2.200 (beroep in cassatie) zullen gaan bedragen.

5. Een andere mogelijke – maar minder waarschijnlijke – ‘toetsingsingang’ vormt de mogelijkheid van rechtstreekse toetsing van de wet (in formele zin) aan ongeschreven rechtsbeginselen. In het zogenoemde Harmonisatiewet-arrest (HR 14 april 1989, nr. 13.822, LJN: AD5725) oordeelde de Hoge Raad dat art. 120 GW zich tegen toetsing van de wet in formele zin aan fundamentele rechtsbeginselen verzet. In dat arrest ligt naar mijn mening echter de boodschap van de Hoge Raad besloten dat niet is uitgesloten dat in de toekomst hierover anders zou kunnen worden gedacht door de Hoge Raad. Wellicht is die toekomst thans aangebroken?

4.18

De civiele kamer van de Hoge Raad heeft bij arrest van 27 januari 2012 overwogen:21

3.3

Zoals, met verwijzing naar de rechtspraak van het EHRM, is uiteengezet onder 2.11 - 2.14 van de conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer voor HR 8 juli 2011, LJN BQ3883, is de in art. 6 lid 1 EVRM geregelde vrijheid van toegang tot de rechter niet absoluut, nu de overheid aan die vrijheid beperkingen mag stellen die bij wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn ter bereiking van een gerechtvaardigd doel. Griffierechten worden geheven ter bestrijding van de voor de overheid aan rechtspraak verbonden kosten en, als het gaat om griffierechten voor de hoger beroeps- en de cassatie-instantie, tevens als financiële prikkel gericht op het voorkomen van onnodig gebruik van de rechtspraak. Dat is als een gerechtvaardigd doel aan te merken.

De heffing van griffierechten is derhalve weliswaar te beschouwen als een beperking van het recht op toegang tot de rechter, maar die beperking is niet onverenigbaar met art. 6 EVRM, zolang het daardoor gegarandeerde recht niet in zijn kern wordt aangetast.

Overige jurisprudentie Hoge Raad

4.19

Bij arrest van 22 maart 1995 heeft de Hoge Raad overwogen:22

1.3.

De Griffier van de Hoge Raad heeft de gemachtigde van belanghebbende in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat, hoewel te rekenen met ingang van 15 maart 1994 op 27 april 1994 meer dan zes weken waren verstreken, redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij met het indienen van het beroepschrift in verzuim is geweest.

4.20

De redactie annoteerde bij voornoemd arrest in V-N:23

Opmerkelijk is het, dat de Hoge Raad in dit geval bij het te laat zijn van het beroepschrift in cassatie zelfstandig een onderzoek instelt naar het eventueel van toepassing zijn van genoemd art. 6:11. Een aanwijzing voor het ambtshalve onderzoek door de rechter was al aan te treffen in HR 29 november 1995, nr. 30 447, V-N 1996, blz. 456. In dat arrest wordt het hof namelijk verweten dat onderzoek niet ambtshalve te hebben toegepast voor het geval van een verzetsprocedure. In onze aantekening op dat arrest brachten wij al onder woorden, dat op deze wijze wel een strenge eis aan het hof wordt gesteld. Consequente toepassing van dat arrest zou betekenen, dat alle voorzittersbeschikkingen, waarbij vanwege het te laat zijn de niet-ontvankelijkheid zou worden uitgesproken, voortaan niet meer in een administratief automatisme op de griffie zouden kunnen worden afgewerkt, maar in al die gevallen eerst met de nodige correspondentie onderzocht zou moeten worden of er eventueel een excuus voor dat te laat zijn aanwezig zou zijn. Er laat zich echter een verschil signaleren. Onder de voorzittersbeschikking hangt nog het vangnet van de verzetsprocedure, zodat een zekere globaliteit daar eerder te aanvaarden is. De eventuele verontschuldigbaarheid van het verzuim kan immers in die verzetsprocedure nog aan de orde komen. In het geval van het genoemde arrest - een verzetsprocedure - en het onderhavige arrest - een beroep in cassatie - is een dergelijke uitlaatklep niet aanwezig, zodat daar een nauwkeuriger onderzoek op zijn plaats is.

4.21

Bij arrest van 4 februari 1998 heeft de Hoge Raad overwogen:24

3.1

In geval - zoals daarvan in casu moet worden uitgegaan - een beroepschrift bij het gerechtshof niet is ingediend binnen de in art. 6:7 jo. art. 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn, dit beroep niet wordt behandeld met toepassing van art. 18a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, en de wederpartij geen beroep op niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft gedaan waarop de belanghebbende heeft kunnen reageren, brengen de beginselen van een behoorlijke rechtspleging mee dat de rechter niet de niet-ontvankelijkheid van het beroep uitspreekt alvorens hij de belanghebbende uitdrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld feiten aan te voeren, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.

4.22

Hieltjes annoteerde bij voornoemd arrest in FED:25

De beroepstermijn van art. 6:7 en 6:9 Awb is van openbare orde. Als de rechter constateert dat het beroep niet-tijdig is, moet hij het beroep in beginsel niet-ontvankelijk verklaren; dat geldt ook als het bestuursorgaan geen beroep doet op niet-ontvankelijkheid. Niet-ontvankelijkverklaring van een niet-tijdig beroepschrift moet alleen achterwege blijven als sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding (art. 6:11 Awb). De feiten waaruit verschoonbaarheid is af te leiden zullen meestal door de belanghebbende zelf moeten worden aangedragen. In bovenstaand arrest is beslist dat de beginselen van behoorlijke rechtspleging eisen dat de belanghebbende daartoe ook in de gelegenheid wordt gesteld.

De belastingrechter kan dus alleen tot een niet-ontvankelijkverklaring overgaan als hij de belanghebbende eerst de gelegenheid biedt om feiten te stellen waaruit verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding is af te leiden. Als het bestuursorgaan geen niet-ontvankelijkheid stelt, kan de belanghebbende reageren tijdens de mondelinge behandeling. Als de belanghebbende niet naar de mondelinge behandeling komt (hij is daartoe niet verplicht), kan de rechter na de zitting nog schriftelijk inlichtingen inwinnen op grond van art. 14, eerste lid, Wet ARB. Vervolgens kan op grond van art. 16 Wet ARB een tweede mondelinge behandeling plaatsvinden.

De bepalingen van art. 14 en 16 Wet ARB komen te vervallen zodra het wetsvoorstel tot herziening van het fiscale procesrecht, dat nu bij de Tweede Kamer in behandeling is, tot wet wordt verheven en in werking treedt (kamerstukken II, 1996/97, 25 175, nr. 1 t/m 3). Op dit punt betekent dat geen wezenlijke verandering, omdat hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) grotendeels van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op het beroep in belastingzaken. Overeenkomstig art. 8:68 Awb kan de belastingrechter in de toekomst het onderzoek heropenen indien hij van oordeel is dat het onderzoek niet volledig is geweest. De rechter bepaalt daarbij op welke wijze het onderzoek wordt voortgezet.

Aandacht verdient nog de vereenvoudigde behandeling van het beroep op grond van art. 18a Wet ARB (vergelijk art. 8:54 Awb). Blijkens bovenstaand arrest kan bij zo’n vereenvoudigde behandeling niet-ontvankelijkheid worden uitgesproken zonder dat de belanghebbende de gelegenheid wordt geboden om feiten te stellen waaruit verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding is af te leiden. Dat acht ik aanvaardbaar omdat een voorzittersbeschikking op grond van art. 18a Wet ARB in geval van een eventuele misslag eenvoudig kan worden hersteld door de verzetsprocedure van art. 18b Wet ARB (vergelijk art. 8:55 Awb).

4.23

Bij arrest van 25 april 2008 heeft de Hoge Raad overwogen:26

3.4. (…)

Overeenkomstig het sedert 1 januari 1998 geldende (boete)recht zijn de aanslagen en de boetes bij afzonderlijke beschikkingen vastgesteld. Dat brengt mee dat de ontvankelijkheid van het bezwaar ten aanzien van elk van beide beschikkingen afzonderlijk beoordeeld dient te worden.

4.24

Bij arrest van 12 februari 2010 heeft de Hoge Raad overwogen:27

3.2.

Indien een belanghebbende in een belastingzaak een rechtsmiddel aanwendt en dit ertoe leidt dat hij geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, geldt als hoofdregel dat het bestuursorgaan in de kosten van het geding wordt veroordeeld (vgl. HR 20 december 1995, nr. 30 728, LJN AA3148, BNB 1996/74 ). De Hoge Raad is, in afwijking van vroegere rechtspraak, thans van oordeel dat deze hoofdregel tevens heeft te gelden indien het gaat om het rechtsmiddel van verzet, en ook indien de rechterlijke uitspraak op het punt waarop het beroep of het verzet gegrond is bevonden, niet door het bestuursorgaan is uitgelokt of is verdedigd. Dit doet recht aan de eigen aard van een in een fiscale rechtsbetrekking ontstaan geschil, waarin de behoefte in het algemeen is opgeroepen door een eenzijdig door het bestuursorgaan opgelegde last, in dit geval een belastingaanslag. Aldus komen in alle gevallen - als aan de overige vereisten voor vergoeding van proceskosten is voldaan - de voor vergoeding in aanmerking komende kosten van een door een belanghebbende met vrucht aangewend rechtsmiddel voor rekening van het bestuursorgaan.

4.25

Bij arrest van 14 juni 2013 heeft de Hoge Raad overwogen:28

3.3.

Voor zover het middel erover klaagt dat het Hof niet heeft getoetst aan het gelijkheidsbeginsel als ongeschreven rechtsbeginsel faalt het eveneens, aangezien de rechter niet bevoegd is wetgeving in formele zin te toetsen aan algemene rechtsbeginselen (zie HR 14 april 1989, NJ 1989, 469, het zogenoemde Harmonisatiewetarrest).

4.26

A-G Wattel schrijft in zijn conclusie van 21 maart 2013 voor voornoemd arrest:29

5.7

De belanghebbenden menen dat als zodanig ‘hoger recht’ ook in aanmerking komen ongeschreven algemene rechtsbeginselen. Zij menen dat uw Harmonisatiewetarrest gedateerd is en dat inmiddels ook de formele wet aan ongeschreven rechtsbeginselen zoals het discriminatieverbod getoetst kan worden.

5.8

De belanghebbenden kan toegegeven worden dat het opmerkelijk is dat de Nederlandse rechter noch aan het geschreven discriminatieverbod (art. 1 Grondwet), noch aan het algemene ongeschreven discriminatieverbod mag toetsen (art. 120 Grondwet), terwijl diezelfde Grondwet haar opdraagt de formele wet wél te toetsen aan het (geschreven) volkenrechtelijke discriminatieverbod. Maar dat is niet anders. De belanghebbenden kan voorts toegegeven worden dat u ondanks het Harmonisatiewet-arrest onlangs, in HR BNB 2011/233 (schadevergoeding bij overschrijding redelijke termijn van berechting), de formele wet passeerde op basis van een aan art. 6 EVRM - dat in die zaak echter juist niet van toepassing was - ten grondslag liggend ongeschreven rechtszekerheidsbeginsel. Dat arrest lijkt mij echter een gelegenheidsarrest om op dit punt rechtseenheid te bereiken tussen de hoogste bestuursrechters, en geen herroeping van het Harmonisatiewetarrest.

