Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:578

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-05-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
12/00066
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:686, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bedreiging, 285 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2005:AT3659 en ECLI:NL:HR:2011:BO3400.’s Hofs oordeel dat de bewezenverklaarde uitlatingen van de verdachte bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling opleveren, is zonder nadere motivering niet zonder meer begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2013/564 met annotatie van N. Keijzer
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/00066

Zitting: 14 mei 2013

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 21 december 2011 verdachte wegens “bedreiging met zware mishandeling” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. M.L. Groeneveld, advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4 Het eerste middel

4.1.

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de bewezenverklaarde passage van de aan M. Hamer verzonden e-mail een bedreiging met een tegen het leven van haar dochter gericht misdrijf, althans zware mishandeling oplevert.

4.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op of omstreeks 10 februari 2010 te Dordrecht, althans in Nederland, M. Hamer heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een e-mail aan voornoemde Hamer verstuurd met de navolgende inhoud: Doe de groeten aan uw dochter... en uhm, zorg ervoor dat ze in de gaten wordt gehouden... Een ex-PvdA lid.... Want WIJ zullen u dit nooit vergeven.".”

4.3.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 7 december 2011 verklaard -zakelijk weergegeven-:

Het e-mailadres [naam verdachte]@ hotmail.com is van mij.

2. Het proces-verbaal van de politie Haaglanden, proces-verbaalnummer PL15J2 2010030653-1 d.d. 11 februari 2010, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 11 februari 2010 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Ik ben door mevrouw M.I. Hamer, fractievoorzitter van de politieke partij PvdA, gemachtigd tot het doen van aangifte. Op 10 februari 2010 is mevrouw Hamer bedreigd via een mailbericht. In het mailbericht wordt tevens haar dochter bedreigd. De letterlijke inhoud van het mailbericht: Namens alle slachtoffers en doden in Irak bedanken wij U en de PvdA voor het steunen van deze illegale oorlog. Ook namens het CDA bedanken wij de PvdA voor het steunen van J.P. Balkenende... Dankzij U komt het CDA weg met deze oorlogsmisdaad jegens de mensheid. Met uw verklaring van gisteren heeft u officieel de PvdA opgeheven. Bedankt! Als u denkt dat u hiermee wegkomt, heeft u het goed mis.... De mensen in het land voelen zich genaaid! Een mes in de rug.... Doe de groeten aan uw dochter... en uhm, zorg ervoor dat ze in de gaten wordt gehouden... Een ex-pvda lid.... Want WIJ zullen u dit nooit vergeven.

Het mailbericht is verzonden op en afkomstig van:

datum en tijd: 10-02-2010 13:42 uur

E-mailadres: [naam verdachte]@hotmail.com

IP-adres: [001]

Mevrouw M.I. Hamer voelt zich door bovenstaand mailbericht ernstig bedreigd. Zij is bang dat de afzender van dit mailbericht haar en haar dochter daadwerkelijk van het leven zal beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe zal brengen. Ik stel u het mailbericht, alsmede de daarbij behorende eigenschappen van de verzender, ter beschikking.

3. Het proces-verbaal van de politie Haaglanden, proces-verbaalnummer PL15J2 2010030653-3 d.d. 12 februari 2010, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: Als relaas van deze opsporingsambtenaar:

Naar aanleiding van een door [betrokkene 1] gedane aangifte namens mevrouw M.I. Hamer, fractievoorzitter van de politieke partij PvdA, is een onderzoek ingesteld. Het IP-adres [001] werd bevraagd en bleek toe te behoren aan UPC. Door middel van een vordering ex artikel 126na van het Wetboek van Strafvordering werd via de Unit Landelijke Interceptie van UPC gevorderd de naam-, adres- en woonplaatsgegevens te verstrekken van de gebruiker van het IP-adres [001]. Van de U.L.I. zijn de volgende gegevens ontvangen: [betrokkene 2], [a-straat 1], [woonplaats]. Volgens de Gemeentelijke Basis Administratie staat er op het adres [a-straat 1] te Dordrecht een persoon ingeschreven met de naam [verdachte], geboren op [geboortedatum]-1981 te [geboorteplaats].

