Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:64

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-02-2013
Datum publicatie
16-07-2013
Zaaknummer
11/03505
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:104, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid houdende een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt. 2. Art. 304 Sr. Ad 1. Het Hof heeft in strijd met art. 360.1 Sv nagelaten het gebruik van dit bewijsmiddel, v.zv. inhoudende de verklaring van een onbekend gebleven persoon, nader te motiveren (vgl. HR LJN ZD1460). De bewezenverklaring is niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Ad 2. V.zv. het middel klaagt dat het Hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omdat het bewezenverklaarde geweld in een auto heeft plaatsgevonden en de in art. 304 Sr voorziene strafverzwaring is beperkt tot zgn. huiselijk geweld, faalt het aangezien deze opvatting onjuist is. V.zv. het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat aangeefster als “levensgezel” in de zin van art. 304 Sr kan worden aangemerkt, onvoldoende met redenen is omkleed, slaagt het.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/03505

Mr. Machielse

Zitting 19 februari 2013

Conclusie

[verdachte]

1. Het gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, heeft verdachte op 15 april 2011 ter zake van 1. subsidiair en 2. subsidiair telkens “mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, onder de bijzondere voorwaarde - kort gezegd - dat verdachte zich gedurende de proeftijd onder toezicht van Reclassering Nederland stelt.

2. Mr. J. Michels, advocaat te Amersfoort, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld.

Mr. G. Spong heeft een schriftuur ingezonden houdende vier middelen van cassatie.

3.1 Het eerste middel klaagt over het gebruik door het hof voor het bewijs van de aangifte van [betrokkene 1] terwijl zij, gehoord als getuige door de rechter-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg, deze aangifte heeft ingetrokken.

3.2 Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

“1. subsidiair

hij op 05 juni 2009 te Amersfoort opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, te weten [betrokkene 1], (krachtdadig) tegen het jukbeen en de neus heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2. subsidiair

hij op 06 februari 2009 te Lelystad, opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, te weten [betrokkene 1], meermalen op/tegen haar neus heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze persoon letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.”

3.3 De bewezenverklaring steunt op onder andere het volgende bewijsmiddel:

“een proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 1], opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier van politie, gesloten op 5 juni 2009 (…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik doe aangifte van zware mishandeling. Sinds 1 juli 2007 ken ik mijn vriend [verdachte]. [verdachte] was in mijn ogen de laatste zes maanden extreem veranderd. Agressief, onvoorstelbaar, man met twee gezichten zowel non-verbaal als verbaal. Vanmorgen 5 juni belde [verdachte] mij op. [verdachte] zei dat ik direct naar Amersfoort moest komen. [verdachte] was met mijn auto, een Peugeot 206 met kenteken [AA-00-AA]. Ik moest op de passagiersstoel plaatsnemen. Ineens haalde [verdachte] eenmaal keihard uit althans ik voelde een keiharde klap tegen mijn neus en jukbeen aan. [verdachte] sloeg tijdens het rijden met zijn arm met volle kracht opzij. Ik voelde meteen dat mijn neus bloedde. Ik voelde een hevige pijnscheut in mijn neus en jukbeen. Ik voelde mijn wang kraken en dacht meteen nu is er echt wat gebroken.

[verdachte] stapte uit en ging naar de woning. Ik ben rustig weggereden. Op dat moment ging het door mij heen, dit was de laatste klap, de maat is nu vol, ik ga naar de politie. Ik ben naar het politiebureau gereden om aangifte van zware mishandeling te doen. Eenmaal in het politiebureau ben ik eerst door de politie naar het ziekenhuis gebracht. Ik heb meteen een medische staat meegenomen die door de behandelend arts is ingevuld. Ik heb deze zojuist aan u overhandigd.

De mishandelingen begonnen vanaf eind januari 2009. In februari 2009 werd ik ook tegen mijn neus geslagen waardoor mijn neus was gebroken. Ik werd toen meerdere keren met kracht geslagen tegen mijn hoofd. [verdachte] bleef maar doorgaan. Mijn oren bloedde, mijn neus bloedde, mijn kleding zat onder het bloed. Het gebeurde op een vrijdagmiddag in Lelystad. Onderweg waren we bij een Shellstation van Biddinghuizen naar Zeewolde gestopt. Opeens werden we ter hoogte van een grote rotonde bij Harderwijk aan de kant gezet door de politie. De politieagente zei dat er getuigen waren van de mishandeling. Ik was bang om aangifte te doen. [verdachte] was erbij, hij had mij net flink in elkaar geslagen en ik stond er alleen voor. Ik ben toen naar het IJsselmeer Ziekenhuis in Lelystad geweest waar men constateerde dat mijn neus was gebroken. De KNO-arts in ziekenhuis IJsselmeer heette [betrokkene 4].”