Jurisprudentie andere hoogste bestuursrechters - griffierecht en toegang tot de rechter

4.27

Bij uitspraak van 20 maart 2001 heeft de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) overwogen:30

“Kennelijk” in artikel 8:54 van de Awb wil zeggen dat over de uitslag van een beroepszaak in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. In de uitspraak van 29 september 1999 is terecht vastgesteld dat opposant het griffierecht niet binnen de gestelde termijn heeft betaald en derhalve slechts in zijn hoger beroep kan worden ontvangen indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. Gegeven de gang van zaken zoals hierboven geschetst, waarin opposant zich in een vroegtijdig stadium heeft beroepen op betalingsonmacht en heeft verzocht om een betalingsregeling, kan evenwel niet zonder meer worden gezegd dat van dit laatste geen sprake is en dat boven twijfel is dat opposant in zijn hoger beroep niet kan worden ontvangen. De Raad zal zich nader omtrent het door opposant naar voren gebrachte dienen te beraden, waarbij onder andere een rol zal moeten spelen hoe, mede in het licht van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ten aanzien van vergelijkbare verzoeken wordt gehandeld.

4.28

Bij uitspraak van 21 november 2001 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) geoordeeld:31

2.5.

Ten aanzien van het gedane beroep van opposante op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, overweegt de Afdeling dat dit beroep faalt. Immers, volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gaat het bij het uit deze verdragsbepaling voortvloeiende recht op toegang tot de rechter niet om een absoluut recht, doch komt aan de verdragsstaten een zekere beleidsruimte toe tot het stellen van regels die voor dit recht zekere beperkingen inhouden, mits daardoor het recht op toegang tot de rechter niet in zijn kern wordt getroffen, de gestelde beperkingen een rechtmatig doel dienen en aan de evenredigheidseis is voldaan.

Nu de indiener van het beroep het in zijn macht heeft het griffierecht tijdig te voldoen en op een eventueel verzuim dienaangaande tijdig opmerkzaam wordt gemaakt, is van een aantasting van het recht op toegang tot de rechter geen sprake. Het doel dat met het stellen van een termijn wordt gediend, namelijk het scheppen van duidelijkheid aangaande de betaling en het voorkomen van onnodige vertraging in de procedure en onzekerheid voor belanghebbenden bij de uitkomst van de procedure, moet rechtmatig worden geoordeeld, terwijl aan de evenredigheidseis is voldaan doordat de appellant, nadat een verzuim aan zijn kant is geconstateerd, een termijn van vier weken wordt gegund om het verzuim te herstellen en na het verstrijken daarvan de mogelijkheid heeft aannemelijk te maken dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest.

2.6.

De Afdeling is van oordeel dat opposante met hetgeen zij heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat het haar redelijkerwijs niet mogelijk is geweest tijdig aan haar betalingsverplichting te voldoen.

4.29

Heringa schrijft bij voornoemde uitspraak in JB:32

De weergave in 2.5 van de inhoud van art. 6 lid 1 EVRM betreffende het recht op toegang is helder; de uitkomst daarvan is dat de Afdeling van oordeel is dat de regeling omtrent het griffierecht legitiem en evenredig is. Wat niet te beoordelen is omdat dienaangaande niets is opgenomen, is of de toepassing van die regeling in casu evenredig was. De Afdeling schrijft in 2.6 dat opposante wel een en ander heeft aangevoerd, maar dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet tijdig heeft kunnen betalen. Die vraag is inderdaad cruciaal: volgens het EHRM wordt bij de vraag naar toegang tot de rechter niet alleen naar de algemene regel gekeken, maar vooral ook naar de consequenties daarvan in een concreet geval. Die zijn voor de lezer van deze uitspraak niet kenbaar. De Afdeling schrijft daar verder niets over!

De maatstaf als neergelegd in 2.5, eerste alinea, behoeft dan ook in die zin aanvulling dat in de context van art. 6 ook beoordeeld dient te worden of in het concrete geval er niet sprake is van een onmogelijkheid van toegang tot de rechter.

4.30

De CRvB heeft bij uitspraak van 21 januari 2010 geoordeeld33 in een bijstandszaak:34

Behalve tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant tegelijkertijd eveneens hoger beroep ingesteld tegen vier andere uitspraken van (de voorzieningenrechter van) de rechtbank Amsterdam. In verband hiermee is appellant bij – aangetekend verzonden – brieven van 7 september 2009 uitgenodigd vijf maal € 110,= griffierecht te voldoen. Bij brief van 9 september 2009 heeft appellant gemotiveerd aangegeven daartoe binnen de gestelde termijn (van vier weken) niet in staat te zijn.

Mede gelet op hetgeen in het verzetschrift naar voren is gebracht, is de Raad van oordeel dat de brief van appellant van 9 september 2009 een verzoek om uitstel van betaling inhoudt. Ten onrechte heeft de Raad heeft daarop niet, althans niet inhoudelijk, gereageerd.

In de omstandigheden van het geval ziet de Raad, in het licht van het in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden verankerde recht op toegang tot de rechter, aanleiding het daarheen te leiden dat appellant alsnog in de gelegenheid wordt gesteld het in de vijf hiervoor bedoelde zaken verschuldigde griffierecht te voldoen, en wel als volgt:

– binnen zes weken na verzending van de daartoe strekkende brieven van de griffier van de Raad het griffierecht in twee zaken, in totaal € 220,=;

– binnen twaalf weken na verzending van de daartoe strekkende brieven van de griffier van de Raad het griffierecht in drie zaken, in totaal € 330,=.

4.31

De CRvB heeft bij uitspraak van 13 mei 2011 overwogen:35

2.2.

Opposant heeft gesteld dat de in de uitspraak van 13 oktober 2010 aangehaalde arresten Kreuz en Schneider een andere situatie betreffen, aangezien die niet zien op de heffing van griffierecht voor het instellen van beroep tegen de oplegging van een boete. De Raad overweegt thans dat het EHRM zich in het arrest Paykar vs. Armenië (van 20 december 2007, 21638/03, §48) heeft uitgesproken over de toelaatbaarheid van het heffen van griffierecht in een procedure inzake een bestraffende sanctie. Het EHRM overwoog, onder verwijzing naar onder meer het arrest Kreuz, als volgt: “the requirement to pay court fees cannot be regarded as a restriction on the right of access to a court which is incompatible per se with Article 6 § 1 of the Convention”.

2.3.

In de uitspraak van de Raad van 13 oktober 2010 zijn de vereisten opgesomd die gelet op de uitleg van het EHRM van artikel 6, eerste lid, van het EVRM aan de heffing van het griffierecht moeten worden gesteld. In navolging van de uitspraak van 13 oktober 2010 constateert de Raad dat opposant niet heeft gesteld dat de hoogte van het griffierecht in zijn geval onevenredig bezwarend is. Ter zitting heeft opposant bevestigd dat hij een zodanig inkomen heeft dat hij in staat is het griffierecht te betalen. In hetgeen opposant heeft aangevoerd ziet de Raad, mede gelet op de beleidsruimte die de verdragsstaten toekomt bij het stellen van regels betreffende de toegang tot de rechter, geen aanleiding voor de conclusie dat in het onderhavige geval onevenredige belemmeringen worden opgeworpen. De Raad concludeert dan ook dat in de uitspraak van 13 oktober 2010 met juistheid is geoordeeld dat het heffen van griffierecht in de omstandigheden van het geval geen wezenlijke inbreuk vormt op het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht op toegang tot de rechter. De Raad voegt daaraan toe dat de stelling van opposant dat het griffierecht niet onevenredig hoog mag zijn in verhouding tot de hoogte van de boete, in een stelsel als het onderhavige, waarin het griffierecht is gefixeerd op een vast (betrekkelijk laag) bedrag, in de rechtspraak van het EHRM geen steun vindt.

4.32

De ABRvS heeft bij uitspraak van 22 augustus 2012 overwogen:36

2.1.3.

Naar aanleiding van het tegen de aangevallen uitspraak gerichte hogerberoepschrift is krachtens artikel 51, eerste lid, van de Wet op de raad van State griffierecht geheven. Daarmee is niet gehandeld in strijd met artikel 6 van het EVRM. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 mei 2011 in zaak nr. 201010012/1/H1), is in die verdragsbepaling geen absoluut recht op toegang tot de rechter neergelegd. Aan de verdragsstaten komt ruimte toe bij het stellen van regels die beperkingen kunnen inhouden, mits het recht op toegang tot de rechter daardoor niet in zijn kern wordt aangetast, de gestelde beperkingen een rechtmatig doel dienen en aan de evenredigheidseis is voldaan. Aan deze voorwaarden is hier voldaan. Voorts volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2005 in zaak nr. 200506877/3 onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 24 augustus 2000 in zaak nr. 200002428/P01 en 28 september 2000 in zaak nr. 200002133/P01 (bijgevoegd), dat de heffing van griffierecht voor een bedrag in de orde van grootte als het onderhavige, niet in de weg staat aan het in artikel 6 van het EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. [Appellanten] hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat zijn het door hen verschuldigde griffierecht te voldoen.

4.33

De ABRvS heeft bij uitspraak van 6 maart 2013 overwogen:37

2. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, gelezen in samenhang met artikel 86, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, is de vreemdeling voor de behandeling van het hoger beroep griffierecht verschuldigd. Ingevolge artikel 51, vierde lid, van deze wet wijst de secretaris de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de secretarie dan wel ter secretarie dient te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.1.

Met de heffing van het griffierecht in bestuursrechtelijke zaken heeft de wetgever onder meer beoogd dat rechtzoekenden aan de hand van de daaraan verbonden kosten een zorgvuldige afweging maken of het zin heeft een zaak aan de bestuursrechter voor te leggen (zie Kamerstukken II, 1984/85, nr. 3, blz. 6 en Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 125). Daarbij is de wetgever ervan uitgegaan dat heffing van griffierecht niet tot gevolg mag hebben dat aan bepaalde groepen rechtzoekenden in feite de toegang tot de bestuursrechter wordt ontnomen (Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 125). Hieruit moet worden afgeleid dat de wetgever is uitgegaan van gevallen waarin de betrokkenen over de financiële middelen beschikken om het verschuldigde griffierecht te betalen, en dus in staat zijn de daaruit voortvloeiende last af te wegen tegen het nut van het voeren van een gerechtelijke procedure.

2.2.

In het algemeen kan worden aangenomen dat de regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht, inclusief de thans daarbij behorende bedragen aan griffierecht, van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen.

2.3.

Dit laat echter onverlet dat zich gevallen kunnen voordoen waarin heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor de rechtzoekende onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde rechtsgang. In een dergelijk geval kan de hiervoor in overweging 2.1 bedoelde, door de wetgever beoogde, afweging naar haar aard niet plaatsvinden. Mede gelet op het belang dat in een rechtsstaat toekomt aan de toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie, welk belang mede ten grondslag ligt aan artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, kan daarom in een dergelijk geval ook buiten de werkingssfeer van de genoemde artikelen niet worden aanvaard dat een (hoger) beroep wegens het niet betalen van griffierecht niet-ontvankelijk wordt verklaard. Binnen het kader van de hier toepasselijke wettelijke regeling kan dit worden bereikt door aan te nemen dat de betrokkene in deze gevallen met het achterwege laten van een betaling van griffierecht niet in verzuim is, als bedoeld in artikel 51, vierde lid van de Wet op de Raad van State.

2.4.

De secretaris heeft de vreemdeling bij brief van 26 september 2011 op de verschuldigdheid van het griffierecht gewezen en daarbij verzocht het uiterlijk op 10 oktober 2011 te voldoen. Bij brief van 9 oktober 2011 heeft de vreemdeling de Afdeling bericht niet in staat te zijn het verschuldigde griffierecht te voldoen. Hij voert daartoe onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2011 in zaak nr. 201103855/1/V2 (www.raadvanstate.nl) aan dat hij als gevolg van zijn detentie verstoken is van enig inkomen, anders dan de beloning overeenkomstig de Regeling arbeidsloon gedetineerden.

2.5.

