Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:6

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-04-2013
Datum publicatie
02-07-2013
Zaaknummer
11/03441
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:9
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in h.b. op rolzitting. Op gronden die zijn vermeld in de conclusie van de AG is het middel terecht voorgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 11/03441

Mr. Harteveld

Zitting 23 april 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 30 juni 2011 verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep. In eerste aanleg is verdachte ter zake van 1. mishandeling en 2. eenvoudige belediging van een ambtenaar, terwijl de belediging wordt aangedaan gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening veroordeeld tot een werkstraf van 40 uur, subsidiair 20 dagen hechtenis. De vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] is tot € 150,= toegewezen, met in zoverre oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De andere benadeelde partij, [benadeelde 2], is in eerste aanleg niet in de vordering ontvangen en heeft de vordering in appèl niet gehandhaafd.

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

3.1. Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.

3.2. Het gaat in deze zaak om vrijwel dezelfde situatie als die aan HR 17 april 2012, LJN BV9223 ten grondslag lag. Het Hof heeft verdachte op grond van artikel 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, omdat verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend, noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven. Verdachte noch zijn raadsman is ter terechtzitting op 30 juni 2011 verschenen. Het Hof heeft vastgesteld dat verdachte in persoon en tijdig is gedagvaard voor de zitting in hoger beroep op 30 juni 2011, doch de appèldagvaarding bevindt zich niet in het dossier. Over de wijze waarop verdachte is geïnformeerd kan aldus - anders dan in HR 17 april 2012, LJN BV9223 - niets worden vastgesteld.1

3.3. De raadsman is met betrekking tot de zitting van 30 juni 2011 bij schrijven van de sectorvoorzitter van de Sector Strafrecht van het Hof d.d. 20 mei 2011 geïnformeerd dat dit een “rolzitting” betreft. Deze brief luidt als volgt:

"Bijgaand treft u aan een afschrift van de dagvaarding van uw cliënt voor de zogeheten rolzitting van de strafkamer van het gerechtshof. In deze brief wordt een toelichting gegeven op de rolzitting.

De rolzitting

De rolzitting is in zoverre een formele zitting dat deze door middel van een dagvaarding wordt ingeleid en dat de zaak wordt uitgeroepen. Met de rolzitting neemt het rechtsgeding in hoger beroep een aanvang. Eventuele preliminaire verweren worden echter niet tijdens de rolzitting behandeld, de voordracht van de zaak blijft achterwege en derhalve vindt op de rolzitting ook geen inhoudelijke behandeling van de zaak plaats. Uw aanwezigheid en de aanwezigheid van uw cliënt op de rolzitting is dan ook in beginsel niet noodzakelijk.

Met de rolzitting wordt beoogd een goede inschatting te maken van de voor de verdere behandeling van de zaak benodigde zittingstijd, zodat efficiënter kan worden omgegaan met de beschikbare zittingscapaciteit. In dit verband wordt op de rolzitting geïnventariseerd of er nog onderzoek dient te worden verricht voordat de zaak inhoudelijk behandeld kan worden. Mede aan de hand van deze inventarisatie worden de datum en de benodigde tijd voor die inhoudelijke behandeling bepaald. Behoudens bijzondere omstandigheden is de inhoudelijke behandeling voorzien in de kalendermaand september 2011, oktober 2011, november 2011 of december 2011.

Voorafgaand aan de rolzitting

• Eventuele onderzoekswensen dient u, uiterlijk twee weken voor de rolzitting, gemotiveerd aan het hof op het e-mailadres: rolzittinghofstrafrecht@rechtspraak.nl kenbaar te maken, onder vermelding van de datum van de rolzitting, de naam van uw cliënt en het parketnummer;

• Uw eventuele onderzoekswensen worden ter standpuntbepaling aan de advocaat-generaal voorgelegd;

• Indien u meent dat uw aanwezigheid op de rolzitting vereist is voor het verstrekken van een nadere toelichting op uw onderzoekswensen, dan wordt u verzocht om dit via voormeld e-mailadres tijdig kenbaar te maken, opdat daarmee rekening kan worden gehouden;

• Indien u voornemens bent om preliminaire verweren te voeren, dan wordt u verzocht om dit voorafgaand aan de rolzitting via voormeld e-mailadres kenbaar te maken, zodat daarmee bij de planning van de inhoudelijke behandeling van de zaak rekening kan worden gehouden

• U wordt verzocht om uiterlijk drie dagen voor de rolzitting via voormeld e-mailadres een actueel overzicht van uw verhinderdata in de hiervoor genoemde kalendermaanden september 2011, oktober 2011, november 2011 of december 2011 te verstrekken, opnieuw onder vermelding van de datum van de rolzitting, de naam van uw cliënt en het parketnummer.

Tijdens de rolzitting

• In voorkomende gevallen kan het hof vaststellen dat niet is voldaan aan de voorwaarden van art. 408 Sv en hieraan consequenties verbinden. Ook kan het hof, indien er geen grieven zijn ingediend, in voorkomende gevallen gebruikmaken van de bevoegdheid van art. 416 lid 2 Sv;

• Op de rolzitting wordt, op basis van de ingekomen schriftelijke informatie (en wat er eventueel nog ter zitting aan de orde komt) beoordeeld of de zaken zittingsrijp zijn;

• In het geval de advocaat-generaal een (deels) afwijzend standpunt ten aanzien van de onderzoekswensen heeft ingenomen of in het geval het hof een nadere toelichting van de onderzoekswensen wenselijk acht, dan wordt, rekening houdend met uw opgave van verhinderdata, een datum voor een regiezitting bepaald. Tijdens de regiezitting wordt op de onderzoekswensen beslist;

In het andere geval wordt, rekening houdend met de door u opgegeven verhinderdata, een datum voor de inhoudelijke behandeling bepaald;

• Er wordt een proces-verbaal van de rolzitting opgemaakt.