3.4 Bij de stukken van het geding bevindt zich een verklaring van [betrokkene 1], als getuige afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris op 31 augustus 2009, voor zover relevant inhoudende:

“De aangifte noch mijn aanvullende verklaring kloppen. (…) Ik heb uit woede en in chaos verklaringen afgelegd. Mijn hele leven was in die tijd een grote chaos, puinhoop. Ik had schulden, problemen met mensen en eigen problemen. Ik vond het teveel. Ik zag door de bomen het bos niet meer. Ik was compleet in de war. Mijn ouders, mijn ex, niet zijnde [verdachte] maakten mij gek. [verdachte] ging onbeschrijflijk veel vreemd. Ik heb hem als zondebok gebruikt. Ik was toen ik bij de politie aangifte deed eigenlijk ziek en ik wilde naar huis. De rechercheur zei dat ik aangifte moest doen omdat [verdachte] genoeg op zijn kerfstok had. Ik had zelf zoveel slechte gevoelens dat ik het gedaan heb. Ik heb er heel veel spijt van. Ik wil niemand onschuldig in de gevangenis zetten. (…) Nu ik weet dat ik mijn problemen kan oplossen kom ik terug bij mezelf en denk ik: Wat heb ik in godsnaam iemand aangedaan?

(…)

De hele aangifte klopt niet. Het klopt wel dat ik naar Amersfoort ben gekomen. Hij moest de auto hebben. Ik had geld geleend van mensen, ik was gokverslaafd. Voordat ik die dag naar [verdachte] ging, hebben die mensen mij een klap gegeven. (…) [verdachte] heeft mij niet geslagen op 5 juni. (…) Op uw vraag antwoord ik dat hij mij überhaupt nooit heeft geslagen.

U vraagt mij naar gebeurtenissen in februari van dit jaar, toen de politie mij had aangesproken. Ook toen ben ik niet geslagen. Ik was toen twee dagen daarvoor met wasgoed van de trap gevallen. Op de dag dat de politie mij aansprak was [verdachte] naar Lelystad gekomen. We zaten in de auto, kregen ruzie zoals altijd. Ik kreeg een bloedneus in de auto. We stopten bij stoplichten. Mensen zagen mijn bloedneus. Ze zullen daarom wel hebben gedacht dat ik was geslagen. (…) Ik was in die tijd niet helder. Ik was al maanden niet mijzelf. Mijn neus was door mijn eigen toedoen gebroken. U houdt mij voor dat een verder onbekend gebleven getuige het gezien heeft. Nee, zo is het niet gegaan. (…) We hadden alleen schreeuwende ruzie.”

3.5 Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 4 september 2009 houdt als verklaring van de aldaar gehoorde getuige [betrokkene 1] in:

“lk heb de verklaring die ik bij de politie heb afgelegd nog nagelezen voor de terechtzitting van vandaag. Ik heb het gelezen uit schaamte. Wat heb ik gedaan? Nadat ik mijn verklaring bij de politie had afgelegd, wilde ik deze intrekken, maar het bleek dat dat niet meer kon. Tijdens de aangifte koesterde ik wraak- en haatgevoelens jegens [verdachte]. Ik was niet helder. Ik had een gokverslaving. Daar ben ik nu vanaf. Ik werk en probeer het weer goed te maken en een normaal leven te leiden. Er vinden geen nachtelijke uitstapjes met drankmisbruik meer plaats. Ik heb geen contact meer met [verdachte] en zijn familie. Ik ben niet door hem mishandeld in juni 2009.