Ter staving van zijn verzoek heeft de vreemdeling desgevraagd een detentieverklaring overgelegd, waaruit blijkt dat hij vanaf 28 november 2007 in detentie verblijft en een verklaring van de Belastingdienst dat de vreemdeling staat ingeschreven in de gemeente Noordenveld en er geen inkomensgegevens van hem bekend zijn.

2.6.

De overgelegde stukken bieden geen aanknopingspunt om aan te nemen dat de vreemdeling ten tijde van belang beschikte over eigen vermogen, dan wel over inkomsten, anders dan de gelden die hij zou kunnen verwerven met het verrichten van arbeid in detentie waarop de Regeling arbeidsloon gedetineerden van toepassing is. Hetgeen hij daarmee maximaal kon verdienen, is onvoldoende om het voor de behandeling van dit hoger beroep verschuldigde griffierecht van € 227,00 te kunnen voldoen.

2.7.

In de omstandigheden van dit geval maakt de heffing van griffierecht het voor de vreemdeling derhalve onmogelijk, althans uiterst moeilijk, om gebruik te maken van een door de wet opengestelde rechtsgang in hoger beroep. Onder deze omstandigheden kan, gelet op hetgeen hiervoor in overweging 2.3 is overwogen, redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat de vreemdeling door het niet betalen van het griffierecht in verzuim is geweest, zodat niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep achterwege dient te blijven.

3. Hetgeen de vreemdeling in het hogerberoepschrift aanvoert en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet met dat oordeel volstaan.

Jurisprudentie; lagere rechtspraak

4.34

Het gerechtshof te Arnhem heeft bij uitspraak van 20 oktober 2009 geoordeeld:38

4.4.

Voorts acht belanghebbende het in zijn zaak verschuldigde griffierecht disproportioneel en, zo begrijpt het hof, een belemmering van de toegang tot de rechter, welke belemmering in strijd is met artikel 6 van het EVRM. Geen rechtsregel gebiedt evenwel dat het bedrag van het griffierecht in een redelijke verhouding moet staan tot het financiële belang van de zaak. Het bedrag van het griffierecht mag echter niet zodanig hoog zijn dat dit, objectief gezien, een wezenlijke belemmering vormt voor de vrije toegang tot de rechter. Het griffierecht voor het hoger beroep van € 107 vormt niet een dusdanige belemmering.

4.35

Thomas annoteerde bij voornoemde uitspraak in NTFR:39

In deze procedure gaat het om de vraag in hoeverre art. 6 EVRM gebiedt tot vermindering van het griffierecht. Ik kan aan de hand van de procedurestukken niet beoordelen of art. 6 EVRM van toepassing is, zodat ik veronderstellenderwijs ervan uitga dat art. 6 EVRM inderdaad van toepassing is.

Ik deel de conclusie van Hof Arnhem dat 'geen rechtsregel gebiedt dat het bedrag van het griffierecht in een redelijke verhouding moet staan tot het financiële belang van de zaak'. Indien art. 6 EVRM van toepassing is, dient een rechterlijke instantie het verzoek om vermindering van het griffierecht en de financiële situatie en betaalcapaciteit van belanghebbende te onderzoeken (vlg. r.o. 48 en 49 EHRM 20 december 2007, nr. 21 638/03, FED 2008/20 met noot van Thomas (Paykar Yev Haghtanak ltd.)).

Hof Arnhem blijft netjes binnen de gebaande paden van het arrest Paykar Yev Haghtanak ltd. door belanghebbende in de mogelijkheid te stellen bewijs te leveren dat hij het verschuldigde griffierecht niet kan betalen.

4.36

In een boetezaak heeft het gerechtshof te Arnhem geoordeeld:40

3.2

Het Hof ziet in de omstandigheden van het onderhavige geval - waarin mede een verzuimboete is opgelegd en waarin de financiële omstandigheden van belanghebbende zodanig zijn dat deze aan betaling van het volledige bedrag aan griffierecht in de weg staan - gezien in het licht van het in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, aanleiding het ter zake van de indiening van het hoger beroep verschuldigde griffierecht te verminderen tot op € 100.

4.37

Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 7 september 2011 overwogen:41

6.6.

Ter zitting heeft de gemachtigde nog opgeworpen dat het te betalen griffierecht voor zijn cliënten een drempel opwerpt om te gaan procederen in verband met hun beperkte draagkracht. Het Hof is van oordeel dat de hoogte van het griffierecht in hoger beroep doorgaans de toegang tot de rechter niet belemmert.

Van strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is dan ook in beginsel geen sprake. Dit kan anders zijn als een belastingplichtige feiten en omstandigheden stelt en aannemelijk maakt waaruit het Hof de conclusie kan trekken dat zijn draagkracht dermate laag is dat betaling van het griffierecht de toegang tot de rechter belemmert.

In het onderhavige geval heeft belanghebbende echter niet aannemelijk gemaakt dat van een dusdanig lage draagkracht bij hem/haar sprake is.

Voorts is het Hof van oordeel dat het heffen van griffierecht in de onderhavige zaak niet in strijd is met het bepaalde in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het voormelde verdrag.

Jurisprudentie - artikel 1 Eerste Protocol

4.38

In het arrest Capital Bank AD v. Bulgaria heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) overwogen:42

133 In this connection, the Court reiterates that the first and most important requirement of Article 1 of Protocol No. 1 is that any interference by a public authority with the peaceful enjoyment of possessions should be lawful: the second sentence of the first paragraph authorises a deprivation of possessions only ‘subject to the conditions provided for by law’ and the second paragraph recognises that the States have the right to control the use of property by enforcing ‘laws’. Moreover, the rule of law, one of the fundamental principles of a democratic society, is inherent in all the Articles of the Convention (see Iatridis v. Greece [GC], no. 31107/96, § 58, ECHR 1999-II).

134 The requirement of lawfulness, within the meaning of the Convention, presupposes, among other things, that domestic law must provide a measure of legal protection against arbitrary interferences by the public authorities with the rights safeguarded by the Convention (see Malone, p. 32, § 67, and Fredin (no. 1), p. 16, § 50, both cited above; and, more recently, Hasan and Chaush v. Bulgaria [GC], no. 30985/96, § 84, ECHR 2000-XI). Furthermore, the concepts of lawfulness and the rule of law in a democratic society require that measures affecting fundamental human rights be, in certain cases, subject to some form of adversarial proceedings before an independent body competent to review the reasons for the measures and the relevant evidence (see, mutatis mutandis, Al-Nashif v. Bulgaria, no. 50963/99, § 123, 20 June 2002). It is true that Article 1 of Protocol No. 1 contains no explicit procedural requirements and the absence of judicial review does not amount, in itself, to a violation of that provision (see Fredin (no. 1), cited above, pp. 16–17, § 50). Nevertheless, it implies that any interference with the peaceful enjoyment of possessions must be accompanied by procedural guarantees affording to the individual or entity concerned a reasonable opportunity of presenting their case to the responsible authorities for the purpose of effectively challenging the measures interfering with the rights guaranteed by this provision. In ascertaining whether this condition has been satisfied, a comprehensive view must be taken of the applicable judicial and administrative procedures (see AGOSI, cited above, p. 19, § 55; Hentrich v. France, judgment of 22 September 1994, Series A no. 296–A, p. 21, § 49; and Jokela v. Finland, no. 28856/95, § 45, ECHR 2002-IV).

4.39

Voornoemd arrest is door de Hoge Raad toegepast in zijn arrest van 10 juli 2009:43

3.3.5.

Het bepaalde in artikel 1 van het Protocol brengt mee dat iedere maatregel die het ongestoorde genot van eigendom aantast, vergezeld moet gaan van procedurele garanties die de betrokkene een redelijke mogelijkheid bieden tot effectieve betwisting van de rechtmatigheid van die maatregel (vgl. EHRM 24 november 2005, no. 49429/99, Capital Bank AD tegen Bulgarije, paragraaf 134).

3.3.6.

Artikel 7, lid 2, van de Kostenwet verhindert een dergelijke betwisting, hoewel de daarin genoemde situatie dat de belastingschuldige de aanmaning niet heeft ontvangen juist een geval betreft waarin het betekenen van een dwangbevel en het daarvoor in rekening brengen van kosten, leidende tot een eigendomsontneming, niet past in het stelsel van de Invorderingswet 1990 en de daarbij aansluitende Kostenwet. De belastingschuldige behoort dan immers (nog) niet tot de categorie van wanbetalers waarvoor dit stelsel meebrengt dat zij via berekening van kosten van betekening in belangrijke mate dienen bij te dragen aan de invorderingkosten die de Belastingdienst in totaliteit maakt. De categorische uitsluiting van het genoemde verweer, zoals opgenomen in artikel 7, lid 2, van de Kostenwet, wordt niet gerechtvaardigd door de doelstelling daarvan, het uitsluiten van weinig serieuze verweren (zie Kamerstukken II 1988-1989, 21 135, nr. 3, blz. 18). Door die uitsluiting wordt immers ook het geval getroffen waarin het bedoelde verweer gegrond en daarmee per definitie serieus is. Daarbij dient verder te worden opgemerkt dat deze categorische uitsluiting evenmin kan worden gerechtvaardigd met het argument dat het geringe bedragen betreft. Bij kosten voor de betekening van een dwangbevel kan het immers om aanzienlijke bedragen gaan.

4.40

Bij arrest van 22 oktober 2010 heeft de Hoge Raad opnieuw de rechtsregel uit het arrest Capital Bank AD v. Bulgaria toegepast op de zogenoemde Fierensmarge:44

3.4.2.

Artikel 1 van het Protocol brengt mee dat elke maatregel die het ongestoorde genot van eigendom aantast, waaronder de heffing van belasting, vergezeld moet gaan van procedurele garanties die de betrokkene een redelijke mogelijkheid bieden tot effectieve betwisting van de rechtmatigheid van die maatregel (vgl. EHRM 24 november 2005, no. 49429/99, Capital Bank AD tegen Bulgarije, paragraaf 134, en HR 10 juli 2009, nr. 08/01578, LJN BG4156, BNB 2009/246). Een maatregel die niet aan deze primaire eis voldoet, kan niet worden aangemerkt als "lawful" in de zin van de rechtspraak van het EHRM, en komt reeds daardoor in strijd met het Protocol. Voor de toetsing van een dergelijke maatregel aan artikel 1 van het Protocol is het derhalve niet van belang of er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het - legitieme - doel dat daarmee in het algemene belang wordt nagestreefd, in die zin dat er een redelijke verhouding ('fair balance') bestaat tussen voormeld algemeen belang en de bescherming van individuele rechten (vgl. EHRM 25 maart 1999, Iatridis tegen Griekenland, no. 31107/96, onder meer gepubliceerd in JB 1999/163, paragraaf 58).

3.4.3.

Vaststelling van de WOZ-waarde van een onroerende zaak vindt plaats met het oog op het opleggen van één of meer belastingaanslagen waarvan de hoogte mede wordt bepaald door deze waarde. In het kader van het bezwaar of beroep tegen een zodanige belastingaanslag, kan de beschikking waarbij de WOZ-waarde is vastgesteld niet meer ter discussie worden gesteld. Daarom dient de vaststelling van een dergelijke beschikking, net als de vaststelling van een belastingaanslag, te voldoen aan de in 3.4.2 beschreven, uit artikel 1 van het Protocol voortvloeiende eis dat een effectieve betwisting van de rechtmatigheid ervan mogelijk moet zijn.

3.4.4.