4. Het proces-verbaal van de politie Zuid-Holland-Zuid, proces-verbaalnummer 2010014801-11 d.d. 12 februari 2010, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als relaas van deze opsporingsambtenaar:

Op 11 februari 2010 is bij de politie Haaglanden aangifte gedaan van bedreiging van mevrouw M.I. Hamer en haar dochter. Op 12 februari 2010 werd in de woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] [verdachte] aangehouden. Verdachte [verdachte] overhandigde een in de woning aanwezige laptop. Hij deelde mede dat dit de enige computer was, welke in de woning aanwezig was. De hoofdbewoner [betrokkene 2] toonde aan een van de verbalisanten de gehele woning, waarbij bleek dat er geen andere computers in de woning aanwezig waren. De laptop is in beslag genomen en overgedragen aan de Unit Forensische Opsporing voor onderzoek.

5. Het proces-verbaal van de politie Zuid-Holland-Zuid, proces-verbaalnummer 1602101230.OIG d.d. 17 februari 2010, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als relaas van deze opsporingsambtenaar:

Op 12 februari 2010 werd door een medewerker van politie Zuid Holland Zuid de onderstaande computer voor onderzoek aangeboden aan het Bureau Digitale Recherche. Het betrof de computer:

Omschrijving : laptop computer

Eigenaar naam : [achternaam verdachte]

Voornamen : [voornaam verdachte]

Geboortedatum : [geboortedatum] 1981

Adres : [a-straat 1]

Woonplaats : [woonplaats].

Ik zag dat de systeemdatum en de tijd van deze personal computer overeen kwamen met de werkelijke datum en tijd. Gevraagd werd om te zoeken naar een email met een bedreigende tekst jegens M. Hamer van de PvdA dan wel politieke onderwerpen.

URL : http://nl.wikipedia.org/wiki/Mari%C3%ABtte_Hamer

Title : Mariette Hamer

Modified Date: 10-2-2010 13:32:55

User Name : [verdachte]

URL : http://nl.wikipedia.org/wiki/Mari%C3ABtte_Hamer

Modified Date : 10-2-20 10 13:32:55

User Name : [verdachte]

URL: http://nu.pvda.nl/personen/Tweede+Kamer/Mariette+Hamer.html

Title : Mariette Hamer | Personen | PvdA

Modified Date: 10-2-2010 13:32:12

User Name : [verdachte]

URL : http://nu.pvda.nl/personen/Tweede+Kamer/Mariette+Hamer.html

Modified Date: 10-2-2010 13:32:12

User Name : [verdachte]

URL : http://nu.pvda.nl

Title : Partij van de Arbeid

Modified Date : 10-2-2010 13:31:37

User Name : [verdachte]

URL : http://nu.pvda.nl

Modified Date: 10-2-2010 13:31:37

User Name : [verdachte]

URL : nu.pvda.nl

ModifiedDate: 10-2-2010 13:31:37

User Name : [verdachte]

URL : http://www.google.nl/search?hl=nl&q=pvda+&meta=&aq=f&oq=

Title : pvda - Google zoeken

Modified Date: 10-2-2010 13:31:33

User Name : [verdachte]

URL : http://www.google.nl/search?hl=nl&q=pvda+&meta=&aq=f&oq=

Modified Date: 10-2-2010 13:31:33

User Name : [verdachte]

URL : http://www.google.nl/search?hl=nl&source=hp&q= pvda+rotterdam&meta&aq=2&oq=pvda

Modified Date: 10-2-2010 13:31:30

User Name : [verdachte]

URL : http://www.google.nl/search?hl=nl&source=hp&q= pvda+rotterdam&meta=&aq=2&oq=pvda

Title : pvda rotterdam - Google zoeken

Modified Date: 10-2-2010 13:31:30

User Name : [verdachte]

URL : http://www.pvdarotterdam.nl/nieuws/nieuws_rss

Title : PvdA Rotterdam Nieuws

Modified Date: 10-2-2010 13:31:26

User Name : [verdachte]

Het ip-adres wat door de computer gebruikt werd was: [001] en dit werd ook op de computer aangetroffen.”

4.4.

Het Hof heeft ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:

“Nadere bewijsoverweging

Naar het oordeel van het hof levert de in de bewezenverklaring genoemde passage van de aan mevrouw Hamer verzonden e-mail een bedreiging met een tegen het leven van haar dochter gericht misdrijf, althans met zware mishandeling van haar dochter.