Ook op 6 februari 2009 ben ik niet door hem mishandeld. We hebben wel veel problemen gehad. Op 6 februari 2009 zouden [verdachte] en ik doelloos rond gaan rijden. Ik vond allerlei spullen in de auto. We hebben slaande ruzie gehad. We werden staande gehouden door de politie. Het klopt niet dat ik daarvoor door [verdachte] was mishandeld. We hadden alleen verbaal ruzie. Ik had al een bloedneus en ik had niets bij me om dit te stelpen. Mijn neus bleef maar doorbloeden. Daar kwam dus het bloed vandaan. Ik heb alles in mijn aangifte verzonnen, omdat ik [verdachte] op dat moment vanuit het diepste haatte. In Lelystad heb ik problemen met diverse personen uit het criminele circuit. Ik heb gokschulden. [verdachte] wist dat allemaal niet. Ik ben door deze criminelen geslagen.

lk had het gehad met [verdachte]. Hij ging heel veel vreemd. Ik wist ook dat hij problemen had gehad met justitie. Daar heb ik misbruik van gemaakt, lk schaam mij diep voor wat ik heb gedaan. Ik ben heel sterk in het verzinnen van dingen. Ik kon niet goed overzien wat het doen van de aangifte voor gevolgen zou hebben. Ik ben wel blij dat ik van [verdachte] af ben. Dat ik van de vernederingen en scheldpartijen af ben.

U vraagt mij naar de inhoud van de fax van 11 juni 2009 aan de officier van justitie. Ik heb in deze fax wel gezegd dat hij mij een klap heeft gegeven, maar dat klopt niet. Ik was toen nog niet helder.”

3.6 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 april 2011 houdt, voor zover relevant, in:

“De voorzitter deelt mee dat de opgeroepen getuige [betrokkene 1] niet is verschenen maar een faxbericht heeft gestuurd met reden van verhindering.

Met instemming van de advocaat-generaal, verdachte en zijn raadsman wordt afgezien van het horen van de getuige en wordt het onderzoek voortgezet.”

3.7 De steller van het middel voert aan dat het hof, niettegenstaande de instemming van de verdediging, ten onrechte heeft verzuimd te motiveren waarom het het nogmaals oproepen en horen van getuige [betrokkene 1] kennelijk niet (meer) noodzakelijk achtte.

3.8 Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld.

( i) Afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de zaak en de omstandigheid of en in hoeverre het ten laste gelegde door de verdachte wordt ontkend, kunnen beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat het Openbaar Ministerie bepaalde personen als getuige ter terechtzitting dient op te roepen dan wel dat de rechter zodanige oproeping ambtshalve dient te bevelen, bij gebreke waarvan processen-verbaal voor zover inhoudende de door die personen in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd.

(ii) Het onder (i) overwogene zal in ieder geval gelden indien een ambtsedig proces-verbaal inhoudende een in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaring van een persoon het enige bewijsmiddel is waaruit verdachtes betrokkenheid bij het ten laste gelegde rechtstreeks kan volgen en die persoon nadien door een rechter is gehoord en ten overstaan van deze die verklaring heeft ingetrokken of een op essentiële punten ontlastende nadere verklaring heeft afgelegd, dan wel heeft geweigerd te verklaren omtrent de feiten en omstandigheden waarover hij eerder heeft verklaard.

Indien dit is geschied ter gelegenheid van een verhoor van de bedoelde persoon door de rechter-commissaris, behoort deze persoon ter terechtzitting in eerste aanleg en in geval van appel ook ter terechtzitting in hoger beroep als getuige te worden opgeroepen, opdat de rechter zich door eigen waarneming van de getuige een oordeel zal kunnen vormen omtrent de betrouwbaarheid van diens verklaringen dan wel omtrent de redenen van diens weigering aldaar een verklaring af te leggen. Bedoelde persoon zal eveneens ter terechtzitting in hoger beroep als getuige moeten worden opgeroepen indien hij ter terechtzitting in eerste aanleg voor het eerst is teruggekomen op zijn eerder in het voorbereidend onderzoek afgelegde verklaring dan wel heeft geweigerd een verklaring af te leggen.

(iii) Indien in de onder (ii) omschreven gevallen een getuige, die ter terechtzitting is opgeroepen, hetzij aldaar verschijnt, hetzij aldaar niet verschijnt en verdere oproeping zinloos is gebleken, staat het de rechter vrij de in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring voor het bewijs te bezigen.1

3.9 De rechtspraak van de Hoge Raad oriënteert zich op het EVRM. Deze rechtspraak geeft toepassing aan onderdelen bijvoorbeeld van artikel 6 EVRM, de uitleg waarvan in de eerste plaats een taak is voor het EHRM. Deze rechtspraak van het EHRM is van steeds groter belang voor de binnenlandse rechtsvorming. Zo zijn er in het verleden meerdere uitspraken van het EHRM aan te wijzen die voor de Hoge Raad en zelfs voor de wetgever tot richtsnoer hebben gediend.2 Dat artikel 6 EVRM in de eerste plaats ertoe strekt de rechten van een verdachte te omschrijven en te waarborgen staat buiten kijf. Maar het EHRM wijst ook nog op een ander aspect:

“194. The Court reiterates that the guarantees in paragraph 3 (d) of Article 6 are specific aspects of the right to a fair hearing set forth in paragraph 1 of that provision which must be taken into account in any assessment of the fairness of proceedings. In addition, the Court’s primary concern under Article 6 § 1 is to evaluate the overall fairness of the criminal proceedings. In making this assessment the Court will look at the proceedings as a whole having regard to the rights of the defence but also to the interests of the public and the victims that crime is properly prosecuted and, where necessary, to the rights of witnesses (see Al-Khawaja and Tahery v. the United Kingdom [GC], nos. 26766/05 and 22228/06, § 118, ECHR 2011, with further references).”3

De rechter zal bijvoorbeeld rekening kunnen houden met de gezondheid, de leeftijd van de getuige, de eventuele bedreigingen waaraan de getuige door zijn mogelijke verklaringen wordt blootgesteld. Ook mag het belang van het publiek bij een fatsoenlijke behandeling van strafzaken en bij de mogelijkheid om daarop toe te zien een rol spelen. Maar de aandacht die de rechtspraak van het EHRM toekent aan dit aspect wordt volledig overschaduwd door de zorg van het EHRM voor het garanderen van een eerlijk proces.

Van het recht van artikel 6 lid 3 onder d EVRM om getuigen te horen kan de verdediging afstand doen. Als de verdediging dit inderdaad doet, op een duidelijke en niet voor misverstanden vatbare wijze, wordt de waarborg van een eerlijk proces niet geschonden. Maar de vaste rechtspraak van de Hoge Raad, zoals hiervoor aangegeven, verlangt onder omstandigheden een actieve opstelling van de rechter. In bepaalde gevallen zal de rechter zich door eigen waarneming een oordeel moeten kunnen vormen over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige. Ik begrijp uit de woorden van de Hoge Raad dat hij hierin een eigen, zelfstandige verantwoordelijkheid van de rechter ziet, die onafhankelijk is van de wens van de verdediging.

3.10 In de onderhavige zaak heeft de verdediging ter terechtzitting afstand gedaan van het nogmaals oproepen van de niet verschenen getuige. Geenszins is duidelijk geworden dat het nogmaals oproepen van de getuige als een zinloze exercitie moest worden beschouwd. Ten aanzien van feit 2 is de aangifte van

[betrokkene 1] evenwel niet het enige bewijsmiddel waaruit verdachtes betrokkenheid bij de ten laste gelegde mishandeling rechtstreeks kan volgen. Ten aanzien van dit feit houden de door het hof gebezigde bewijsmiddelen immers in dat een politiefunctionaris op 6 februari 2009 een melding kreeg dat een mannelijke inzittende van een blauwe Peugeot met kenteken [AA-00-AA] een vrouwelijke inzittende in het gezicht had geslagen waardoor zij begon te bloeden en even later zag dat [betrokkene 1], terwijl zij samen met verdachte in bovengenoemde auto zat, een opgezette neus en een blauwe verdikking op de neusbrug had, alsmede wat geronnen bloed in de neusgaten en bloedspatten op haar broek en jas (bewijsmiddel 5). Het bewijs van verdachtes betrokkenheid bestaat dus ook in de constatering van verbalisant dat de vrouw klaarblijkelijk kort tevoren is mishandeld en dat verdachte bij haar in de auto zat.

Met betrekking tot dit feit bestond voor het hof dan ook geen noodzaak aangeefster [betrokkene 1] nogmaals op te roepen en te horen.4

3.11 Ten aanzien van feit 1 heeft het hof, naast de aangifte, de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

  • -

    een politiefunctionaris nam op 5 juni 2009 waar dat een jonge vrouw, die een blauwe bult op haar jukbeen, een blauwe en opgezwollen neusbrug en een bloedneus had, huilend het politiebureau binnen liep en zei dat zij door haar vriend, verdachte, was geslagen (bewijsmiddel 2) en

  • -

    een geneeskundige constateerde op 5 juni 2009 bij [betrokkene 1] een zwelling en hematoom op/aan de linkerwang en oogkas (bewijsmiddel 3).