Na de rolzitting

• U wordt zo snel mogelijk na de rolzitting, bij voorkeur dezelfde dag, per e-mail op de hoogte gesteld van de voor de inhoudelijke behandeling dan wel een regiezitting bepaalde zittingsdatum.

Het zal duidelijk zijn, dat deze werkwijze een efficiënter gebruik van de beschikbare zittingstijd beoogt te bewerkstelligen. Verzoeken om aanhouding na de rolzitting zullen dan ook nog slechts in uitzonderingsgevallen worden gehonoreerd.

Mocht u vragen hebben over de rolzitting, wordt u vriendelijk verzocht deze via het e-mailadres rolzittinghofstrafrecht@rechtspraak.nl kenbaar te maken.

Hoogachtend,

De sectorvoorzitter"

3.4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 30 juni 2011 houdt in:

"De verdachte genaamd: (…)

is niet verschenen.

De raadsman van verdachte, mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, is evenmin ter terechtzitting aanwezig.

De voorzitter stelt vast dat de dagvaarding in hoger beroep op 15 april 2011 in persoon aan verdachte is uitgereikt.

De voorzitter stelt voorts vast dat aan voornoemde raadsman op 20 mei 2011 een begeleidende brief bij voormelde dagvaarding voor een rolzitting is gezonden. In die brief wordt onder meer expliciet gewezen op de mogelijkheid tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep naar aanleiding van deze rolzitting indien geen grieven zijn ingediend of indien wordt vastgesteld dat het hoger beroep te laat is ingesteld.

De voorzitter deelt vervolgens mee de korte inhoud van:

  1. een brief van voornoemde raadsman van verdachte, d.d. 21 april 2011, betreffende de dagvaarding van zijn cliënt en het bijstaan van zijn cliënt ter terechtzitting van 30 juni 2011.

  2. een brief van deze raadsman, d.d. 31 mei 2011, bevattende verhinderdata van deze raadsman.

  3. een e-mailbericht van de advocaat-generaal, d.d. 8 juni 2011, met de opmerking dat hij uit de brief van de raadsman van 30 mei 2011 (het hof begrijpt: 31 mei 2011) afleidt dat deze geen onderzoekswensen heeft en deze niet zal verschijnen ter terechtzitting.

De voorzitter stelt vast dat er in het dossier geen grieven tegen het vonnis van de eerste rechter zijn aangetroffen.

De advocaat-generaal voert daarop het woord als volgt.

In deze zaak zijn door de verdachte en zijn raadsman geen schriftelijke grieven tegen het vonnis ingediend.

Nu de verdachte en de raadsman niet op de terechtzitting zijn verschenen en derhalve ook mondeling geen bezwaren tegen het vonnis hebben opgegeven, concludeer ik daaruit dat de verdachte geen belang heeft bij een behandeling van de strafzaak in hoger beroep. Gelet daarop vorder ik dat het hof de verdachte niet ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep.

De advocaat-generaal leest daartoe zijn vordering voor en legt die aan het hof over.

Na beraad verklaart de voorzitter het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden."

3.5. Art. 416 Sv luidt, voor zover hier van belang:

"1.(...) Na de voordracht van de advocaat-generaal wordt de verdachte die hoger beroep heeft ingesteld, in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.

2. Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard."

3.6. Net als in HR 17 april 2012, LJN BV9223 geldt hier het volgende. De hiervoor in 3.3 weergegeven begeleidende brief houdt onder meer in dat op de "rolzitting" de voordracht van de zaak achterwege blijft en geen inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsvindt, en dat de aanwezigheid van de raadsman en de verdachte op de rolzitting in beginsel niet noodzakelijk is. Die brief kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als inhoudende de mededeling aan de raadsman van de verdachte dat de strafzaak in ieder geval op een latere terechtzitting verder - en dan voor de eerste maal inhoudelijk - zal worden behandeld. Het Hof heeft op de voor die "rolzitting" bepaalde datum, waarop de verdachte en zijn raadsman niet zijn verschenen, de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en zijn beslissing mede gegrond op de omstandigheid dat de verdachte op die terechtzitting niet mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven. Dat oordeel is onbegrijpelijk, nu het Hof eraan heeft voorbijgezien dat de mededeling dat op een nadere terechtzitting de inhoudelijke behandeling van de zaak zal volgen, meebrengt dat eerst op die nadere terechtzitting de zaak door de Advocaat-Generaal zal worden voorgedragen en de verdachte alsdan op de voet van art. 416, eerste lid, Sv de gelegenheid zal hebben zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.

Dat oordeel is bovendien onjuist, indien het Hof ervan is uitgegaan dat art. 416, tweede lid, Sv, waarnaar in die brief wordt verwezen ("indien er geen grieven zijn ingediend, kan het hof in voorkomende gevallen gebruikmaken van de bevoegdheid van art. 416 lid 2 Sv"), het bepaalde in het eerste lid van art. 416 Sv opzij kan zetten. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Voor zover in het middel geklaagd wordt dat verdachte ten onrechte op andere wijze is geïnformeerd over de “rolzitting” dan zijn raadsman kan dit derhalve niet worden beoordeeld.