Een effectieve betwisting van de rechtmatigheid van de beschikking waarbij de WOZ-waarde is vastgesteld, wordt in een geval als het onderhavige verhinderd door het bepaalde in artikel 26a Wet WOZ. Immers, hoewel de vastgestelde waarde hoger is dan de WOZ-waarde die op grond van artikel 22, lid 1, Wet WOZ bij de beschikking had moeten worden vastgesteld, en de beschikking dus niet rechtmatig is, brengt artikel 26a mee dat de heffingsambtenaar niet gehouden is zijn beschikking op dit punt aan te passen indien daartegen bezwaar wordt gemaakt, en dat de rechter, indien de heffingsambtenaar niet tot een dergelijke aanpassing bereid is, de onjuiste vaststelling van de waarde moet handhaven.

Ook buiten de bestuursrechtelijke procedures van bezwaar en beroep biedt noch de Wet WOZ, noch enige andere wettelijke regeling de belanghebbende in een geval als het onderhavige, waarin fouten binnen de marge van artikel 26a Wet WOZ vallen, de mogelijkheid een administratieve of andere procedure te voeren waarin de onjuiste vaststelling van de waarde effectief kan worden betwist.

(…)

3.4.6.

Naar volgt uit het in 3.4.2 overwogene kan de onderhavige uitsluiting van iedere vorm van effectief verweer tegen een onrechtmatige aantasting van het recht op ongestoord genot van eigendom, niet worden aanvaard op grond van het - op zichzelf begrijpelijke - streven van de wetgever om de werklast voor de gemeenten en de rechter in belastingzaken te verminderen.

4.41

A-G Van Ballegooijen schrijft in zijn conclusie van 29 december 2009 voor voornoemd arrest:45

5.4

Artikel 1 Eerste Protocol EVRM stelt weliswaar niet met zoveel woorden procedurele vereisten aan de bescherming van het eigendomsrecht, maar het EHRM leest er wel proceduregaranties in. Het artikel houdt volgens het Hof in dat wanneer het eigendomsrecht wordt aangetast, dit vergezeld moet gaan van procedurele garanties om de rechtmatigheid van de genomen maatregel effectief te betwisten. Dit betekent echter nog niet dat bij aantasting van het recht op eigendom een rechterlijke procedure open moet staan waarmee een heroverweging van de beslissing plaats kan vinden. Een interne, administratieve procedure van heroverweging volstaat. Bij de beoordeling of er voldoende mogelijkheden om de genomen maatregel te betwisten aanwezig zijn, moeten de juridische en administratieve procedures die van toepassing zijn worden meegewogen.

4.42

Sanderink annoteerde bij voornoemd arrest van de Hoge Raad in AB:46

6. Zoals gezegd, dient er op grond van art. 1 EP voor de burger een redelijke mogelijkheid te bestaan om een overheidsmaatregel die zijn eigendomsrecht aantast op effectieve wijze aan te vechten. De vraag is of die mogelijkheid altijd moet bestaan of dat uitzonderingen of beperkingen toegestaan zijn. Blijkens zijn arrest lijkt de Hoge Raad aan te nemen dat bepaalde uitzonderingen of beperkingen toegestaan zijn. Hij gaat immers de rechtvaardigingen na die volgens de wetgever bestaan voor de categorische uitsluiting van de mogelijkheid om een te hoge maar binnen de marges van art. 26a Wet WOZ blijvende waardevaststelling in een procedure op effectieve wijze aan te vechten (zie rechtsoverwegingen 3.4.6 tot en met 3.4.8). Het is blijkens de rechtspraak van het EHRM aannemelijk dat bepaalde beperkingen inderdaad toegestaan zijn. Met name uit het arrest-Capital Bank AD/Bulgarije en het arrest-Družstevní Záložna Pria e.a./Tsjechië lijkt dit te volgen, omdat het EHRM in die arresten aandacht besteedt aan de aangevoerde (of juist niet aangevoerde) rechtvaardigingen voor de in die arresten aan de orde zijnde beperkingen (zie EHRM 24 november 2005, Capital Bank AD/Bulgarije, r.o. 135-138 (zaaknr. 49429/99), RvdW 2006/64; EHRM 31 juli 2008, Družstevní Záložna Pria e.a./Tsjechië, r.o. 91-94 (zaaknr. 72034/01), RvdW 2009/298). In het laatstgenoemde arrest suggereert het EHRM dat de mogelijkheid om een overheidsmaatregel die het eigendomsrecht aantast op effectieve wijze aan te vechten in ieder geval niet in de kern gefrustreerd mag worden (‘must not impair the very essence’).

7. Het EHRM lijkt daarmee aan te sluiten bij zijn rechtspraak over art. 6 EVRM. Ook het door dat artikel gegarandeerde recht op toegang tot de rechter is immers niet absoluut. Beperkingen zijn volgens vaste jurisprudentie toegestaan, mits zij een gerechtvaardigd doel dienen, proportioneel zijn én geen afbreuk doen aan de kern van het recht op toegang tot de rechter (zie bijvoorbeeld EHRM 8 juni 2006, Woś/Polen, r.o. 98 (zaaknr. 22860/02), EHRC 2006, 99). In dit verband kan erop gewezen worden dat het EHRM in het genoemde arrest-Woś/Polen heeft geoordeeld dat de absolute uitsluiting van elke procedure waarin de burger beslissingen van een (semi-)overheidsinstantie over de toekenning van een vergoeding voor dwangarbeid in de Tweede Wereldoorlog door een rechter kan laten toetsen, disproportioneel was en het recht op toegang tot de rechter in de kern aantastte (zie EHRM 8 juni 2006, Woś/Polen, r.o. 111 (zaaknr. 22860/02), EHRC 2006, 99). Het EHRM kent in dat kader in rechtsoverweging 108 nog belang toe aan het feit dat de klager ook geen andere manier om redres te verkrijgen ter beschikking stond (vergelijk ook EHRM 2 december 2010, Putter/Bulgarije, r.o. 54-55 (zaaknr. 38780/02), waarin het EHRM oordeelde dat het feit dat de nationale rechter weigerde de juistheid van een door de overheid vastgestelde waarde te beoordelen, hoewel die waarde van essentieel belang was voor de beslechting van het geschil over de hoeveelheid aandelen waarop de klagers recht hadden, de kern van het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter aantastte, aangezien er aan de klager ook geen andere manier om redres te verkrijgen ter beschikking stond). In dit licht kent de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.4.4 van bovenstaand arrest terecht belang toe aan het feit dat belanghebbende in cassatie de waardevaststelling, voor zover de afwijking daarvan ten opzichte van de werkelijke waarde binnen de marges van art. 26a Wet WOZ blijft, ook niet in enige andere procedure (dan de procedure van bezwaar en beroep bij de belastingrechter) effectief kan aanvechten. Deze situatie, waarin waardevaststellingen die onjuist en dus onrechtmatig zijn op geen enkele wijze met succes aangevochten kunnen worden, moet mijns inziens evident in strijd met de ‘rule of law’ geoordeeld worden en zij moet ook als een niet-toegestane aantasting worden beschouwd van de kern van de door art. 1 EP gewaarborgde mogelijkheid om een overheidsmaatregel die het eigendomsrecht aantast op effectieve wijze aan te vechten. In dit verband dient opgemerkt te worden dat het uitsluiten van een effectief rechtsmiddel tegen overheidsbesluiten arbitrair optreden van en misbruik van bevoegdheid door de overheid in de hand werkt. Zo is niet uitgesloten dat heffingsambtenaren, wetende dat de burger hier toch niets tegen kan doen, de waarde van objecten bewust te hoog maar binnen de marges van art. 26a Wet WOZ vaststellen om de belastinginkomsten op te schroeven. Dit zou niet verenigbaar zijn met het beginsel van de ‘rule of law’ en het beginsel dat arbitraire machtsuitoefening voorkomen moet worden, hetgeen beginselen zijn die aan het EVRM ten grondslag liggen (zie bijvoorbeeld EHRM 8 juni 2006, Woś/Polen, r.o. 97 en 106 (zaaknr. 22860/02), EHRC 2006, 99, waarin het EHRM het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter met deze twee beginselen in verband brengt). Het uit art. 1 EP afgeleide vereiste dat elke overheidsmaatregel die het eigendomsrecht aantast op effectieve wijze aangevochten moet kunnen worden brengt het EHRM, net als het recht op toegang tot de rechter op grond van art. 6 EVRM, ook in verband met deze twee beginselen (zie EHRM 24 november 2005, Capital Bank AD/Bulgarije, r.o. 134 (zaaknr. 49429/99), RvdW 2006/64; EHRM 31 juli 2008, Družstevní Záložna Pria e.a./Tsjechië, r.o. 89 (zaaknr. 72034/01), RvdW 2009/298).

8. De Hoge Raad acht de door art. 26a Wet WOZ gecreëerde uitsluiting van iedere mogelijkheid om een onrechtmatige aantasting van het eigendomsrecht op effectieve wijze aan te vechten in het licht van het voorgaande terecht niet aanvaardbaar. Het streven van de wetgever om de werklast voor de gemeenten en de rechter in belastingzaken te verminderen kan, zoals de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.4.6 oordeelt, de categorische uitsluiting van die mogelijkheid niet rechtvaardigen. De wetgever kan rechtsstatelijke waarborgen, zoals de mogelijkheid om een overheidsbeslissing in een gerechtelijke of andere procedure op effectieve wijze aan te vechten, niet (ten aanzien van bepaald overheidsoptreden) simpelweg geheel terzijde stellen, zeker niet als dat slechts om doelmatigheidsredenen gebeurt. Procedurele beperkingen, zoals redelijke griffierechten en redelijke beroepstermijnen, kunnen daarentegen wel gerechtvaardigd zijn, omdat daardoor de mogelijkheid om een overheidsbeslissing aan te vechten niet absoluut uitgesloten wordt. De Hoge Raad oordeelt in rechtsoverweging 3.4.7 bovendien dat de bedoelde categorische uitsluiting evenmin gerechtvaardigd kan worden door de omstandigheid dat de bepaling van de waarde van een onroerende zaak in de praktijk omgeven is met (beperkte) onzekerheidsmarges. Het gaat immers niet aan die onzekerheid eenzijdig voor risico van de burger te brengen door hem rechtsstatelijke waarborgen te ontnemen, zeker niet indien de waardevaststelling evident onjuist is of de burger en de heffingsambtenaar het zelfs eens zijn over de onjuistheid ervan. Tot slot overweegt de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.4.8 dat de categorische uitsluiting ook niet aanvaard kan worden op grond van het argument dat het voor de belastingplichtige slechts om geringe bedragen gaat, omdat een te hoog en dus onrechtmatig vastgestelde WOZ-waarde wel degelijk kan leiden tot de heffing van belasting die meer dan gering afwijkt van de belasting die bij een juist vastgestelde WOZ-waarde verschuldigd zou zijn geweest

Jurisprudentie EHRM - artikel 6 EVRM

4.43

In het arrest Kreuz v. Poland, dat gaat over de verhouding tussen artikel 6 EVRM en de heffing van griffierechten, heeft het EHRM overwogen:47

53. The “right to a court” is not absolute. It may be subject to limitations permitted by implication because the right of access by its very nature calls for regulation by the State. Guaranteeing to litigants an effective right of access to courts for the determination of their “civil rights and obligations”, Article 6 par. 1 leaves to the State a free choice of the means to be used towards this end but, while the Contracting States enjoy a certain margin of appreciation in that respect, the ultimate decision as to the observance of the Convention’s requirements rests with the Court (see the Golder v. the United Kingdom and Z and Others v. the United Kingdom judgments cited above, ibid.; and, mutatis mutandis, the Airey v. Ireland judgment of 9 October 1979, Series A no. 32, pp. 14–15, par. 26).