Het hof acht de bewezenverklaarde bedreigingen zodanig dat zij naar objectieve maatstaven bezien – gelet op hun aard en de omstandigheden waaronder zij zijn Gedaan, te weten naar haar e-mail en kennelijk met bekendheid met het feit dat zij een dochter heeft – bij de aangeefster de redelijke en gerechtvaardigde vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook gepleegd zou worden.

Het hof is van oordeel dat het niet anders kan dat verdachte de betreffende e-mail heeft gestuurd, gelet op het feit dat de e-mail vanaf zijn laptop en vanaf zijn e-mailadres is verzonden. Daar komt bij dat uit de historische zoekgegevens op de laptop blijkt dat ongeveer tien minuten voor het tijdstip van verzending van de betreffende e-mail er uitgebreid is gezocht naar politieke gegevens, die eveneens gerelateerd kunnen worden aan de betreffende e-mail. De opmerking van verdachte dat ook andere huisgenoten eventueel via zijn e-mailaccount de e-mail zouden kunnen hebben verstuurd acht het hof onaannemelijk.”

4.5.

Ik stel het volgende voorop. Een alternatieve bewezenverklaring is toelaatbaar indien de keuze uit de beide alternatieven voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde niet van belang is. Aan die voorwaarde is in het onderhavige geval niet voldaan. Of bedreigd is met een misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling, maakt immers uit voor de kwalificatie van het bewezenverklaarde. Nu kan dit gebrek niet tot cassatie leiden, aangezien daarover niet wordt geklaagd. Van belang daarbij is dat het Hof niet alternatief, maar enkelvoudig heeft gekwalificeerd. Gekozen is voor de minst ver gaande variant, namelijk “bedreiging met zware mishandeling”. Een en ander maakt mijns inziens dat de verdachte geen rechtens te respecteren belang heeft bij het middel voor zover dat betrekking heeft op het bewezenverklaarde alternatief dat met een misdrijf tegen het leven gericht is gedreigd. Ik beperk mij derhalve tot de vraag of het Hof uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat sprake was van bedreiging met zware mishandeling.

4.6.

Voor veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling is – voor zover hier van belang – vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.1 Niet is vereist dat het misdrijf waarmee wordt gedreigd, is gericht tegen de bedreigde persoon zelf.2

4.7.

Het antwoord op de vraag of de geuite woorden op zichzelf dan wel in de context van het geval geëigend zijn om de bedoelde redelijke vrees op te wekken, is afhankelijk van waarderingen van feitelijke aard en daardoor in cassatie slechts beperkt toetsbaar. Daardoor is, zoals annotator Keijzer opmerkte, de rechtszekerheid op dit punt “gedoemd gebrekkig te blijven”.3 Inderdaad is het moeilijk om in de casuïstische rechtspraak van de Hoge Raad een heldere lijn te ontdekken, tenminste als het gaat om de betrekkelijk grote categorie grensgevallen. Aangezien het ook in de onderhavige zaak om een dergelijk grensgeval gaat, bespreek ik hieronder eerst ter vergelijking een aantal arresten van de Hoge Raad met betrekking tot dergelijke grensgevallen.

4.8.

In de zaak HR 11 december 2007, LJN BB7701 uitte de verdachte de volgende woorden: “[…] ik zal voor die feiten wel gevangenisstraf krijgen, maar zeker niet levenslang vast zitten. Daarna weet ik je wel te vinden.” De Hoge Raad liet de veroordeling in stand. Uit het arrest kan worden afgeleid dat de gebezigde bewoordingen op zichzelf onvoldoende zijn om bij de bedreigde de redelijke vrees te doen ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen bekomen en dat de omstandigheden waaronder de uitlatingen zijn geschied de doorslag hebben gegeven. Deze omstandigheden waren dat de bedreigde, een brigadier van politie, ervan op de hoogte was dat verdachte eveneens verdacht werd van het voorhanden hebben van een wapen van categorie III.

4.9.

In HR 25 januari 2011, LJN BO3400, NJ 2011/224 m.nt. N. Keijzer uitte de verdachte de volgende woorden: “Als je ruzie met mij wil is goed hoor ik krijg vanaf nu nog vijftienhonderd euro van je. Er gaan binnenkort wel wat mensen langs bij je moeder aan de a-straat”. Het Hof had bij zijn oordeel dat van bedreiging met zware mishandeling sprake was, betrokken dat het slachtoffer eerder door de broer van de verdachte was bedreigd, hetgeen de verdachte zou hebben geweten. De Hoge Raad casseerde omdat dat laatste niet uit de bewijsmiddelen bleek. Uit dit arrest kunnen geen dwingende conclusies worden getrokken. Het lijkt er echter op dat de Hoge Raad niet zou hebben gecasseerd als het bedoelde motiveringsgebrek zich niet had voorgedaan.