Hoewel zich gelet op het proces-verbaal van bevindingen van de politiefunctionaris hier niet het geval voordoet dat de aangifte van [betrokkene 1] het enige bewijsmiddel is voor het onder 1 ten laste gelegde feit is het relaas van de politiefunctionaris omtrent de betrokkenheid van verdachte uitsluitend gebaseerd op hetgeen [betrokkene 1] heeft meegedeeld, terwijl [betrokkene 1] kort daarop haar - nadien ingetrokken - verklaring omtrent die betrokkenheid heeft afgelegd.5 Met betrekking tot deze beschuldiging is de belastende verklaring van mevrouw [betrokkene 1] het enige bewijsmiddel waaruit verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde rechtstreeks kan volgen. Ander bewijsmateriaal dat op dit punt zelfstandig wijst op verdachte ontbreekt.

In de aanvulling op het verkort arrest heeft het hof de bewijsmiddelen niet gerangschikt al naar gelang de relevantie voor het bewijs voor feit 1 of 2. Kennelijk heeft het hof de bewijsmiddelen die betrekking hebben op feit 2 ook relevant geacht voor feit 1. Het hof heeft dan het bewijs voor feit 2 als schakelbewijs ook voor feit 1 gebruikt. Feit 2 houdt in dat verdachte in de auto zijn vriendin in het gezicht heeft geslagen waardoor zij een gebroken neus opliep. Dat zou zijn gebeurd in februari 2009. Feit 1 vond plaats op 5 juni 2009. De verdachte zou keihard hebben uitgehaald naar zijn vriendin terwijl zij beiden in de auto zaten, met als gevolg dat zij letsel in haar gezicht heeft opgelopen. Beide feiten hebben een zeer sterke gelijkenis. Het gaat telkens om dezelfde vriendin van verdachte, telkens om klappen in het gezicht en telkens geschiedde dit in de auto. Op essentiële punten is dus het handelen van verdachte in beide situaties soortgelijk geweest.6

In deze zaak stond er niets aan in de weg dat het hof het bewijs voor feit 2 ook aanwendde voor het bewijs van feit 1, en volgens mij heeft het hof dat ook gedaan.

3.12 Het middel faalt.

4.1 Het tweede middel beoogt te klagen, zo begrijp ik uit de toelichting, dat ’s hofs oordeel dat de aangifte van [betrokkene 1] betrouwbaar is niet (zonder meer) begrijpelijk is, doordat het hof tevens heeft overwogen dat de precieze redenen die tot de gewijzigde opstelling van [betrokkene 1] hebben geleid niet duidelijk zijn geworden.

4.2 Het bestreden arrest van het hof houdt, voor zover hier relevant, in:

“Aangeefster heeft aangifte gedaan van een aantal door verdachte tegen haar gepleegde geweldsdelicten,

maar later haar aangifte weer ingetrokken. Bij de rechter-commissaris op 31 augustus 2009 en ter zitting van de rechtbank op 4 september 2009 heeft zij verklaard dat zij een onjuiste aangifte heeft gedaan. Aangeefster is, hoewel daartoe opgeroepen, niet ter terechtzitting van het hof verschenen. Wel heeft zij een faxbericht gestuurd, gedateerd 30 maart 2011, waarin zij meedeelt dat zij haar verklaringen op 31 augustus 2009 en 4 september 2009 naar waarheid heeft afgelegd.

Het hof acht - anders dan de raadsman - de aangifte van aangeefster, afgelegd op 5 juni 2009 betrouwbaar. Aangeefster is die dag zelf naar het politiebureau gekomen en heeft spontaan verklaard dat zij kort daarvoor was mishandeld door verdachte. De verbalisant constateerde een zwelling in het gezicht, zag dat er bloed uit haar neus kwam en dat haar handen waren besmeurd met bloed. Onderzoek in het ziekenhuis wees uit dat aangeefster een zwelling en hematoom in het aangezicht had (contusie wang/oogkas) en dat sprake was van een oude neusbreuk. Ook verklaarde aangeefster dat zij eerder, naar het hof aanneemt: op 6 februari 2009, in de auto door verdachte was geslagen waardoor haar neus was gebroken en zij onder het bloed zat. Op 7 juni 2009 heeft aangeefster een aanvullende verklaring afgelegd en haar eerdere aangifte nader toegelicht en bevestigd.