54. The Court has ruled that in some cases, in particular where the limitations in question related to the conditions of admissibility of an appeal, or where the interests of justice required that the applicant, in connection with his appeal, provide security for costs to be incurred by the other party to the proceedings, various limitations, including financial ones, may be placed on the individual’s access to a “court” or “tribunal” (see, for instance, the Brualla Gómez de la Torre v. Spain judgment of 19 December 1997, Reports of Judgments and Decisions 1997-VIII, p. 2955, par. 33; and the Tolstoy-Miloslavsky v. the United Kingdom judgment of 13 July 1995, Series A no. 316-B, pp. 80–81, paras. 61 et seq.).

The Court has also accepted that there can be cases where the prospective litigant must obtain a prior authorisation before being allowed to proceed with his claim (see the Ashingdane v. the United Kingdom judgment of 28 May 1985, Series A no. 93, p. 25, par. 59).

However, in all those cases the Court has satisfied itself that the limitations applied did not restrict or reduce the access afforded to the applicant in such a way or to such an extent that the very essence of that right was impaired.

55. In that context, the Court underlines that a restriction placed on access to a court or tribunal will not be compatible with Article 6 par. 1 unless it pursues a legitimate aim and there is a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the legitimate aim sought to be achieved (see, for instance, the Tinnelly & Sons Ltd. and Others and McElduff and Others v. the United Kingdom judgment of 10 July 1998, Reports 1998-IV, p.1660, par. 72).

(…)

59. Having regard to the aforementioned statement of principles established by its case-law, the Court once again recalls that it has never ruled out the possibility that the interests of the fair administration of justice may justify imposing a financial restriction on the individual‘s access to a court (see paragraph 54 above and, in particular, the above-cited Tolstoy-Miloslavsky v. the United Kingdom judgment, ibid. paras. 61 et seq.).

Furthermore, the Court considers that while under Article 6 par. 1 fulfilment of the obligation to secure an effective right of access to a court does not mean merely the absence of an interference but may require taking various forms of positive action on the part of the State, neither an unqualified right to obtain free legal aid from the State in a civil dispute, nor a right to free proceedings in civil matters can be inferred from that provision (see, mutatis mutandis, the Airey v. Ireland judgment cited above, ibid. paras. 25–26).

60. The Court accordingly holds that the requirement to pay fees to civil courts in connection with claims they are asked to determine cannot be regarded as a restriction on the right of access to a court that is incompatible per se with Article 6 par. 1 of the Convention.

It reiterates, however, that the amount of the fees assessed in the light of the particular circumstances of a given case, including the applicant’s ability to pay them, and the phase of the proceedings at which that restriction has been imposed are factors which are material in determining whether or not a person enjoyed his right of access and had “a (...)hearing by [a] tribunal” (see the Tolstoy-Miloslavsky v. the United Kingdom and the Aït-Mouhoub v. France judgments cited above, ibid. par. 63 et seq. and par. 57 respectively).

4.44

In het arrest Ferrazzini v. Italy heeft het EHRM overwogen:48

-29. In the tax field, developments which might have occurred in democratic societies do not, however, affect the fundamental nature of the obligation on individuals or companies to pay tax. In comparison with the position when the Convention was adopted, those developments have not entailed a further intervention by the State into the 'civil' sphere of the individual's life. The Court considers that tax matters still form part of the hard core of public-authority prerogatives, with the public nature of the relationship between the taxpayer and the community remaining predominant. Bearing in mind that the Convention and its Protocols must be interpreted as a whole, the Court also observes that Article 1 of Protocol No. 1, which concerns the protection of property, reserves the right of States to enact such laws as they deem necessary for the purpose of securing the payment of taxes (see, mutatis mutandis, Gasus Dosier- und Fördertechnik GmbH v. the Netherlands, judgment of 23 February 1995, Series A no. 306-B, pp. 48-49, § 60). Although the Court does not attach decisive importance to that factor, it does take it into account It considers that tax disputes fall outside the scope of civil rights and obligations, despite the pecuniary effects which they necessarily produce for the taxpayer.

4.45

In de ontvankelijkheidsbeslissing in de zaak Kaya v. Austria heeft het EHRM overwogen:49

The Court finds that in the present case the levying of a court fee for access to the highest administrative court serves the good administration of justice, namely in that it discourages prospectless complaints.

4.46

In het arrest Podbielski and PPU Polpure v. Poland heeft het EHRM overwogen:50

65. In the present case the applicant had to desist from pursuing his case before civil courts because his company was unable to pay the court fee of PLN 10,000; which it had been required to pay for proceeding with the appeal.

It is true that no right to appeal in civil cases can be inferred from the Convention and that, given the nature of appeal proceedings and the fact that a person has already had his case heard before the first-instance court, the State would in principle be allowed to put even strict limitations on access to a court of appeal.

4.47

In het arrest Bakan c. Turquie heeft het EHRM overwogen:51

72. Toutefois, le tribunal administratif a considéré que les requérants ne pouvait pas prétendre à l'impossibilité de payer les frais de procédure parce qu'ils étaient représentés par un avocat. À l'appui de cet argument, il s'est référé à une jurisprudence du Conseil de l'État.

73. Aux yeux de la Cour, le motif du tribunal administratif sur ce point n'est pas pertinent. Le tribunal administratif a supposé que les requérants disposaient de ressources suffisants en se basant sur le simple fait qu'ils bénéficiaient de l'assistance d'un avocat. Il s'est livré ainsi à une appréciation sans tenir compte de la situation financière réelle des intéressés. Tel qu'il ressort de la lettre du 26 octobre 1998, adressé au tribunal administratif, l'avocat n'avait pas perçu d'honoraires.

4.48

In het arrest FC Mretebi v. Georgia heeft het ERHM overwogen:52

44. The Government's further argument that the applicant, having received a sum in arrears from Dinamo FC, should have put aside the necessary funds in order to institute the judicial proceedings, is also unconvincing. The fact is that the applicant was insolvent and its activities had been wound up by the time the case reached the Supreme Court, the latter being duly informed thereof. The applicant even desisted from playing in the national football championship on account of its inability to pay the participation fee (see paragraphs 26 and 28 above). In such circumstances, if the Supreme Court, as asserted by the Government, in fact only looked into the applicant's earnings, its omission to inquire into the club's expenditures and outstanding debts appears to have been arbitrary. Assuming that the Supreme Court considered that the applicant's allegation of insolvency was not sufficiently substantiated by the material in the case file, it should have stated so in its warning decision of 30 January 2004 and invited the latter to submit the missing documents. However, contrary to the Government's assertion, the Court observes that the Supreme Court did not do so. It was only in the Government's response in the present proceedings that an explanation was forthcoming for the Supreme Court's otherwise unmotivated decision of 30 January 2004 (paragraphs 27, 35 and 36 above).

45. The Court further observes that the Government's referral to Article 102 § 1 of the CCP, imposing an equal burden of proof on both the claimant and respondent in adversarial civil proceedings, is irrelevant. In the present case, the problem lay not in the relations between the parties to a dispute but between a party and the judiciary. The Court considers that, in situations like the present, where the judicial authorities consider a party's declaration of insolvency to be dubious or insufficient, they should request from that party more information by listing the missing documents and/or ordering the verification of the information provided (see, mutatis mutandis, Jedamski and Jedamska, cited above, § 64; Kreuz, cited above, § 64).

4.49

In het arrest Paykar Yev Haghtanak ltd. v. Armenia heeft het EHRM overwogen:53

44. The Court reiterates that the right to a court, of which the right of access constitutes one aspect, is not absolute but may be subject to limitations. Nevertheless, the limitations applied must not restrict the access left to the individual in such a way or to such an extent that the very essence of the right is impaired. Furthermore, a limitation will not be compatible with Article 6 § 1 if it does not pursue a legitimate aim and if there is not a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be achieved (see, among other authorities, Khalfaoui v. France, no. 34791/97, § 35, ECHR 1999‑IX, and Papon v. France, no. 54210/00, § 90, ECHR 2002‑VII).

45. The Court further reiterates that, where appeal procedures are available, Contracting States are required to ensure that physical and legal persons within their jurisdictions continue to enjoy the same fundamental guarantees of Article 6 before the appellate courts as they do before the courts of first instance (see Brualla Gómez de la Torre v. Spain, judgment of 19 December 1997, Reports of Judgments and Decisions 1997-VIII, p. 2955, § 33, Tinnelly & Sons Ltd and Others and McElduff and Others v. the United Kingdom, judgment of 10 July 1998, Reports 1998-IV, p. 1660, § 72, and Khalfaoui, cited above, § 37). Moreover, restrictions which are of a purely financial nature and which are completely unrelated to the merits of an appeal or its prospects of success should be subject to a particularly rigorous scrutiny from the point of view of the interests of justice (see Podbielski and PPU Polpure v. Poland, no. 39199/98, § 65, 26 July 2005).

46. In the present case, the applicant company's cassation appeal was not examined due to its failure to pay the court fee. The Court notes that the parties disagreed as regards the circumstances surrounding the applicant company's request for deferral of payment of the court fee of 3 February 2003, which the applicant company had submitted together with its cassation appeal (see paragraph 18 above). In this respect, the Court notes that the Government's argument that this request had been examined and granted by the Court of Cassation is not supported by the materials of the case. On the contrary, all the materials suggest that the Court of Cassation, as opposed to the Commercial Court of Appeal and the Commercial Court, did not take any decision on the applicant company's request. It is not clear on what grounds the Government referred to the Court of Cassation's letter of 14 February 2003 as a “decision” taken on the applicant company's request for deferral, especially in view of the fact that this letter contains no mention whatsoever of this request or the circumstances surrounding it (see paragraph 19 above). The Court therefore concludes that the applicant company's request for deferral was not examined by the Court of Cassation.

47. Furthermore, while it appears from the decisions of the Commercial Court of Appeal of 31 August 2001 (see paragraph 9 above) and the Commercial Court of 18 January 2002 (see paragraph 15 above) that commercial entities have the opportunity to benefit from a deferred payment of a court fee by virtue of Article 21 (d) of the Law on State Fees, it is evident from the letter of 13 March 2003 that the Court of Cassation, in not examining the applicant company's request for deferral, was guided – whether by analogy or not – by Article 70 § 3 of the CCP, which flatly prohibits commercial entities from being exempted from payment of court fees (see paragraph 22 above).

48. The Court observes that the requirement to pay court fees cannot be regarded as a restriction on the right of access to a court which is incompatible per se with Article 6 § 1 of the Convention. However, the amount of such fees assessed in the light of the particular circumstances of a given case, including the applicant's ability to pay them, and the stage of proceedings at which such a restriction is imposed, are factors which are material in determining whether or not a person enjoyed his right of access (see Kreuz, cited above, § 60). Accordingly, the Court considers it necessary to examine whether, in rejecting the applicant company's request for deferral of the court fee, the Court of Cassation took into account the particular circumstances of the applicant company's case, first of all its ability to pay.

49. In this respect, the Court notes that the Court of Cassation did not examine the applicant company's request for deferral in which the applicant company had made claims about its inability to pay. Therefore, the Court of Cassation had no direct knowledge of the applicant company's financial situation. Moreover, as already indicated above, the Court of Cassation was prevented from making any assessment of the applicant company's ability to pay by the express provisions of the law (see paragraph 47 above). The Court considers, however, that such a blanket prohibition on granting court fee exemptions as contained in those provisions raises of itself an issue under Article 6 § 1 of the Convention. The Government's argument that a commercial entity should, unless it had been declared insolvent, have sufficient means to pay a court fee, is hypothetical (see, mutatis mutandis, Jedamski and Jedamska v. Poland, no. 73547/01, § 63, 26 July 2005, and Teltronic-CATV v. Poland, no. 48140/99, § 57, 10 January 2006), and therefore does not affect the Court's opinion on this matter.