4.10.

In HR 15 maart 2011, LJN BP2215, NJ 2011/227 m.nt. N. Keijzer, had de verdachte zich als volgt uitgelaten: “O. stopt in maart en is dan vogelvrij. Ik zal hem weten te vinden en hij persoonlijk betaalt die 80.000 euro. Dat incassobureau mag dan de helft houden en ik zal O. blijven volgen, desnoods zijn hele leven lang. O. heeft ook een vrouw en kinderen, die weet ik ook wel te vinden, ik heb niets te verliezen”. De Hoge Raad casseerde. Daaruit kan worden afgeleid dat deze uitlatingen op zichzelf onvoldoende zijn om bedreiging met zware mishandeling op te leveren.

4.11.

In HR 14 juni 2011, LJN BQ3717, NJ 2011/285 was bewezenverklaard dat verdachte zich dicht naar M. heeft begeven en zijn arm heeft opgeheven en zijn hand tot een vuist heeft gebald en een stompende beweging heeft gemaakt met die vuist en daarbij M. dreigend de woorden heeft toegevoegd: “Los laten”. De Hoge Raad overwoog in deze zaak dat het oordeel van het Hof dat de bewezenverklaarde gedragingen en uitlating bedreiging met zware mishandeling opleveren, niet begrijpelijk is. Daarbij heeft vermoedelijk een rol gespeeld dat de kans dat een stomp zwaar lichamelijk letsel teweegbrengt, niet zonder meer aanmerkelijk is te noemen.

4.12.

Ook in HR 15 januari 2013, LJN BY5695, NJ 2013/63 ging het om de combinatie van gedragingen en een uitlating. Bewezenverklaard was dat verdachte opzettelijk achter de balie naar B. is toe gelopen en dat hij zich groot en breed heeft gemaakt en dreigend zijn hand omhoog heeft gehouden en dreigend haar de woorden heeft toegevoegd: “Ik kom je nog wel een keer tegen op straat!”. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat een heel erg grote collega van het slachtoffer tussen beiden sprong en zo voorkwam dat er werkelijk werd geslagen. De Hoge Raad achtte het oordeel van het Hof ontoereikend gemotiveerd, nu uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat de bedreiging door de verdachte in de gegeven omstandigheden van dien aard was dat bij B. in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij bij de volgende confrontatie met de verdachte daadwerkelijk zou worden mishandeld en dat zij daarbij zwaar lichamelijk letsel kon oplopen. Opmerkelijk is dat de Hoge Raad niet alleen de vrees voor de gevolgen (zwaar lichamelijk letsel), maar ook de vrees bij de volgende confrontatie daadwerkelijk te worden mishandeld, niet zonder meer redelijk achtte. Misschien speelde mee dat – als de geuite woorden letterlijk worden genomen – enkel met een ontmoeting op straat werd gedreigd, terwijl die ontmoeting bovendien afhankelijk leek te zijn van het toeval. Van een verdachte die de bedreigde “wel weet te vinden” – en dus bewust opzoekt – was geen sprake.

4.13.

Niet gecasseerd werd in HR 17 december 2002, LJN AE9704. Deze zaak betreft een verdachte die tegenover [A] de woorden uitte “als ik een [A] tegen kom dan is hij voor mij” en “wacht maar af. Ik krijg jullie nog wel. Ik kom nog wel terug”, en “dat hij (…) de zoons van [A] (…) te grazen zou nemen”. Uit de bewijsmiddelen volgde dat de verdachte uit het café van [A] was verwijderd omdat hij een bezoeker had geslagen, dat verdachte terugkwam met een bezemsteel in zijn hand en daarbij de bewezenverklaarde woorden uitte. De Hoge Raad deed het cassatiemiddel af met toepassing van art. 81 RO.

4.14.

