Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:61

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-04-2013
Datum publicatie
11-07-2013
Zaaknummer
11/02287
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:96
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO en overschrijding van de redelijke termijn in cassatie (HR volstaat met de constatering).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 11/02287

Zitting 23 april 2013

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]



Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 4 mei 2011, de verdachte ter zake van: 1. “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 weken, en tot een werkstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

2. Namens de verdachte heeft mr. M.L. van Gaalen, advocaat te Amsterdam, cassatie ingesteld. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt over de motivering van de verwerping van een verweer dat niet door de bewijsmiddelen zou worden weerlegd maar wel in strijd is met de bewezenverklaring.

3.2. Het hof heeft bedoeld verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Door de raadsman van verdachte is het verweer gevoerd dat verdachte op bezoek was bij een meisje wier ouders onverwacht thuiskwamen en dat verdachte toen het huis via het balkon heeft verlaten en vervolgens bij de woning van een vriend op het balkon is geklommen, waar verdachte is aangetroffen.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Nog afgezien van het feit dat de verdachte over de naam van het meisje en het huisnummer van haar woning niet heeft willen verklaren heeft de medeverdachte [medeverdachte] verklaard dat hij die avond samen met verdachte via de voordeuropening de woning van de vriend is binnengekomen en heeft hij niet verklaard dat de verdachte bij een meisje is geweest en via het balkon het huis van het meisje heeft verlaten (proces-verbaal van relaas p. IX). Gelet hierop acht het hof de verklaring van verdachte ongeloofwaardig en zal het daaraan voorbij gaan.”

3.3. Ter terechtzitting in hoger beroep is blijkens de aldaar overgelegde pleitnota door de verdediging betoogd dat de verklaring van de medeverdachte niet gebruikt kan worden ter weerlegging van de verklaring van de verdachte over zijn aanwezigheid in de woning waar verdachte is aangetroffen, op de grond dat die verklaring van de medeverdachte onbetrouwbaar en kennelijk in strijd met de waarheid is. De verklaring van de medeverdachte strookt niet met wat de verschillende getuigen over de toedracht verklaren. Het hof is daarop niet expliciet ingegaan, terwijl - zo wordt in cassatie terecht opgemerkt - uit de door het hof tot bewijs gebezigde verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] volgt dat de verdachte via het balkon aan de achterzijde de woning van [betrokkene 1] is binnengekomen en niet via de voordeur zoals de medeverdachte heeft verklaard. Nu die verklaring van de medeverdachte dus in strijd is met de door het hof (blijkens genoemde tot bewijs gebezigde verklaringen) vastgestelde feitelijke gang van zaken, kan die verklaring de verwerping van bedoeld verweer niet dragen, en dat brengt volgens de steller van het middel mee dat de verklaring van de verdachte voor zijn aanwezigheid op en rond de plaats delict niet door de bewijsmiddelen wordt weerlegd, terwijl deze wel strijdig is met de bewezenverklaring, en dat dus die bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

3.4. Wat is er aan de hand? In de motivering van de verwerping van het bedoelde verweer bezigt het hof de verklaring van de medeverdachte, te weten dat hij en de verdachte die avond via de voordeuropening de woning zijn binnengekomen. Klaarblijkelijk heeft het hof die verklaring ongeloofwaardig geacht, want het hof is blijkens de bewijsmiddelen uitgegaan van de juistheid van de verklaringen van getuigen waaruit volgt dat de verdachte en de medeverdachte via de balkon-, of achterzijde van de woning zijn binnengekomen.

3.5. Deze ogenschijnlijke contradictie hoeft echter niet tot cassatie te leiden. Voor zover de steller van het middel verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 23 september 2008, LJN BD3902 NJ 2008/525, wordt miskend dat in die zaak een door het hof als ongeloofwaardig aangemerkte verklaring tot bewijs was gebezigd. Daarvan is hier geen sprake, en daarin zit ‘m volgens mij de crux. Uit de verwijzing naar de inhoud van de verklaring van de medeverdachte valt op te maken waarom het hof geen geloof heeft gehecht aan de verklaring van de verdachte. De essentie is dat de beide verklaringen zich niet met elkaar laten rijmen. Dat laat de mogelijkheid open dat de verklaring van de medeverdachte ook niet in volle omvang juist is. Waar het het hof klaarblijkelijk om gaat is de vraag om welke reden de medeverdachte onvermeld zou laten dat de verdachte afkomstig was uit de woning van een meisje van wie de ouders plotseling thuis kwamen, indien deze lezing werkelijk juist zou zijn.

Bovendien heeft het hof overwogen dat de verdachte over de naam van het meisje en het huisnummer van haar woning niet heeft willen verklaren. Dat maakt die verklaring niet verifieerbaar.

3.6. Een en ander is mijns inziens reeds voldoende onderbouwing voor ’s hofs oordeel dat de verklaring van de verdachte als niet geloofwaardig terzijde wordt geschoven. Nu de verwerping derhalve al met al voldoende en niet onbegrijpelijk is gemotiveerd, behoeft het middel niet tot cassatie te leiden. Ik neem daarbij nog in aanmerking dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte samen met de medeverdachte ’s nachts om 5 uur in drijfnatte kleding op het balkon stond van een woning die aan dezelfde binnentuin grenst als de coffeeshop waar die nacht was ingebroken, hetgeen op zijn minst niet direct verenigbaar lijkt met zijn verklaring dat hij (kennelijk) alleen bij een meisje op bezoek was en overhaast het huis via het balkon heeft verlaten toen haar ouders thuiskwamen.

3.7. Het middel faalt dus.


Ambtshalve wijs ik nog op dat het cassatieberoep is ingesteld op 12 mei 2011, zodat de Hoge Raad naar alle waarschijnlijkheid uitspraak zal doen nadat sindsdien meer dan twee jaren zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in cassatie is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straf en de mate waarin de redelijke termijn zal zijn overschreden, kan mijns inziens worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

5. Gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden, heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden


n.d.