50. In view of the above, the Court concludes that the applicant company was denied access to court in violation of Article 6 § 1 of the Convention.

4.50

In het arrest Granos Organicos Nacionales S.A. v. Germany heeft het EHRM overwogen:54

45. The Court reiterates that the right to a court, of which the right of access constitutes one aspect, is not absolute but may be subject to limitations. Nevertheless, the limitations applied must not restrict the access left to the individual in such a way or to such an extent that the very essence of the right is impaired. Furthermore, a limitation will not be compatible with Article 6 § 1 if it does not pursue a legitimate aim and if there is not a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be achieved (see, among other authorities, Khalfaoui v. France, no. 34791/97, § 35, ECHR 1999-IX; Papon v. France, no. 54210/00, § 90, ECHR 2002-VII; and Paykar Yev Haghtanak Ltd v. Armenia, no. 21638/03, § 44, 20 December 2007).

Literatuur

4.51

Den Ouden annoteerde bij ABRvS 4 juli 2011, nr. 201103855/1/V2 in NTFR:55

1. (…) De belanghebbende – een in een EBI verblijvende vreemdeling – kon met een uurloon van maximaal € 0,76 en zonder te beschikken over eigen vermogen onmogelijk het voor het hoger beroep verschuldigde griffierecht van € 227 en dat voor het beroep in eerste aanleg (€ 150) voldoen. Daarvoor zou hij 496 uren hebben moeten werken!

(…)

3. Het antwoord op de vraag welk toetsingshandvat de belastingrechter in ‘kale’ belastingzaken – die niet onder de reikwijdte van art. 6 EVRM vallen – heeft, kan naar mijn mening worden gevonden in de arresten van de Hoge Raad inzake de toekenning van een immateriële schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn in belastinggeschillen (HR 10 juni 2011, nrs. 09/02639, 09/05112, 09/05113. NTFR 2011/1366, NTFR 2011/1367 en NTFR 2011/1368). In die arresten overwoog de cassatierechter dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan art. 6 EVRM mede ten grondslag ligt evenzeer geldt binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling. Dit beginsel noopt ertoe, aldus de Hoge Raad, dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Ik voeg daaraan toe dat het algemene rechtsbeginsel van rechtszekerheid ook ertoe noopt dat de toegangsweg naar dat onafhankelijke en onpartijdige gerecht niet wezenlijk wordt geblokkeerd. Een andere reddingsboei voor de rechtzoekende burger zou kunnen zijn art. 1, Eerste Protocol, EVRM.

5 Beschouwing

5.1

De Staatssecretaris betoogt dat het Hof ten onrechte “in de omstandigheden van het onderhavige geval waarin de financiële omstandigheden van belanghebbende zodanig zijn dat deze aan betaling van het volledige bedrag aan griffierecht in de weg staan (…) aanleiding ziet het ter zake van de indiening van het hoger beroep verschuldigde griffierecht te verminderen tot op € 20”.

5.2

Het Hof heeft de verlaging van het griffierecht niet gebaseerd op de in verband hiermee geldende wetgeving, maar op het recht op toegang tot de rechter. Die toegang wordt naar het oordeel van het Hof gewaarborgd door artikel 6, eerste lid, EVRM56 voor wat betreft de opgelegde vergrijpboeten en door een algemeen rechtsbeginsel voor wat betreft de aanslag.57

5.3

Alvorens in te gaan op dit oordeel van het Hof, wil ik bezien in hoeverre de toegang tot de rechter hier al door de Nederlandse wetgeving zelf gewaarborgd wordt.

De nationale wetgeving

5.4

In de onderhavige zaak was belanghebbende op grond van artikel 27l AWR58 griffierecht verschuldigd ten bedrage van € 112. Dit griffierecht wordt geheven door de griffier; tekstueel gaat het om een automatisme. De wettekst geeft een gerechtshof niet de bevoegdheid om te bepalen dat een lager dan uit de wet voortvloeiend griffierecht zal worden geheven.59 Evenmin geeft de wet een gerechtshof (expliciet) de bevoegdheid te bepalen dat het verschuldigde bedrag binnen een andere termijn dan de door de wet gegeven termijn van vier weken60 na de dag van verzending van de mededeling van de griffier dient te zijn betaald (al komt het verlenen van enig uitstel wel eens voor).

5.5

Op grond van artikel 27l, lid 4, AWR61 in samenhang met artikel 8:41, lid 2, Awb62 blijft niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het hoger beroep in verzuim is geweest met het betalen van het griffierecht.

5.6

Het is de vraag of die wettelijk voorziene mogelijkheid van verschoonbaarheid is beperkt tot betaling ontvangen na verloop van de daartoe gestelde termijn, of zich ook uitstrekt tot gevallen waarin helemaal niet betaald is. Het komt mij voor dat de wettelijke formulering hier niet tot een dergelijke beperking dwingt. Ook als een indiener het griffierecht helemaal niet heeft betaald, is ‘het bedrag niet binnen de termijn bijgeschreven of gestort’. Dat betekent mijns inziens dat ook in dat geval kan worden getoetst of redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

5.7

Vervolgens kan worden toegekomen op de hier voorliggende rechtsvraag of kan worden geoordeeld dat een indiener in verzuim is als de oorzaak van dat verzuim is dat hij, gelet op zijn financiële mogelijkheden, het griffierecht niet kan voldoen.

5.8

In belastingzaken zou eenzelfde redenering kunnen worden gevolgd als de ABRvS heeft gehanteerd.63 Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met de heffing van griffierecht onder meer heeft beoogd dat rechtzoekenden een ‘zorgvuldiger afweging [maken] van het belang en de zin van het instellen van een procedure tegenover de aan het verkrijgen van een rechterlijke uitspraak verbonden inspanningen en kosten’. Uitgangspunt van de wetgever was daarbij dat ‘[h]et recht (…) niet zo hoog [is] dat aan bepaalde groepen rechtzoekenden in feite de toegang tot de rechter wordt ontnomen’.64 Daaruit zou kunnen worden afgeleid, zoals de ABRvS heeft gedaan, dat de wetgever ‘is uitgegaan van gevallen waarin de betrokkenen over de financiële middelen beschikken om het verschuldigde griffierecht te betalen, en dus in staat zijn de daaruit voortvloeiende last af te wegen tegen het nut van het voeren van een gerechtelijke procedure.’

5.9

Een ratio voor de heffing van griffierecht is dat de wetgever heeft gewild dat de rechtzoekenden een zekere financiële bijdrage zouden leveren ter bestrijding van de door hun procedure opgeroepen kosten. Griffierechten worden in belastingzaken geheven omdat van de indiener van het beroep wordt verlangd dat hij een deel van de aan een gerechtelijke procedure verbonden kosten draagt (budgettair doel).65 Het lijkt mij echter onaanvaardbaar aan rechtzoekenden die geen bijdrage kunnen betalen mee te delen dat de overheid hun procedure niet wil laten doorgaan omdat de overheid daarvan niet alle kosten wil dragen.66 Uit niets blijkt dat de wetgever onvermogenden in zo’n positie zou willen laten belanden.

5.10

Daarnaast moet de heffing van een griffierecht bijdragen tot een zorgvuldig gebruik van voorzieningen van rechtspraak, doordat de indiener een zorgvuldiger afweging van het belang en de zin van het instellen van een procedure tegenover de aan het verkrijgen van een rechterlijke uitspraak verbonden inspanningen en kosten moet maken.67 Dat is, zoals ook de civiele kamer van de Hoge Raad heeft geoordeeld, als een gerechtvaardigd doel aan te merken.68

5.11

Een indiener van een beroep die, gelet op zijn financiële mogelijkheden, geen enkele mogelijkheid heeft het griffierecht te voldoen, is niet in staat de door de wetgever beoogde afweging te maken; hij heeft geen andere keus dan van het instellen van beroep af te zien. Ook dit lijkt mij niet de in overeenstemming met hetgeen de wetgever heeft bedoeld met de wettelijke regeling van het griffierecht.

5.12

Een en ander moet mijns inziens betekenen dat na constatering van financieel onvermogen om het wettelijk voorziene griffierecht (geheel) te betalen, die niet-betaling verschoonbaar is en niet behoeft te leiden tot het oordeel dat de indiener in verzuim is geweest. Mij lijkt dat ook rechtspersonen in een dergelijke situatie kunnen komen te verkeren. À l’impossible nul n’est tenu.

5.13

De geadieerde rechter zal moeten beoordelen of het griffierecht redelijkerwijs kon worden voldaan,69 waarbij aan de mate van financieel onvermogen mijns inziens vrij strenge eisen moeten worden gesteld. Misschien is het praktisch een algemene minimumgrens te gaan hanteren, zoals een inkomen gelegen beneden de bijstandsnorm.

5.14

Het zal algemeen geformuleerd moeten gaan om varianten van weinig inkomsten en/of geen vermogen en/of schulden. Om redenen van uitvoerbaarheid lijkt het mij niet goed mogelijk inschattingen mee te nemen van eventuele mogelijkheden om geld te lenen of potentiële verdiencapaciteit. Verder is het een zaak van casuïstiek. Zo lijkt het, om een voorbeeld uit de niet-fiscale bestuursrechtelijke jurisprudentie te noemen, aannemelijk dat de niet-betaling van een gedetineerde zonder enig vermogen, die 496 uren zou moeten werken om het griffierecht (binnen de termijn) te voldoen,70 verschoonbaar moet worden geacht.

5.15

In dit kader rijst de vraag of een indiener zich op financieel onvermogen tot betaling van griffierecht moet beroepen voordat de betalingstermijn is verstreken of dat dit ook daarna nog kan. Dienaangaande merk ik op dat de belastingrechter in principe gehouden is de ontvankelijkheidsvraag ambtshalve te onderzoeken.71 Dat brengt mijns inziens met zich mee dat de rechter aan de indiener ten minste één gelegenheid moet bieden om feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan het onbetaald laten van het griffierecht verschoonbaar zou kunnen zijn.72

5.16

Een dergelijk, ambtshalve te verlangen, initiatief van de rechter zal alsdan uiteraard plaats moeten vinden nadat de niet-betaling is gebleken en voor de uitspraak. Een en ander laat onverlet dat de indiener reeds in een eerder stadium omstandigheden mag aanvoeren.73

5.17

Naar aanleiding van de geboden gelegenheid is het woord aan de indiener. Deze zal zijn financiële beperkingen moeten stellen en zonodig moeten bewijzen.

5.18

Indien aan een indiener van beroep nog geen gelegenheid is geboden om redenen voor het onbetaald laten van het griffierecht aan te voeren en zijn beroep bij verkorte afdoening niet-ontvankelijk verklaard is, meen ik dat de redenen voor niet-betalen voor het eerst in verzet mogen worden aangevoerd.

5.19

Overigens kan de vraag worden gesteld of het op de weg van een rechterlijk college ligt om reeds bij de aanbieding van de nota griffierecht de indiener erop te wijzen dat bij aantoonbaar financieel onvermogen geen of minder griffierecht verschuldigd kan worden. Ik zie daartoe geen rechtsplicht. Daarmee wordt dit een vraag van bestuurlijke afwegingen. Een aspect daarbij dat ik niet onvermeld zou willen laten is dat het vroegtijdig actief bekendmaken van die mogelijkheid wel eens zou kunnen leiden tot vele ongegronde verzoeken met alle werk en frustratie van dien.

Het oordeel van het Hof

5.20

Gezien de door het Hof74 vastgestelde financiële positie van belanghebbende is het niet betalen van griffierecht naar mijn mening verschoonbaar te achten. In zoverre acht ik het terecht dat het verzet gegrond is verklaard.