De gedetailleerde aangifte en de hiervoor genoemde aanvullende verklaring zijn naar het oordeel van het hof consistent en worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Dat verdachte aangeefster op 6 februari 2009 heeft mishandeld, wordt voorts ondersteund door de verklaring van een onbekend gebleven getuige die op die dag de politie had gebeld en had gezien dat op de parkeerplaats van de McDonald's te Lelystad de inzittenden van een Peugeot met het kenteken [AA-00-AA] ruzie met elkaar hadden, dat de inzittenden een man en een vrouw waren en dat de vrouw door de man in het gezicht werd geslagen. De getuige had ook gezien dat de vrouw direct daarop bloed in het gezicht had. Kort daarop werd de auto met daarin verdachte en aangeefster door de politie stilgezet en werden zij door politie gecontroleerd. Door de politie is toen geconstateerd dat aangeefster een blauw verdikte neusbrug en bloed op haar kleding had. Aangeefster gaf toen aan dat zij een bloedneus had gehad. Er is toen op die dag geen aangifte gedaan.

Weliswaar heeft aangeefster nadien bij de rechter-commissaris en de rechtbank afstand genomen van de hiervoor bedoelde aangifte en meergenoemde aanvullende verklaring, maar de bij die gelegenheden gegeven versie van de gebeurtenissen die hebben geleid tot het in de tenlastelegging onder 1 en 2 beschreven letsel, alsmede de redenen waarom zij een valse aangifte zou hebben gedaan overtuigen niet. In dat verband merkt het hof op dat aangeefster ten gelegenheid van de meergenoemde aangifte van 5 juni heeft verklaard dat zij van de eerdere mishandeling -naar het hof begrijpt: op 6 februari 2009- uit angst voor verdachte aanvankelijk geen aangifte durfde te doen. In haar aanvullende verklaring heeft zij aangegeven dat toen zij op 5 juni 2009 weer werd geslagen, zij besloot om aangifte te doen omdat de maat vol was. Zo kon het niet doorgaan, aldus aangeefster. Voorts verklaarde zij dat ze nog van verdachte houdt en dat zij weer twijfelde of zij aangifte moest doen. Desondanks is zij bij in die verklaring bij haar aangifte gebleven. Tegen de achtergrond van deze geloofwaardige - en door andere bewijsmiddelen ondersteunde - verklaringen, kent het hof geen betekenisvolle waarde toe aan de latere verklaringen van aangeefster bij de rechter-commissaris en de rechtbank, inhoudende dat zij eerder uit woede en in chaos heeft verklaard, wraak- en haatgevoelens koesterde tegen verdachte en om die reden aangifte heeft gedaan. Hierbij overweegt het hof nog dat de precieze redenen die tot deze gewijzigde opstelling van aangeefster hebben geleid, niet duidelijk zijn geworden, maar dat geenszins uit valt te sluiten dat (ook) hierbij vrees een doorslaggevende rol heeft gespeeld.

Gelet op het vorenstaande acht het hof buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat verdachte aangeefster op 6 februari en 5 juni 2009 heeft mishandeld.”

4.3 Het hof heeft overwogen dat de door [betrokkene 1] gedane aangifte gedetailleerd is en consistent met haar - niet tot het bewijs gebezigde - aanvullende verklaring en dat deze verklaringen worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat de door [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris en de rechtbank gegeven versie van de gebeurtenissen die hebben geleid tot het in de tenlastelegging beschreven letsel, alsmede de redenen waarom zij een valse aangifte zou hebben gedaan, niet overtuigen. Dit feitelijke oordeel van het hof acht ik niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Waarom ’s hofs opmerking dat, hoewel de precieze redenen die tot deze gewijzigde opstelling van aangeefster hebben geleid niet duidelijk zijn geworden, geenszins uit valt te sluiten dat vrees hierbij een doorslaggevende rol heeft gespeeld, afbreuk zou doen aan het oordeel dat de aangifte betrouwbaar is, zoals de steller van het middel betoogt, ontgaat mij. Het hof heeft immers in de betwiste overwegingen tot uitdrukking gebracht dat de redenen die het slachtoffer noemt om een valse aangifte te doen - woede, chaos, wraak- en haatgevoelens - niet sterk overkomen. Het hof is dus klaarblijkelijk van mening dat er nog andere beweegredenen zijn geweest, die het hof niet kent. Maar het hof sluit niet uit dat hierbij vrees doorslaggevend is geweest.