Ook in HR 26 juni 2007, LJN BA3608 werd het middel met toepassing van art. 81 RO afgedaan. De verdachte had tijdens een afspraak met een medewerker van de Sociale Dienst een stoel naar die medewerker gegooid die deze kon ontwijken door snel de deur van de spreekkamer dicht te doen. De verdachte had daarop naar de medewerker gewezen en geroepen: “Jou pak ik nog”. De overeenkomst in casuspositie met de onder 4.12 besproken zaak (LJN BY5695) is groot. Het verschil in uitkomst laat zich daarom moeilijk verklaren, maar mogelijk is de Hoge Raad van oordeel dat het gooien met een stoel gevaarlijker (en bedreigender) is dan een aanval met de blote handen, terwijl de geuite woorden stelliger waren nu van het “pakken” van de bedreigde werd gesproken, terwijl dat pakken niet afhankelijk werd gemaakt van een toevallige ontmoeting op straat.

4.15.

In HR 19 februari 2013, LJN BZ8174 was ten laste van verdachte bewezenverklaard dat hij een zekere [B] en diens moeder had toegeroepen: “Nu weet ik wie je bent, jij en je moeder komen daar nog wel achter, ik weet nu wie ik moet hebben” en/of “ik pak jou en je moeder”. De omstandigheden die volgens het Hof maakten dat deze woorden een bedreiging met zware mishandeling opleverden, waren dat [B] die dag moest terechtstaan voor een woninginbraak die hij bij de moeder van verdachte zou hebben gepleegd, dat verdachte deze [B] en diens moeder is tegengekomen in de wachtruimte van een zittingszaal in het paleis van justitie te Utrecht en dat, naar uit een tot het bewijs gebezigd relaas van een verbalisant volgt, de sfeer in de wachtruimte dusdanig gespannen was dat beide partijen elkaar dreigden aan te vliegen, maar dat dit werd verhinderd door aldaar aanwezige politieambtenaren. De Hoge Raad deed ook dit keer het middel af met toepassing van art. 81 RO.

4.16.

Tot slot een zaak die evenals de onderhavige zaak betrekking heeft op de bedreiging van een politicus. In HR 25 januari 2011, LJN BO4022, NJ 2011/226 m.nt. N. Keijzer had de verdachte opgebeld naar een redactrice van het televisieprogramma “De wereld draait door”, waarin de toenmalige PvdA-lijsttrekker Wouter Bos op dat moment te gast was. De verdachte maakte zich erg boos over een uitlating van Wouter Bos en eiste dat deze hem terug zou bellen. Als Wouter Bos dat niet zou doen, zou hij hem wat aandoen, waaraan hij toevoegde dat hij de broer van Osama was. Het Hof verklaarde bedreiging met zware mishandeling bewezen en overwoog daarbij:

“In hun context leveren die gebeurtenis en woorden een bedreiging op met zware mishandeling. Genoemde bewoordingen zijn op zichzelf al bedreigend van aard maar die bedreiging krijgt meer gewicht als het, zoals hier, gaat om een politicus die in het centrum van de belangstelling staat en die dikwijls in de openbaarheid optreedt en derhalve gemakkelijk te traceren is.”

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en overwoog daarbij dat het oordeel van het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigde en “mede gelet op ’s Hofs bewijsvoering”, ook niet onbegrijpelijk was. Hieruit lijkt te kunnen worden afgeleid dat het feit dat de bedreigde een politicus is, deel uitmaakt van de relevante context van het gebeuren en aan bedreigende taal meer gewicht kan geven dan anders het geval zou zijn.

4.17.

Uit deze jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat in gevallen waarin de gebezigde woorden niet dusdanig expliciet zijn dat zij op zichzelf beschouwd al een bedreiging met zware mishandeling opleveren, veel, zo niet alles, afhangt van de context waarin de woorden zijn geuit. Uitlatingen als “ik krijg je nog wel”, “ik zal je pakken” en “ik zal je wat aandoen” kunnen bezien in de context bedreiging met zware mishandeling opleveren. Dat is met name het geval als die woorden gepaard gaan met daden van agressie die over de gewelddadige bedoelingen van de verdachte geen twijfel laten bestaan. Maar ook toevoegingen als “Ik ben de broer van Osama” kunnen die gewelddadige bedoelingen duidelijk maken. In dergelijke gevallen lijkt de Hoge Raad niet zwaar te tillen aan het onderscheid tussen eenvoudige en zware mishandeling. De vrees dat het “pakken” waarmee wordt gedreigd, verder zal gaan dan een eenvoudige mishandeling, lijkt betrekkelijk snel te zijn gerechtvaardigd.