5.21

Voorts lijkt het mij zo te zijn dat wie het meerdere kan, het verschoonbaar verklaren van het niet-betalen van griffierecht, ook het mindere kan, het verschoonbaar achten van het niet-betalen van een deel van het griffierecht, zoals in casu het deel dat boven € 20 uitgaat.75

5.22

Mijn benadering is aldus gebaseerd op toepassing van Nederlandse formele belastingwetgeving, als bezien in het licht van hetgeen de wetgever heeft bedoeld met de onderhavige heffing van griffierecht. In zoverre acht ik verdragstoetsing niet nodig.

5.23

Dat neemt niet weg dat er wel verdragsaspecten zijn. Die zien met name op het, mijns inziens reeds naar Nederlands recht belangrijke uitgangspunt, dat de toegang tot de rechter niet onmogelijk moet worden gemaakt door de slechte financiële situatie waarin een rechtzoekende zich bevindt.

5.24

Het gaat hier om een naheffingsaanslag en een vergrijpboete. In het kader van een beroep op het EVRM tot buiten toepassing laten van een wettelijke regeling pleegt onderscheid te worden gemaakt tussen de boete, waarop met name artikel 6 van het EVRM ziet, en de naheffingsaanslag, waarop met name ziet het beginsel dat toegang tot de rechter niet onmogelijk mag worden gemaakt; in casu omdat de slechte financiële toestand van belanghebbende hem niet in staat stelt het griffierecht (volledig) te betalen.76

5.25

Het Hof heeft er mijns inziens op zichzelf terecht op gewezen dat op ‘belastingaanslagen (…) het bepaalde in artikel 6 van het EVRM niet van toepassing [is] omdat dergelijke geschillen buiten het bereik vallen van die bepaling’. Het arrest Ferrazzini v. Italy77is mijns inziens in principe nog niet achterhaald. In zoverre kan de uit de wet voortvloeiende verplichting van de indiener om griffierecht te betalen, voorzover dat griffierecht is toe te rekenen aan de naheffingsaanslag niet worden getoetst aan artikel 6 EVRM.78 Het komt mij echter voor dat hier voor een dergelijke opsplitsing geen plaats is. De betaling van griffierecht is een wettelijke eis voor toegang tot de (belasting)rechter. Griffierecht wordt bij de aanvang van een instantie eenmalig geheven. Bij de bepaling van de hoogte van het griffierecht wordt geen onderscheid gemaakt naar gelang een bepaalde procedure ziet op een belastingaanslag en/of een boete en/of enige andere fiscale beschikking.79

5.26

Dat betekent mijns inziens dat nu artikel 6 EVRM hier van toepassing is gezien de boete, een eventueel daarop gebaseerde verschoonbaarheid van het niet betalen van griffierecht wegens financieel onvermogen, geldt voor het gehele griffierecht.80 Die situatie doet zich hier mijns inziens inderdaad voor.

5.27

Zoals het Hof terecht heeft geoordeeld is voor zover het beroep betrekking heeft op de boete artikel 6 EVRM van toepassing.81 Het EHRM heeft geoordeeld dat het recht op toegang tot een rechter in artikel 6 EVRM besloten ligt.82

5.28

Onder omstandigheden kan het heffen van griffierecht een op grond van artikel 6 EVRM onaanvaardbare belemmering van de toegang tot de rechter vormen. Ook de wetgever heeft dit onder ogen gezien.83 Het recht op toegang tot de rechter is niet absoluut, maar kan onderworpen zijn aan beperkingen, zoals het heffen van een griffierecht. De daarin gelegen beperkingen moeten een legitiem doel dienen84 en voldoen aan de eis van proportionaliteit.85

5.29

Om vast te stellen of een bepaalde heffing van griffierecht voldoet aan de eis van proportionaliteit, moet worden vastgesteld of de toegang tot de rechter in de kern wordt aangetast.86 Daartoe moet het heffen van griffierecht worden beoordeeld in het licht van de specifieke omstandigheden van de zaak.87 Tot de relevante omstandigheden behoren mijns inziens in ieder geval (i) de draagkracht van de indiener,88 (ii) het stadium van de procedure waarin het griffierecht wordt geheven,89 en (iii) de hoogte van het griffierecht,90 zowel absoluut91 als relatief.92

5.30

Het staat mijns inziens op grond van de door het Hof in r.o. 2.17 vastgestelde feiten en omstandigheden vast dat de oorspronkelijke heffing van griffierecht in deze zaak in het licht van artikel 6 ERVM dusdanig disproportioneel te achten is dat het recht op toegang tot de rechter in de kern wordt aangetast.93

5.31

Daarbij verdient vermelding dat de door het Hof geboden oplossing voor van vermindering van griffierecht deswege ook past in de wetsgeschiedenis van de regeling van het griffierecht.94 In de wetsgeschiedenis is specifiek in verband met zaken waarop artikel 6 EVRM van toepassing is opgemerkt dat indien de rechter van oordeel is dat toepassing van de regeling in een concrete zaak het recht op toegang tot de rechter belemmert, hij kan bepalen dat van de indiener van het beroep een zodanig recht wordt geheven dat de rechtsgang in die zaak is verzekerd.95

5.32

Overigens merk ik op dat nu belastingheffing leidt tot aantasting van het ongestoorde genot van eigendom, op belastingaanslagen artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM96 van toepassing is.97 Het bepaalde in artikel 1 van het Eerste Protocol brengt mee dat iedere maatregel die het ongestoorde genot van eigendom aantast, vergezeld moet gaan van procedurele garanties die de betrokkene een redelijke mogelijkheid bieden tot effectieve betwisting van de rechtmatigheid van die maatregel in een procedure.98

5.33

De vraag kan worden gesteld of als procedure genoegen mag worden genomen met een enkele bezwaarprocedure. Zou men de processuele waarborg van artikel 1 Eerste Protocol zo moeten opvatten dat daartoe een bezwaarprocedure al voldoende is?99 Enerzijds geldt dat men kan zeggen dat een bezwaarprocedure, die waarborgen bevat om het besluit volledig en onbevangen te heroverwegen,100 een redelijke mogelijkheid tot effectieve betwisting biedt.101 In zoverre kan worden gemeend dat artikel 1 Eerste Protocol niet het recht geeft op toegang tot een onafhankelijke rechter, zoals artikel 6 EVRM wel geeft.

5.34

Anderzijds zijn de door artikel 1 Eerste Protocol gewaarborgde rechten, naar het mij voorkomt, van zodanig gewicht dat de verlangde effectieve betwistbaarheid van de rechtmatigheid van vermeende schendingen van die rechten, mijns inziens zou verlangen dat het niet mag blijven bij wat vroeger heette ‘administratieve heroverweging’.102 Ik zie hier een essentiële rol voor de rechtspraak. Dat zou hier, naar ik meen, met zich mee moeten brengen dat de waarborgen van artikel 1 Eerste Protocol zich ook uitstrekken tot de onderhavige griffierechtsbescherming.

5.35

Dat de Hoge Raad soms bijzonder belang toekent aan fundamentele processuele rechtsbeginselen is overigens ook gebleken uit zijn arrest van 10 juni 2011 omtrent schadevergoeding bij overschrijding van een redelijke termijn van berechting.103 Het ongeschreven rechtszekerheidsbeginsel werd daar gesteld boven een daaraan in de weg staande wet(tekst).104 Wellicht meer dan een gelegenheidsarrest.105

5.36

Een en ander brengt mij tot de opvatting dat het oordeel van het Hof inhoudende dat het verschuldigde griffierecht moet worden verminderd tot op € 20, op de verschillende grondslagen als voornoemd, berust op een juiste rechtsopvatting.

5.37

Het middel faalt.

Proceskostenveroordeling

5.38

Voor zover de Staatssecretaris bedoelt op te komen tegen het oordeel van het Hof inzake de proceskostenvergoeding, merk ik het volgende op. De Staatssecretaris vindt het opvallend ‘dat de Inspecteur veroordeeld wordt in de kosten van het geding (…), terwijl hij niet betrokken is bij het in rekening brengen van het griffierecht en ook niet betrokken is bij de procedure.’ Dat een proceskostenvergoeding wordt gebracht voor rekening van de Inspecteur, ofschoon deze niet betrokken is bij het in rekening brengen van het griffierecht en ook niet betrokken is bij de verzetsprocedure, is mijns inziens te baseren op het uitgangspunt dat de behoefte aan het voeren van een fiscale procedure is opgeroepen door de door de Inspecteur opgelegde belastingaanslag. Daaruit volgt naar mijn mening dat indien een belanghebbende in de loop van de daarop volgende fiscale procedure met vrucht enig rechtsmiddel aanwendt, de kosten daarvan moeten worden gebracht voor rekening en risico van de Inspecteur.106

6 Conclusie

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatsecretaris ongegrond dient te worden verklaard.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Een voor wat betreft de verschoonbaarheid van het onbetaald laten van het griffierecht vergelijkbare zaak van een andere belanghebbende is bij de Hoge Raad aanhangig onder nr. 12/04639, naar aanleiding van de uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden van 25 september 2012, nr. 12/00046 (niet gepubliceerd). In die zaak neem ik heden ook conclusie.

2 De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten uit de processtukken waarin een tekstbewerking voorkomt, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven.

3 Inspecteur van de Belastingdienst/[P].

4 Rechtbank te Haarlem 21 oktober 2011, nr. AWB 10/2093 (niet gepubliceerd).

5 Voor het verzet is geen afzonderlijk griffierecht verschuldigd.

6 Thans is de door artikel 27l, tweede lid, AWR geregelde materie opgenomen in artikel 8:109 Awb.

7 Kamerstukken II 1985/86, 18 835, nr. 9, p. 2.

8 Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 125.

9 Tot 1 januari 2005 waren de gerechtshoven belastingrechter in eerste aanleg.

10 Kamerstukken II 1997/98, 25 175, nr. 5, p. 20-21.

11 Vermoedelijk wordt hier HR 28 juni 1994, NJ 1995/657 bedoeld.

12 Kamerstukken I 1997/98, 25 175, nr. 323b, p. 4.

13 Advies nr. 139/95/MS over het conceptwetsvoorstel tot herziening van het fiscale procesrecht d.d. 31 oktober 1995.

14 Hoge Raad 17 juni 1992, nr. 27723, BNB 1992/277.

15 ECRM 16 oktober 1995, nr. 21351/93, V-N 1997/825 met noot redactie.

16 Hoge Raad 10 januari 2001, nr. 35782, ECLI:NL:HR:2001:AA9393, BNB 2001/270.

17 BNB 2001/270.

18 Hoge Raad 23 juni 2006, nr. 42301, ECLI:NL:HR:2006:AX9137, BNB 2006/294.

19 Hoge Raad 4 maart 2011, nr. 10/01402, ECLI:NL:HR:2011:BP6284, BNB 2011/126.

20 NTFR 2011/524.

21 Hoge Raad 27 januari 2012, nr. 11/03496, ECLI:NL:HR:2012:BV2020, NJ 2012/201.

22 Hoge Raad 22 maart 1995, BNB 1996/188.

23 V-N 1996/2031.

24 Hoge Raad 4 februari 1998, BNB 1998/86.

25 FED 1998/159.

26 Hoge Raad 25 april 2008, nr. 43871, ECLI:NL:HR:2008:BD0469, BNB 2008/175 met noot Van Leijenhorst.

27 Hoge Raad 12 februari 2010, nr. 09/01205, ECLI:NL:HR:2010:BL3600, BNB 2010/134 met noot Bartel.

28 Hoge Raad 14 juni 2013, nr. 12/04289, ECLI:NL:HR:2013:BZ7863; in dezelfde bewoordingen: Hoge Raad 14 juni 2013, nr. 12/04290 ECLI:NL:HR:2013:CA2818.

