Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:585

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-06-2013
Datum publicatie
28-08-2013
Zaaknummer
11/03668
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:520, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/03668

Zitting: 25 juni 2013

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest 27 juli 2011 het vonnis van de Rechtbank ‘s-Gravenhage van 24 augustus 2009 ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen (alsmede kennelijk de schadevergoedingsmaatregel) vernietigd en opnieuw recht gedaan en het vonnis waarvan beroep voor het overige bevestigd. De vordering van de benadeelde partij I. Zoubiari is toegewezen tot een bedrag van EUR 69.300,- en de vordering van de benadeelde partij [A] B.V. is toegewezen tot een bedrag van EUR 37.550,-. Ten behoeve van de beide benadeelde partijen is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor de bovengenoemde bedragen, te vervangen door maximaal 365 dagen hechtenis. Voorts zijn de gemaakte kosten voor de benadeelde partij [A] B.V. begroot op EUR 14.497,15. De Rechtbank heeft bij voormeld vonnis verdachte wegens 1. en 2. “oplichting, meermalen gepleegd”, 3. “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en 4. “verduistering gepleegd door haar die het goed uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft” veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, van 200 uren, met een vervangende hechtenis van 100 dagen en een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren onder de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar voorschriften geven door of namens Stichting Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt (ambulante) behandeling bij de Waag. Voorts is beslist op de vorderingen van de genoemde benadeelde partijen en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, als nader in het vonnis omschreven.

2. Namens verdachte heeft mr. J.J.A.P. van Breukelen, advocaat te Rotterdam, beroep in cassatie ingesteld en bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof art. 359, tweede lid jo. 415 Sv heeft geschonden nu het oordeel van het Hof inhoudende dat er geen reden was om af te zien van het opleggen van de gevorderde schadevergoedingsmaatregel, onder meer gelet op hetgeen namens de verdachte is aangevoerd, niet zonder meer begrijpelijk is.

4. In de toelichting op het middel wordt het gevoerde verweer als volgt weergegeven:

“Blijkens de op de terechtzitting van 13 juli 2011 overgelegde pleitnota is namens rekwirante aangevoerd dat het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel in de omstandigheden van het geval in strijd zou komen met de strekking ervan, nu dit in de praktijk vrijwel zeker zou neerkomen op het uitzitten van de vervangende hechtenis. Ter onderbouwing van die stelling is (samengevat) bepleit dat:

- rekwirante een maandinkomen heeft van ongeveer € 1.540,00 en per kwartaal € 710,00 kinderbijslag ontvangt;

- dat zij geen vermogen heeft;

- dat zij in een civiele procedure is verwikkeld ten aanzien van dezelfde feiten en waarbij van haar een bedrag van € 45.700,00 wordt gevorderd;

- dat zij per maand een bedrag van € 350,00 kan betalen;

- dat zij druk bezig is met het vinden van een fulltime betrekking;

- dat een eventuele betalingsregeling met het CJIB binnen maximaal 36 maanden moet zijn afgerond en dat een dergelijke regeling uitsluitend wordt verleend indien aannemelijk is dat de gehele vordering binnen deze termijn zal worden voldaan;

- dat tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis zal leiden tot verlies van de inkomstenbron van rekwirante en dat geen enkele partij hierbij gebaat is; en

- dat het achterwege laten van de schadevergoedingsmaatregel niet impliceert dat de benadeelde partijen geen executoriale titel verwerven.

Met verwijzing naar de wetsgeschiedenis en jurisprudentie van Uw Raad is voorts betoogd dat het doel van vervangende hechtenis is gelegen in het creëren van een stimulans om aan de betalingsverplichting te voldoen en dat de vervangende hechtenis niet is bedoeld om leed toe te voegen.”

5. Het Hof heeft hieromtrent in het bestreden arrest het volgende overwogen:

“Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte een betalingsregeling had getroffen met de benadeelde partij [benadeelde], inhoudende dat zij maandelijks EUR 350,- overmaakte naar de bankrekening van [benadeelde]. Ter terechtzitting in hoger beroep is echter tevens gebleken dat de verdachte sinds januari 2011 geen geld meer aan [benadeelde] heeft overgemaakt.