4.18.

Strenger is de Hoge Raad als het niet gaat om een in het vooruitzicht gestelde afrekening, maar om een momentane bedreiging van instrumentele aard. Zo rechtvaardigde het dreigen met gebalde vuist om te bewerkstelligen dat de bedreigde zou “loslaten”, niet de vrees dat het geweld waarmee werd gedreigd verder zou gaan dan een droge klap. Strenger is de Hoge Raad ook als de uitlating op zichzelf beschouwd geen inbreuk op de lichamelijke integriteit lijkt te impliceren. Een uitlating als “ik kom je nog wel tegen op straat” heeft bij wijze van spreken meer context nodig om een bedreiging met zware mishandeling op te kunnen leveren, dan een uitlating als “ik zal je pakken”. Van belang is mogelijk ook de inspanning die de verdachte zich zegt te willen getroosten om de bedreiging te effectueren. “Ik weet je te vinden” is bedreigender dan “ik kom je nog wel tegen”. Misschien komt ook betekenis toe aan het realiteitsgehalte van de bedreiging. Als de verdachte weet wie de bedreigde is en weet waar hij woont, is er meer reden tot angst dan wanneer dat niet het geval is.

4.19.

Een factor die hier aparte aandacht verdient, is de kwetsbaarheid van een in het centrum van de belangstelling staande politicus. De vraag is of het daarbij alleen gaat om de gemakkelijke traceerbaarheid van het slachtoffer. Het mag tegenwoordig van algemene bekendheid heten dat een bedreiging aan het adres van een politicus doorgaans geen incident is, maar onderdeel vormt van een stroom van hate mail en een moddervloed van opruiende uitlatingen op internet. Het is na de moord op Pim Fortuyn niet meer goed mogelijk om aan die stroom van verwensingen en bedreigingen schouderophalend voorbij te gaan. Het komt mij voor dat deze context mede bepalend is voor de impact die een afzonderlijke uitlating op de bedreigde heeft.

4.20.

In de onderhavige zaak heeft het Hof bewezenverklaard dat de verdachte de volgende uitlatingen heeft gedaan: “Doe de groeten aan uw dochter... en uhm, zorg ervoor dat ze in de gaten wordt gehouden... Een ex-PvdA lid.... Want WIJ zullen u dit nooit vergeven.”. Deze uitlatingen zijn naar mijn mening niet van dien aard dat zij op zichzelf al een bedreiging met zware mishandeling kunnen opleveren. Daarvoor zijn zij onvoldoende specifiek. De tekst van het gehele e-mailbericht (zie bewijsmiddel 2) maakt echter duidelijk dat met wraakneming wordt gedreigd. Mevrouw Hamer wordt in het bericht namens alle slachtoffers en doden in Irak “bedankt” voor haar steun aan deze als oorlogsmisdaad bestempelde oorlog. Daarbij wordt de verzekering gegeven dat mevrouw Hamer daarmee niet “wegkomt” en dat “WIJ” dit haar nooit zullen vergeven. Dat kan moeilijk iets anders betekenen dan dat met een afrekening wordt gedreigd. Tegen die achtergrond bezien is de onmiskenbare strekking van de gemaakte opmerkingen over de dochter van mevrouw Hamer dat de wraakneming hieruit zal bestaan dat die dochter iets zal worden aangedaan. Mede gelet op de ernst van het vergrijp waarvan mevrouw Hamer in het e-mailbericht wordt beticht (medeplichtigheid aan een oorlogsmisdrijf), en in aanmerking genomen haar kwetsbare positie als landelijk bekend politicus, konden de gebezigde woorden naar mijn mening bij mevrouw Hamer de redelijke vrees doen ontstaan dat haar dochter zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht.

4.21.

Het Hof heeft in zijn bewijsoverweging in aanmerking genomen dat de uitlatingen naar de e-mail van mevrouw Hamer zijn verstuurd en dat de verzender kennelijk bekend was met het feit dat zij een dochter heeft. Die factoren kunnen inderdaad bijdragen aan de ernst van de bedreiging omdat daaruit een zeker planmatig handelen spreekt. De dader heeft immers kennelijk de moeite genomen om achter het e-mailadres van mevrouw Hamer te komen en om uit te zoeken of zij kinderen heeft. Dat planmatige vergroot de vrees dat de woorden in daden zullen worden omgezet.

4.22.

