Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:538

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-06-2013
Datum publicatie
27-08-2013
Zaaknummer
11/00201 Hs
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:492, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening. Geurproef. HR wijst de aanvraag af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/00201 H

Mr. Fokkens

Zitting: 4 juni 2013

Conclusie inzake:

[aanvrager]

1. De Politierechter in de voormalige Rechtbank te Arnhem heeft aanvrager bij onherroepelijk vonnis van 4 februari 2005 wegens ‘1. diefstal door twee of meer verenigde personen’ en ‘2. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige en/of zijn mededader het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel’, gepleegd op 1 december 2003, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede tot een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis. Voorts heeft de Politierechter beslissingen genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en aan aanvrager een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het vonnis bepaald.

2. De herzieningsaanvrage is namens aanvrager ingediend door mr. B.J. Driessen, advocaat te Nijmegen.

3. De aanvrage steunt op de stelling dat het onderzoek van de zaak niet zou hebben geleid tot de veroordeling van aanvrager indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van een in deze zaak uitgevoerde geuridentificatieproef. De desbetreffende geuridentificatieproef is blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal op 15 maart 2003 uitgevoerd door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland.

De Hoge Raad heeft verschillende keren beslist op vergelijkbare herzieningsaanvragen.1De Hoge Raad gaat er daarbij van uit dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost- Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Dit brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat daarom moet worden aangenomen dat het resultaat van die geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest. Als het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van een tenlastegelegd feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat de feitenrechter zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager ter zake zou hebben vrijgesproken.

4. De Politierechter heeft volstaan met een aantekening mondeling vonnis. Het voorgaande brengt mee dat nu geen vonnis voorhanden is waarin de bewijsvoering is opgenomen, het gestelde novum moet worden bezien in het licht van het in het dossier aanwezige, tijdens het voorbereidend onderzoek vergaarde, bewijsmateriaal en aan de hand daarvan moet worden beoordeeld of het novum een ernstig vermoeden oplevert dat de Politierechter, ware hij daarmee bekend geweest, aanvrager zou hebben vrijgesproken.

5. Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan ten aanzien van het bewijs van het onder 1 en 2 tenlastegelegde - zakelijk weergegeven - het volgende worden afgeleid.
a. Op 1 december 2003 tussen 22.10 en 22.30 uur werd bij een diefstal vanuit een woning aan de [a-straat 1] te Nijmegen weggenomen een camera van het merk Sony en een sleutelbos met drie huissleutels en een sleutel van een personenauto merk Opel met kenteken [AA-00-BB]; deze personenauto werd ook weggenomen. De goederen behoren toe aan [betrokkene 1].2
b. Op de binnenzijde van het linker portierraam van de teruggevonden Opel zijn twee dactyloscopische sporen aangetroffen toebehorende aan [medeverdachte].3
c. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij deze diefstal heeft gepleegd. Hij was samen met aanvrager naar Brakkenstein te Nijmegen gegaan tussen 21.00 en 22.00 uur. Ze hadden het idee om samen een fiets te stelen. [medeverdachte] is een achtertuin en de bijbehorende woning ingegaan. Aanvrager bleef in de achtertuin en zei dat hij naar binnen moest gaan. Aanvrager zei dat hij op de uitkijk ging staan. [medeverdachte] heeft in de woning een camera en een sleutelbos weggenomen. De camera gaf hij buiten aan aanvrager. Ze hebben samen staan praten over de camera en de sleutels. [medeverdachte] zag op een van de sleutels aan de sleutelbos het merk Opel staan. Ze zagen een Opel en toen [medeverdachte] op de sleutel drukte zagen zij dat het alarm van de auto uitgeschakeld werd. Zij stapten de auto in, [medeverdachte] achter het stuur en aanvrager rechtsvoor. Aanvrager heeft ook gereden. Ze hebben een half uur tot drie kwartier in de auto gereden, toen stapte aanvrager uit in de Nijenrodestraat. [medeverdachte] is alleen doorgereden en is gaan crossen op het grasveld aan Thorbeckestraat tot de auto kantelde. Aanvrager heeft de volgende dag de camera verkocht voor 200 euro, waarvan [medeverdachte] 100 euro heeft gekregen. 4
c. Er zijn geurmonsters genomen aan de versnellingshandleknop en de zitting rechtsvoor van de Opel voorzien van kenteken [AA-00-BB]. De geurproef had ten aanzien van aanvrager een positief resultaat.5

6. Aanvrager heeft het feit altijd ontkend. Nu de geuridentificatieproef wegvalt als bewijsmiddel resteert ten aanzien van de betrokkenheid van aanvrager de verklaring van [medeverdachte], die heeft verklaard dat hij beide feiten met aanvrager heeft gepleegd. Dat is op zich genomen voldoende voor een bewezenverklaring. Ik verwijs in dit verband naar HR LJN: BQ6144, NJ 2012, 252. De vraag is of het ernstige vermoeden ontstaat dat de rechter als bekend was geweest dat het steunbewijs in de vorm van de geurproefidentificatie onbetrouwbaar is, verdachte zou hebben vrijgesproken.