4.4 Het middel faalt.

5.1 Het derde middel klaagt over het gebruik door het hof voor het bewijs van feit 2 van een proces-verbaal van bevindingen inhoudende informatie van een anonieme getuige.

5.2 Het middel ziet op het door het hof gebezigde bewijsmiddel 4:

“het stamproces-verbaal van bevindingen voornoemd, opgemaakt door C.J. Blankensteijn, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant (…), zakelijk weergegeven:

Uit het raadplegen van het Bedrijfsprocessensysteem van de Politieregio Flevoland bleek mij dat op vrijdag 6 februari 2009 omstreeks 13.02 uur een onbekend gebleven getuige naar de politie had gebeld en had doorgegeven dat hij had gezien dat op een parkeerplaats van de McDonalds te Lelystad de inzittenden van een blauwe Peugeot voorzien van het kenteken [AA-00-AA], ruzie met elkaar hadden. De inzittenden waren een man en een vrouw. De getuige gaf door dat hij had gezien dat de vrouw door de man in het gezicht geslagen werd. Direct daarna had hij bloed gezien in het gezicht van de vrouw. Collega’s van de politie Flevoland controleerden kort hierop genoemde auto en zagen dat in de auto [verdachte] zat en [betrokkene 1]. [betrokkene 1] had geronnen bloed in haar neusgaten en bloed op haar kleding.”

5.3 De steller van het middel betoogt dat het hof ten onrechte heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven als bedoeld in art. 360, eerste lid, Sv, alsmede uitdrukkelijk aan te geven dat is voldaan aan de eisen van, naar ik begrijp, art. 344a, derde lid onder a en b, Sv.

5.4 Het hof heeft voormeld proces-verbaal kennelijk gebezigd om tot uitdrukking te brengen wat de aanleiding is geweest voor het onderzoek waarvan in bewijsmiddel 5 gewag wordt gemaakt en dus niet als een bewijsmiddel dat een zelfstandige bijdrage levert aan de motivering van de bewezenverklaring. Zelfs acht ik verdedigbaar de stelling dat het hof, gelet op de overwegingen in het arrest over de betrouwbaarheid van de aangifte van [betrokkene 1], de verklaring van de onbekend gebleven beller heeft gebruikt ter toetsing van die betrouwbaarheid. Artikel 344a en 360 Sv hebben op zodanig gebruik geen betrekking. In beide hier aangewezen benaderingen was het hof niet gehouden tot een bijzondere redengeving.7

5.5 Het middel faalt.

6.1 Het vierde middel klaagt dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting inzake het begrip “levensgezel” als bedoeld in art. 304 Sr, althans dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat [betrokkene 1] ten tijde van de mishandelingen de levensgezel was van verdachte.

6.2 Art. 304, aanhef en sub 1 Sr luidde ten tijde van de ten laste gelegde feiten:

“De in de artikelen 300-303 bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd:

ten aanzien van de schuldige die het misdrijf begaat tegen zijn moeder, zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, zijn echtgenoot, zijn levensgezel of zijn kind”.

6.3 De wetsgeschiedenis leert dat het woord “levensgezel” in 2006 bij de Wet herijking strafmaxima8 is ingevoegd in art. 304 Sr in het kader van de bestrijding van huiselijk geweld, waaronder doorgaans wordt verstaan geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer wordt gepleegd en waarbij niet de locatie van het gepleegde geweld maar de relatie tussen dader en slachtoffer centraal staat.9 De achtergronden voor de strafverzwaring als het geweld wordt gebezigd jegens de echtgenoot enzovoort, te weten verschuldigde piëteit en mogelijk machtsmisbruik, zijn naar het oordeel van de wetgever ook aanwezig bij mishandeling tussen personen die met elkaar een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden, maar die niet zijn gehuwd of niet als partners zijn geregistreerd. Doorslaggevend is de nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid die extra eerbied jegens elkaar vereist. Bij de beoordeling of sprake is van een “levensgezel” zijn de volgende aspecten van belang, waarbij zij aangetekend dat dit enkel indicaties en geen cumulatieve noodzakelijke vereisten betreft:

  • -

    of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding;

  • -

    de duur van de gemeenschappelijke huishouding;

  • -

    of er een relatie van affectieve aard is, en met name

  • -

    of betrokkenen kennelijk uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid.