De verdachte heeft geen betalingsregeling met de benadeelde partij [A] B.V. Nu er thans geen sprake blijkt te zijn van enige lopende betalingsregeling tussen de verdachte en de benadeelde partijen [benadeelde] en/of [A] verwerpt het hof dit verweer van de raadsman.

Het hof is voorts van oordeel dat in beginsel de draagkracht van de veroordeelde geen reden is om de gevorderde schadevergoedingsmaatregel af te wijzen dan wel te matigen. Dit zou slechts onder uitzonderlijke omstandigheden anders kunnen zijn. Naar het oordeel van het hof doen zich, gelet op hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht en mede gezien de leeftijd, de achtergrond en de verdiencapaciteit van de verdachte, deze uitzonderlijke omstandigheden zich in casu niet voor.

Het hof zal derhalve de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van beide benadeelde partijen opleggen.”

6. Anders dan ter zitting werd betoogd, houdt de samenvatting van het verweer in de cassatieschriftuur niet meer in dat er een betalingsregeling gold. Kennelijk legt de steller van het middel zich op dat punt neer bij het oordeel van het Hof. Het Hof heeft immers geconstateerd dat er geen sprake is van een betalingsregeling. Mede gelet op deze constatering kon het ter zitting gevoerde verweer dat door de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsregeling wordt doorkruist, worden verworpen.1

7. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de draagkracht in beginsel geen rol speelt bij de bepaling van de hoogte van het bedrag van de schadevergoedingsmaatregel. Dat getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.2 Volgens de Hoge Raad kan niettemin het gebrek aan draagkracht onder omstandigheden reden zijn voor de rechter om af te zien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.3 Daartoe doet de Hoge Raad een beroep op de volgende passage uit de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer:

“De vraag van deze leden of de rechter er verstandig aan doet de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen als er ernstig rekening moet worden gehouden met de kans dat de verdachte de schade niet zal kunnen vergoeden en vervangende hechtenis zal moeten worden toegepast, laat zich niet in abstracto verwoorden. De rechter zal hierover in concreto met inachtneming van de omstandigheden van het geval moeten beslissen.”4

8. Het Hof heeft als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat er geen uitzonderlijke omstandigheden zijn die nopen tot het achterwege laten van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel dan wel het matigen van het bedrag van de maatregel. Het Hof komt tot dat oordeel mede gezien de leeftijd, de achtergrond en de verdiencapaciteit van de verdachte. Nu het Hof die factoren in aanmerking heeft genomen is, het oordeel niet zonder meer onbegrijpelijk. Het Hof heeft daarbij voorts anders dan de steller van het middel kennelijk noodzakelijk acht geen afzonderlijke aandacht besteed aan de duur van de periode gedurende welke afbetaling mogelijk is. In de pleitnotitie is opgemerkt dat het onrealistisch is om te denken dat cliënte binnen afzienbare tijd volledig aan haar verplichtingen zal kunnen voldoen. Daarbij wordt in de schriftuur en ook in feitelijke aanleg gewezen op de periode van 36 maanden in de Aanwijzing executie van het OM. Kennelijk doelde raadsman met dit verweer in feitelijke aanleg op de termijn van 36 maanden in bijlage 3 punt 9 van de Aanwijzing executie5 waarbinnen afbetaling als regel dient plaats te vinden. De bijlage bij de Aanwijzing executie spreekt echter ook van maatwerk in het individuele geval. Dat het Hof dus de bedoelde termijn niet verder in het oordeel heeft betrokken maakt de motivering van het oordeel van het Hof evenmin onbegrijpelijk.

9. Het eerste middel faalt.

10. Het tweede middel klaagt dat de begroting van het Hof van de door de benadeelde partij [A] B.V. gemaakte kosten een kennelijke misslag bevat, nu de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt ten behoeve van haar aanwezigheid op de zitting van 21 februari 2011 zijn meegenomen in deze begroting, waardoor de beslissing onbegrijpelijk is en nadere motivering behoeft.

11. De raadsman heeft in zijn pleitaantekeningen die hij heeft overgelegd tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 13 juli 2011, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende aangevoerd:

“Tot slot worden er in het laatst ingediende voegingsformulier extra advocaatkosten gevorderd omdat de benadeelde partij onnodig naar Den Haag was gereisd. Kennelijk was de benadeelde partij niet ingelicht over de aanhouding van de zaak op 21 februari jl.