7. Ik aarzel maar kom alles afwegend tot de slotsom dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. [medeverdachte] heeft eerst bij de politie en later, na verwijzing van de zaak voor het horen van getuigen, tegenover de rechter-commissaris een gedetailleerde verklaring afgelegd, ook over de rol van aanvrager. Er is geen enkel aanknopingspunt te vinden voor de veronderstelling dat [medeverdachte] aanvrager er ten onrechte bij zou hebben willen betrekken. Aanvrager zegt bij de politierechter dat [medeverdachte] hem, toen ze elkaar op straat tegenkwamen, zou hebben gezegd dat hij er niet alleen voor wilde opdraaien. Dat strookt echter in zoverre niet met de verklaring van [medeverdachte] dat deze zichzelf bepaald geen bijrol in het geheel heeft toegeschreven.

8. De politie en later de rechter-commissaris hebben twee getuigen gehoord die kennelijk door aanvrager tegen de politie zijn genoemd. Beide getuigen, [betrokkene 2] en [betrokkene 3] verklaren op 11 maart 2004 bij de politie dat zij op een avond eind november begin december 2003 samen met aanvrager de hond van [betrokkene 2] hebben uitgelaten. [betrokkene 3] herinnert zich dat hij een auto op zijn kop met brandende lichten op het grasveld aan de Thorbeckestraat zag liggen. [betrokkene 2] verklaart dat een Opel diverse keren met hoge snelheid over de Nijenrodestraat reed, dat de auto het grasveld aan de Thorbeckestraat opreed, daar diverse rondjes reed en uiteindelijk kantelde en op zijn zij belandde waar de auto met brandende koplampen bleef liggen. [betrokkene 2] vertelt dat hij zeker weet dat aanvrager die avond bij hem was omdat aanvrager die tijd bij hem thuis sliep. Of [betrokkene 3] er de hele avond ook was of later is gekomen weet hij niet meer. [betrokkene 3] verklaart alleen over het samen uitlaten van de hond en niets over de eventuele aanwezigheid die avond van aanvrager bij [betrokkene 2]. Bij de rechter-commissaris verklaart [betrokkene 3] op 17 augustus 2004 dat hij zich herinnert dat op een avond op het grasveld een combibusje op zijn kop lag. Volgens hem hebben ze die avond bij [betrokkene 2] een film of tv gekeken, maar hij weet het niet meer precies want het is al lang geleden. [betrokkene 2] verklaart dat aanvrager die avond bij hem was, maar dat hij niet meer weet wat ze gedaan hebben. Aanvrager was in die tijd, die voor hem [betrokkene 2] in verband met het overlijden van zijn vader een heel moeilijke tijd was, veel bij hem hoewel ze niet voortdurend samen waren. Verder verwijst [betrokkene 2] naar zijn verklaring bij de politie.

9. Naar mijn mening zijn de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] in veel opzichten, begrijpelijk want zij werden pas maanden na het gebeurde gehoord, zo onduidelijk dat over de gang van zaken die avond voordat zij de hond gingen uitlaten en met name de aanwezigheid van aanvrager die avond bij [betrokkene 2] geen duidelijke conclusies kunnen worden getrokken. Voor zover hun verklaring inhoudt dat zij samen met aanvrager de hond van [betrokkene 2] hebben uitgelaten en dat zij toen zagen hoe iemand met Opelbusje op het grasveld aan de Thorbeckestraat te Nijmegen aan het crossen was en dat de auto omviel, is deze niet in strijd met de verklaring van [medeverdachte]. Volgens [medeverdachte] is aanvrager, nadat zij enige tijd in de gestolen auto hadden gereden, in de Nijenrodestraat uit de auto gestapt. Kennisneming van de kaart van Nijmegen heeft mij geleerd dat de Nijenrodestraat vlakbij het park aan de Thorbeckestraat ligt en dat het dus zeer goed mogelijk is dat aanvrager korte tijd nadat hij was uitgestapt met twee vrienden heeft gezien hoe [medeverdachte] aan het crossen was. Hun verklaringen roepen dan ook geen twijfel op aan de juistheid van de verklaring van [medeverdachte].

10. Dat betekent dat er geen sprake is van een ernstig vermoeden dat de Politierechter, ware hij op de hoogte geweest van de omstandigheid dat ten aanzien van de geurproef ervan moet worden uitgegaan dat deze niet op deugdelijke wijze is uitgevoerd, tot een vrijspraak van het tenlastegelegde zou zijn gekomen (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592, rov. 5.3.2). Ik acht de aanvrage dan ook niet gegrond.

11. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening zal afwijzen

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592; HR 22 april 2008, LJN BC8789, NJ 2008, 591.

2 Zie het proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer PL081A/03-178875.

3 Zie het proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer PL084T/03-178914.

4 Zie het proces-verbaal van verhoor bij de politie, proces-verbaalnummer PL081L/03-178875 en het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris van 25 oktober 2004.

5 Zie het proces-verbaal uitvoeren geuridentificatieproef, proces-verbaalnummer 15.03.04.14.45.[…] en het proces-verbaal veiligstellen sorteermateriaal met proces-verbaalnummer PL0843/03-178914.