29 Conclusie A-G Wattel 21 maart 2013, nrs. 12/04289 en 12/04290, ECLI:NL:PHR:2013:BZ7863, V-N 2013/20.17 met noot redactie.

30 CRvB 20 maart 2001, nr. 98/8055 AKW, ECLI:NL:CRVB:2001:AB1725, JB 2001/118.

31 ABRvS 21 november 2001, nr. 200100705/3, ECLI:NL:RVS:2001:AD6618, JB 2002/7 met noot AWH.

32 JB 2002/7.

33 CRvB 21 januari 2010, nr. 09/4303 WWB-V, ECLI:NL:CRVB:2010:BL0352, JB 2010/73.

34 Blijkens CRvB 22 februari 2011, nrs. 09/1758 WWB, 09/4300 WWB, 09/4302 WWB en 09/4303 WWB betreft de uitspraak een bijstandszaak.

35 Centrale Raad van Beroep 13 mei 2011, nr. 10/2968 WW-V, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4763, FED 2011/79 met noot Thomas.

36 ABRvS 22 augustus 2012, nr. 201200570/1/A1, ECLI:NL:RVS:2012:BX5246.

37 ABRvS 6 maart 2013, nr. 201110325/1/V2, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4443, JB 2013/78.

38 Gerechtshof te Arnhem 20 oktober 2009, nr. 08/00559, ECLI:NL:GHARN:2009:BK2259, NTFR 2009/2459 met noot Thomas.

39 NTFR 2009/2459.

40 Gerechtshof te Arnhem 26 mei 2010, nr. 09/00163, ECLI:NL:GHARN:2010:BM7194, NTFR 2010/1689 met noot Maat.

41 Gerechtshof te ’s-Gravenhage 7 september 2011, nr. BK-10/448, ECLI:NL:GHSGR:2011:BU5519, V-N 2012/2.22.1.

42 EHRM 24 november 2005, nr. 49429/99, RvdW 2006/64.

43 Hoge Raad 10 juli 2009, nr. 08/01578, ECLI:NL:HR:2009:BG4156, BNB 2009/246 met noot Zwemmer.

44 Hoge Raad 22 oktober 2010, nr. 08/2324, ECLI:NL:HR:2010:BL1943, BNB 2010/335 met noot Van Leijenhorst.

45 Conclusie A-G Van Ballegooijen 29 december 2009 voor Hoge Raad 22 oktober 2010, nr. 08/02324, ECLI:NL:PHR:2010:BL1943.

46 AB 2011/32.

47 EHRM 19 juni 2001, nr. 28249/95, EHRC 2001/54 met noot Heringa.

48 EHRM 12 juli 2001, nr. 44759/98, EHRC 2001/57 met noot Heringa, BNB 2005/222 met noot Langereis.

49 Ontvankelijkheidsbeslissing EHRM 24 februari 2005, nr. 54698/00.

50 EHRM 26 juli 2005, nr. 39199/98, FED 2006/10 met noot Thomas.

51 EHRM 12 juni 2007, nr. 50939/99.

52 EHRM 30 januari 2008, nr. 38736/04.

53 EHRM 20 december 2007, nr. 21638/03.

54 EHRM 12 oktober 2010, nr. 19508/07.

55 NTFR 2011/2502.

56 Zie 4.4.

57 Zie onderdeel 2.11 van deze conclusie, r.o. 2.18.

58 Zie 4.1; de regelgeving is opgenomen zoals deze luidde ten tijde van het instellen van het hoger beroep c.q. het beroep in cassatie.

59 Zie 4.7, 4.10, 4.15, 4.36 en gerechtshof te Arnhem, 29 november 2011, nr. 11/00554, NTFR 2012/1290. Het gerechtshof te Arnhem verlaagde het griffierecht voor een gedetineerde die € 12,80 per week verdiende tot € 5; gerechtshof te Arnhem 29 maart 2004, nr. 03/1566, ECLI:NL:GHARN:2004:AO8196, V-N 2004/27.9 met noot redactie. Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch verleende de indiener van het hoger beroep ‘vrijstelling (…) tot het betalen van griffierecht’; gerechtshof te ’s-Hertogenbosch 31 oktober 2008, nr. 07/00122, ECLI:NL:GHSHE:2008:BG9214, V-N 2009/14.9 met noot redactie, r.o. 6.

60 Zie 4.2.

61 Zie 4.1.

62 Zie 4.2.

63 Zie 4.33.

64 Zie 4.6 tot en met 4.9.

65 Zie 4.6. Vgl. 4.12. Indien de rechter het beroep gegrond verklaart, moet de inspecteur het door de indiener voldane griffierecht aan hem vergoeden; art. 8:74, lid 1, Awb.

66 Vgl. 4.14, punt 6.

67 Zie 4.6 tot en met 4.9.

68 Zie 4.18 en EHRM 12 juli 2007, nr. 68490/01, FED 2008/3 met noot Thomas, r.o. 57: ‘The aims pursued by the general rules on costs can be accepted as compatible with the general administration of justice, for example to fund the functioning of the judicial system and to act as a deterrent to frivolous claims.’

69 Daartegen kan worden ingebracht dat de wetgever uitdrukkelijk wilde dat er geen rekening werd gehouden met de draagkracht van de indiener; zie 4.8.

70 Vgl. 4.51.

71 Vgl. Hoge Raad 1 april 2005, nr. 40.112, ECLI:NL:HR:2005:AT3034, BNB 2005/316.

72 Vgl. 4.19 tot en met 4.22 en 4.37 (ter zitting).

73 Dat kan natuurlijk wel praktischer zijn. Vgl. 4.27.

74 Hofuitspraak r.o. 2.17; zie 2.11.

75 Hoewel artikel 27l AWR voorschrijft dat door de griffier een griffierecht wordt geheven, zie ik daarin geen belemmering om in ‘s Hofs dictum op te nemen dat de griffier alsnog een griffierecht van € 20 zal heffen, ervan uitgaande dat het Hof intern in staat is zijn griffier daartoe te instrueren.

76 Vgl. 4.23.

77 Zie 4.44.

78 Zie 4.15 en 4.16. Zie ook gerechtshof te Arnhem, 29 november 2011, nr. 11/00554, NTFR 2012/1290.

79 Vgl. 4.11, r.o. 3.4, waar het een procedure betrof die ‘mede [curs. RIJ] (…) strekt ter bepaling van de gegrondheid van “a criminal charge”’ en 4.13: ‘nu het beroep mede een boete betreft, moet worden beoordeeld of de heffing van het griffierecht in strijd is met het in artikel 6, lid 1, ERVM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter.’

80 Vgl. 4.13

81 Zie EHRM 21 februari 1984, Publicaties Series A, vol. 73, NJ 1988/937 (Öztürk) en EHRM 24 februari 1994, BNB 1994/175 met noot Wattel, FED 1994/276 met noot Feteris (Bendenoun).

82 Zie EHRM 21 februari 1975, NJ 1975/462, met noot Alkema (Golder c. Royaume-Uni).

83 Zie 4.8.

84 Zowel het leveren van een financiële bijdrage als het bevorderen van een zorgvuldiger afweging van het belang en de zin van het instellen van een procedure zijn door de ECRM legitieme doelen geacht; zie 4.12.

85 Zie 4.49, r.o. 44.

86 Zie 4.43 en 4.50.

87 Vgl. 4.28 en 4.29.

88 Daarbij moet m.i. in ieder geval rekening worden gehouden met het inkomen, de lasten en de openstaande schulden; zie 4.48.

89 Beroep, hoger beroep of cassatie; zie 4.46.

90 Zie 4.49, r.o. 48. Vgl. 4.32.

91 In de ontvankelijkheidbeslissing in de zaak Kucharczyk v. Poland (EHRM 21 januari 2003, nr. 46247/99) heeft het EHRM het verzoek voor zover het betrekking had op het griffierecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij nam het EHRM onder meer in aanmerking dat ‘the court fee eventually imposed (…) was very moderate.’ In de zaak V.M. c. Bulgarie (EHRM 8 juni 2006, nr. 45723/99) betrok het Hof in zijn overwegingen dat het ging om ‘un montant qui n’était pas négligeable, mais qui n’apparaît toutefois pas excessif en soi’.

92 In verhouding tot het zaaksbelang. In de zaak Teltronic-CATV v. Poland (EHRM 10 januari 2006, 481410/99) heeft het EHRM geoordeeld dat de ‘restrictions on access to a court which are of a purely financial nature and which, as in the present case, are completely unrelated to the merits of the claim or its prospects of success’ in strijd waren met artikel 6 EVRM. In de zaak Stakov v. Bulgaria (EHRM 12 juli 2007, nr. 68490/01, FED 2008/3 met noot Thomas) achtte het EHRM onder meer ‘the relatively high and wholly inflexible rate of court fees’ relevant. Anders: 4.31, 4.34 en 4.35. Vgl. 4.14.

93 Overigens kan op het feit dat een belanghebbende is vertegenwoordigd door een gemachtigde niet het oordeel worden gebaseerd dat hij over voldoende middelen beschikte. Zie 4.47.

94 Het verminderen van het griffierecht is niet de enige oplossing. In voorkomende gevallen zou de oplossing ook kunnen liggen in het verlenen van uitstel van betaling; zie 4.30. Zie ook CRvB 17 april 2002, nr. 99/5657 AKW, ECLI:NL:CRVB:2002:AE3422, JB 2002/174; CRvB 4 maart 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AF7890, JB 2003/153; CRvB 23 november 2004, nr. 03/1964 ZFW, ECLI:NL:CRVB:2004:AR7148, JB 2005/70; ABRvS 11 juli 2006, nr. 200602656/3, ECLI:NL:RVS:2006:AY8191, JB 2006/252.

95 Zie 4.8 en 4.9.

96 Zie 4.5.

97 EHRM 29 april 2008, nr. 13378/05 (Burden en Burden), NJ 2008/306 met noot Alkema.

98 Zie voor deze ‘requirement of lawfulness’ 4.38 tot en met 4.42.

99 Vgl. 4.17, 4.41 en 4.51. Anders: gerechtshof te Arnhem 2 oktober 2012, nr. 12/00017, ECLI:NL:GHARN:2012:BX9647, NTFR 2012/2597 met noot Kastelein. Uit het feit dat op het tegen voornoemde uitspraak gerichte cassatieberoep arrest is gewezen met toepassing van artikel 81 Wet RO kan niet worden afgeleid dat de Hoge Raad het desbetreffende oordeel van het Hof heeft goedgekeurd; anders: BB 2013/261.

100 Zoals bijvoorbeeld de regel dat de uitspraak op bezwaar niet door dezelfde ambtenaar wordt gedaan die zelf het bestreden besluit heeft genomen; zie artikel 10:3, derde lid, Awb.

101 Een redelijke mogelijkheid tot effectieve betwisting bestaat bijvoorbeeld niet als de kosten van de procedure het effect van de betwisting geheel teniet doen; zie EHRM 16 november 2010, nr. 24768/06, RvdW 2011/1533 (Perdigão v. Portugal).

102 Vgl. 4.17, 4.41 en 4.51.

103 Hoge Raad 10 juni 2011, nr. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232 met noot van Amersfoort.

104 Van Amersfoort vraagt zich in zijn annotatie bij het arrest in BNB 2011/232 af ‘waar de rechter de legitimatie vandaan haalt art. 8:73 Awb overeenkomstig toe te passen’.

105 Vgl. 4.17 en 4.26. Zie overigens 4.25 voor bevestiging van het Harmonisatiewetarrrest.

106 Zie 4.24. Vgl. ook mijn conclusie van 28 februari 2013, nr. 12/02872, ECLI:NL:PHR:2013:BZ5793.