Met andere woorden, het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Deze is echter niet per se met het enkele feit van het samenwonen gegeven en vereist, anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, ook niet per se dat de betrokkenen met elkaar samenwonen.10

6.3 Uit de hierboven onder 3.3 weergegeven aangifte van [betrokkene 1] leid ik af dat zij sinds 1 juli 2007 en op de pleegdata dus gedurende ruim anderhalf jaar respectievelijk bijna twee jaren een affectieve relatie had met verdachte. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat [betrokkene 1] daardoor gold als de “levensgezel” van verdachte als bedoeld in art. 304 Sr. Dit acht ik echter niet direct begrijpelijk, nu ik het enkele feit dat sprake is van een affectieve relatie zonder enige informatie over de hechtheid daarvan, niet op één lijn zou willen stellen met een door betrokkenen beleefde nauwe lotsverbondenheid.11

6.4 Het middel klaagt daarover terecht, maar dit behoeft niet tot cassatie te leiden, nu de Hoge Raad het arrest van het hof verbeterd kan lezen in die zin dat de kwalificatie van feit 1 en feit 2 telkens luidt “mishandeling”, onder wegstreping van het door het hof vermelde artikel 304 Sr, en de door het hof opgelegde straf het onder art. 300 Sr toepasselijke strafmaximum niet te boven gaat.

6.5 Het middel faalt.

7. Alle voorgestelde middelen falen.

8. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 1 februari 1994, LJN: AB7528, NJ 1994, 427; HR 6 juni 2006, LJN: AV4834, NJ 2006, 333; HR 23 oktober 2007, LJN: BB2958, NJ 2007, 580.

2 Bijvoorbeeld EHRM 20 november 1989, NJ 1990, 245 m.nt. EAA (Kostovski); EHRM 23 april 1997, NJ 1997, 635 m.nt. Kn (Van Mechelen).

3 EHRM 23 oktober 2012, nr. 38623/03 (Pichugin vs. Rusland).

4 Vgl. HR 13 april 1999, NJB 1999, 70, p. 918.

5 Vgl. HR 6 juni 2006, LJN: AV4834, NJ 2006, 333, r.ov. 3.5.

6 HR 9 mei 1995, DD 95.337; HR 11 januari 2000, NJ 2000, 194; HR 11 juni 2002, LJN AE2099, rov. 3.6.2; HR 29 oktober 2002, LJN AE8831; HR 20 april 2004, NJ 2004, 681 m.nt. Reijntjes, rov. 7.4; HR 14 maart 2006, NJ 2007, 345 m.nt. Mevis, rov. 6.3.2; B. de Wilde, Schakelconstructies in bewijsmotiveringen, DD 2009, 42, p. 566 e.v.

7 Vgl. HR 18 november 2003, LJN AJ0517; HR 15 februari 2005, LJN: AS1884.

8 Wet van 22 december 2005 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima, Stb. 2006, 11.

9 Zie bijv. T. van Dijk e.a., Huiselijk geweld. Aard, omvang en hulpverlening, 1997, p. 26; M.W. Wolleswinkel, Geweld dat huiselijk wordt genoemd, in: A.H.E.C. Jordaans, P.A.M. Mevis, J. Wöretshofer e.a., Praktisch strafrecht, Liber amicorum J.M. Reijntjes, 2005, p. 609-610; Aanwijzing huiselijk geweld en eergerelateerd geweld, Stc. 2010, nr. 6462, p. 1; L.M. van der Knaap en S. Bogaerts, Mannen en vrouwen als plegers van huiselijk geweld, in: Justitiële verkenningen, Huiselijk geweld, jrg. 36, nr. 8, 2010, p. 48.

10 Kamerstukken II 2002/03, 28484, nr. 5, p. 5. In een wetgevingsoverleg heeft de Minister echter wel benadrukt dat het gaat om samenwonende huisgenoten; Kamerstukken II 2003/04, 28484, nr. 34, p. 29.

11 Zie ook de Wet van 9 oktober 2008, Stb. 2008, 421 (Wet tijdelijk huisverbod) waarvan artikel 8 in zijn eerste lid onder a bepaalt dat de griffier een afschrift van de uitspraak of van het proces-verbaal van de voorzieningenrechter binnen twee weken verstuurt naar de echtgenoot, geregistreerde partner, andere levensgezel of andere meerderjarige persoon met wie de uithuisgeplaatste het huishouden deelt. Ik wijs nog op Hof Amsterdam 9 februari 2011, NJFS 2011/79, waarin het hof heeft beslist dat partners in een lat-relatie niet elkanders levensgezel in de zin van artikel 304 Sr zijn.