Hierover kan gezegd worden dat het niet op de weg van cliënte ligt om de benadeelde partij in te lichten over een toegewezen aanhoudingsverzoek. Dit is een taak van het parket. Naar het oordeel van de verdediging kan cliënte dan ook niet worden veroordeeld in deze kosten.”

12. Het Hof heeft omtrent de hoogte van de kosten die de benadeelde partij [A] B.V. heeft gemaakt in verband met de vordering het volgende overwogen:

“Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Anders dan de raadsman van de verdachte heeft betoogd is het hof van oordeel dat de advocaatkosten niet slechts overeenkomstig het Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven kunnen worden toegewezen, nu dit liquidatietarief geen recht is in de zin van artikel 79 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie, maar slechts een de rechter niet bindende richtlijn. De kosten van rechtsbijstand zijn volledig toewijsbaar, mits niet onnodig gemaakt.

Door de benadeelde partij [A] B.V. is gesteld dat de kosten van rechtsbijstand EUR 14.497,15 bedragen. De benadeelde partij heeft declaraties en specificaties van de werkzaamheden bijgevoegd. Uit deze specificaties en de ter terechtzitting in hoger beroep gegeven toelichting blijkt dat ook kosten zijn gemaakt doordat de benadeelde partij heeft geprobeerd -een deel van- het van hem verduisterde bedrag te verhalen op degene op wiens rekening het geld door de verdachte was gestort. Dit heeft er in geresulteerd dat de oorspronkelijke vordering van EUR 75.000,- is verminderd tot EUR 37.500,-. Mede gelet op die omstandigheden vindt het hof dat van de, relatief hoge, post rechtsbijstand niet gesteld kan worden dat de daarin begrepen kosten nodeloos zijn gemaakt.”

13. Uit het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2011 kan worden afgeleid dat de wettelijke voorschriften met betrekking tot de motivering van rechterlijke uitspraken zich niet uitstrekken tot de daarin opgenomen beslissing omtrent het bedrag der kosten noch tot de vaststelling van wat tot die kosten moet worden gerekend.6 Mijn voormalig ambtgenoot Wortel, thans lid van uw Raad, heeft er indertijd terecht op gewezen dat indien de begroting van de kosten voor rechtsbijstand op een kennelijke misslag berust over de onbegrijpelijkheid van de beslissing in cassatie kan worden geklaagd.7 Bij die opvatting tracht de steller van het middel aan te sluiten.

14. Uit de motivering van het Hof kan worden afgeleid dat de kosten die de raadsman betwist volgens het Hof vallen onder de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt in verband met de vordering. Uit de daarop volgende overweging blijkt dat het Hof vindt dat de opgegeven kosten van de rechtsbijstand niet nodeloos zijn gemaakt en dat dus het volledige bedrag toewijsbaar kan worden geacht. Dit oordeel over de begroting van de kosten berust niet op een kennelijke misslag en is evenmin onbegrijpelijk. In dien verdachte meent dat deze kosten alsnog voor rekening van het openbaar ministerie moeten komen, staat het verdachte vrij zich tot die instantie te wenden.

15. Ook het tweede middel faalt.

16. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. De verdachte heeft op 4 augustus 2011 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

17. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Andere gronden dan de hiervoor onder 16 genoemde grond waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde werkstraf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 21 juni 2005, NS 2005/249, r.o. 3.5: Het doel en de strekking van de schadevergoedingsmaatregel verzetten zich tegen de oplegging van de maatregel indien hiermee een betalingsregeling tussen de verdachte en de benadeelde partij wordt doorkruist.

2 HR 20 juni 2000, LJN AA6246, NJ 2000/634 en HR 19 juni 2007, LJN AZ8788, NJ2007/359.

3 HR 19 juni 2007, LJN AZ8788, NJ2007/359.

4 Kamerstukken I 1992-1993, 21 345, nr. 36b, p. 2.

5 Thans Aanwijzing executie van 28 januari 2013, Stcrt. 2013, nr. 5107. Dezelfde regeling gold ook ten tijde van de berechting in hoger beroep. Zie 21 december 2010, Stcrt. 2010, nr. 20473.

6 HR 29 mei 2001, LJN AB1819, NJ 2002/123 en ook reeds HR 22 mei 1935, NJ 1936/1064.

7 Conclusie AG mr. Wortel bij HR 26 februari 2002, LJN AD8866.