Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:531

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-05-2013
Datum publicatie
27-08-2013
Zaaknummer
12/03860
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:486, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

De HR leest de kwalificatie verbeterd zodat aan het middel de feitelijke grondslag komt te vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/03860

Zitting: 21 mei 2013

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch bij arrest van 28 december 2011 wegens “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen” en “openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen” veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

2. Deze zaak hangt samen met de zaak [medeverdachte] (12/03873), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

3. Namens verdachte heeft mr. C.A.D. Oomes, advocaat te Waalre, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel behelst de klacht dat de kwalificatiebeslissing en de strafoplegging onvoldoende met redenen zijn omkleed, nu het Hof ten onrechte het bewezen verklaarde als twee verschillende strafbare feiten heeft gekwalificeerd.

5. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 6 februari 2009 te Eindhoven met anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats en/of op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen:

- personen, te weten politieambtenaren, welk geweld bestond uit het opdringen en (op)duwen en slaan en schoppen naar en in de richting van en/of tegen die politieambtenaren en het gooien met stenen en takken en/of andere voorwerpen in de richting van en/of tegen die politieambtenaren en

- goederen, te weten een of meer politiepaarden, welk geweld bestond uit het met stenen en takken en/of andere voorwerpen gooien naar dat/die politiepaard(en) en het schoppen in de richting van en/of tegen dat/die politiepaard(en).”

6. Het Hof heeft het bewezenverklaarde met toepassing van artikel 57 Sr gekwalificeerd als “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen” en “openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen”.

7. Mijn ambtgenoot Knigge heeft betoogd dat de constructie van artikel 141 Sr als openbare orde-delict impliceert dat de optelsom van de verschillende geweldshandelingen de openbare orde verstorende openlijke geweldpleging vormt. Deze afzonderlijke geweldshandelingen binnen een en dezelfde verstoring van de openbare orde leveren samen slechts één overtreding van artikel 141 Sr op.1 De steller van het middel meent dat er gelet op dit standpunt van Knigge ook in de onderhavige zaak sprake is van één overtreding van artikel 141 Sr.

8. In de literatuur is er nog een andere benadering. Daarbij wordt het verschil gezocht door de vraag te beantwoorden of er sprake is van verschillende fysieke gedragingen.2 Het komt er dan op aan of het geweld tegen personen en dat tegen goederen afzonderlijke gedragingen vormen. Een steen naar een agent gooien en vervolgens met een stok een paard slaan resulteert dan in meerdaadse samenloop. Het wordt lastiger als er een steen wordt gegooid in de richting van agenten en paarden. Dan is er slechts één en dezelfde fysieke gedraging. In beide voorbeelden is het door de strafbepaling beschermde rechtsgoed natuurlijk de openbare orde, maar ook voor wat betreft het rechtsgoed is er een accentverschil. Immers, de steen naar een persoon brengt de fysieke integriteit van de agent in gevaar, terwijl de steen naar het paard onder meer een aantasting van eigendom kan betekenen. Mijn indruk is dat deze benadering in de praktijk bepaald niet ongebruikelijk is3 en deze benadering lijkt mij goed verdedigbaar. Op deze benadering borduur ik daarom verder voort.

9. Door toepassing te geven aan artikel 57 Sr heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat er (in ieder geval voor een deel van het gooien en slaan) onderscheid is te maken tussen de geweldshandelingen tegen de agenten en de geweldshandelingen tegen de paarden. Dat is een feitelijk oordeel en het is niet onbegrijpelijk. Voor nadere toetsing van dat oordeel is in cassatie geen ruimte. Het middel faalt derhalve.

10. Ten overvloede wijs ik er op dat ook de opvatting van Knigge verdachte niet kan baten. Immers, hoewel het niet toepassen van artikel 57 Sr weliswaar tot een lager strafmaximum leidt, hoeft dit niet tot cassatie te leiden, nu het Hof slechts een fractie van deze maximumstraf heeft opgelegd. Toepassing van artikel 57 Sr heeft hier niet mede de hoogte van de opgelegde werkstraf bepaald. Verdachte is aldus niet in zijn belangen geschaad.4 De Hoge Raad zou dus in deze benadering zelf de kwalificatie van het bewezenverklaarde kunnen verbeteren en bepalen dat artikel 57 Sr niet van toepassing is.

11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Conclusie van advocaat-generaal mr. Knigge, i.h.b. paragraaf 10, onder HR 12 oktober 2010, LJN BM2474, NJ 2010/560.

2 W. Wedzinga, Openlijke geweldpleging, Arnhem 1992, p. 190.

3 Vgl. bijvoorbeeld Rb. ‘s-Hertogenbosch 3 december 2008, LJN BG5647 en LJN BG5648; Rb. Utrecht 23 november 2009, LJN BK4204; Rb. Maastricht 21 december 2012, LJN BY7107 en LJN BY7109; Hof ’s-Gravenhage 8 februari 2008, LJN BC3874 en Hof ’s-Gravenhage 6 februari 2012, LJN BV3488.

4 Vgl. HR 11 februari 2003, LJN AF1938, NJ 2003/262, r.o. 4.4.