Mijn conclusie is dat het oordeel van het Hof niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is. Het middel faalt derhalve.

5 Het tweede middel

5.1.

Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat verdachte de bewuste e-mail heeft verzonden, onbegrijpelijk althans ontoereikend is gemotiveerd.

5.2.

Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit, omdat er geen direct bewijs is dat de verdachte de e-mail heeft verzonden. De verdachte heeft ter terechtzitting het volgende verklaard:

“Het e-mailadres [naam verdachte]@ hotmail.com is van mij. Ik ben nooit lid geweest van de PvdA, maar van de SP. Er was maar één laptop in de woning. Ik beroep mij op mijn zwijgrecht op de vraag of het mijn computer was. Meerdere mensen maakten gebruik van de laptop; iedereen die welkom was in mijn huis. Mijn broer en mijn schoonzus gebruikten de laptop ook. Mijn schoonzus was in die tijd zwanger. Iedereen kan inloggen op mijn e-mailadres en dan een e-mail versturen. Ik heb geen contact meer met mijn broer en mijn schoonzus sinds 2010. Mijn schoonzus was lid van de PvdA. Ik heb niet de websites bezocht van de PvdA of Hamer op 10 februari 2010. Ik had op 10 februari 2010 geen werk, mijn broer had toen wel werk. Ik weet niet meer of ik draadloos of vast internet had. Het zal wel zo zijn zoals in het proces-verbaal van politie staat. Ik heb de laptop niet aangenomen van de rechercheur die aan de deur kwam om hem terug te brengen. Ik moest er niets meer van hebben.”

5.3.

Voor de bewijsvoering en de overwegingen van het Hof verwijs ik naar de weergave daarvan onder punt 4 van deze conclusie.

5.4.

Het Hof heeft in de eerste plaats vastgesteld dat de desbetreffende e-mail is verzonden van de laptop van de verdachte. Die vaststelling berust kennelijk op het feit dat de verdachte in bewijsmiddel 5 als de eigenaar van de laptop wordt aangemerkt, hetgeen niet onbegrijpelijk is omdat het de verdachte was die de laptop aan de verbalisanten overhandigde en de daarbij aanwezige hoofdbewoner kennelijk niet de eigendom van de computer heeft geclaimd. Het Hof heeft in de tweede plaats vastgesteld dat het bedoelde e-mailbericht is verzonden van het e-mailadres van de verdachte. Daaruit kon het Hof afleiden dat het de verdachte is geweest die het e-mailbericht heeft verzonden. 4 De enkele bewering van de verdachte dat anderen via zijn e-mailaccount de e-mail kunnen hebben verstuurd, maakt dat niet anders, in aanmerking genomen dat het Hof heeft geoordeeld dat onaannemelijk is dat dit daadwerkelijk het geval is. Dit oordeel acht ik ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Ik neem daarbij in aanmerking dat het verweer voor het eerst in hoger beroep is gevoerd en dat het verweer door of namens de van rechtsbijstand voorziene verdachte niet nader is onderbouwd. Niet verklaard is hoe het mogelijk zou zijn dat anderen vanaf zijn e-mailadres e-mails konden verzenden (stond zijn mail bijvoorbeeld continu open zodat geen wachtwoord nodig was of heeft hij zijn wachtwoord verstrekt aan anderen?). Evenmin is aangevoerd dat anderen geregeld van zijn e-mailadres gebruik maakten, hetgeen onderbouwd had kunnen worden met een analyse van het e-mailverkeer.

5.5.

Het middel faalt.

6. Beide middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Zie o.m. HR 7 juni 2005, LJN AT3659, NJ 2005/448; HR 4 december 2007, LJN BB7104.

2 HR 25 januari 2011, LJN BO3400, NJ 2011/224 m.nt. N. Keijzer.

3 Noot onder (o.m.) HR 22 maart 2011, LJN BP0096, NJ 2011/228.

4 Het is mij niet direct helder hoe de omstandigheid dat “uit de historische zoekgegevens op de laptop blijkt dat ongeveer tien minuten voor het tijdstip van verzending van de betreffende e-mail er uitgebreid is gezocht naar politieke gegevens, die eveneens gerelateerd kunnen worden aan de betreffende e-mail” bij kan dragen aan het oordeel dat het verdachte is geweest die de desbetreffende e-mail heeft verzonden. Daarover klaagt het middel echter niet.