Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:515

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-05-2013
Datum publicatie
10-09-2013
Zaaknummer
11/00286 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:674, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. 1. ‘Doorvoer’ in de zin van EVOA (oud), art. 2, 23.1 en 26.1 EVOA (oud). 2. Falende bewijsklacht. 3. Kwalificatie en strafoplegging. Ad 1. Ter zake de bewezenverklaarde afvaltransporten moet Nederland als staat van doorvoer in de zin van art. 2 aanhef en onder 2 EVOA (oud) worden aangemerkt. ’s Hofs oordeel dat verdachte o.g.v. art. 26 EVOA (oud) verplicht was tot kennisgeving van deze transporten aan de bevoegde autoriteit in Nederland getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Ad 3. Het Hof heeft het bewezenverklaarde terecht gekwalificeerd als ‘Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60.1 Wet Milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd” en dit aangemerkt als meerdaadse samenloop. Het Hof had echter voor deze feiten één straf moeten opleggen i.p.v. twee. De HR leest de uitspraak verbeterd in die zin dat het Hof verdachte heeft veroordeeld tot de betaling van één geldboete van € 15.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/6279
NJ 2013/454
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/00286 E

Mr. Machielse

Zitting 28 mei 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft verdachte op 5 januari 2011 voor: Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, eerste lid, van de Wet Milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, veroordeeld tot twee geldboetes van € 10.000 en € 5000.

2. Mr. C.L.A. de Sitter, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld. Mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden houdende vijf middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat de zaak tegen verdachte niet is uitgeroepen, zodat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geen aanvang heeft genomen. Het arrest is dus niet gewezen naar aanleiding van een geldig onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

3.2. Artikel 270 Sv houdt in dat de voorzitter het onderzoek begint door het doen uitroepen van de zaak tegen de verdachte. Dit moment is van belang onder meer voor het bepalen van het tijdstip waarna een ingesteld hoger beroep niet meer kan worden ingetrokken.1 Ter terechtzitting in hoger beroep van 22 december 2010 is een gemachtigd advocaat verschenen die in de gelegenheid is gesteld de bezwaren van verdachte tegen het vonnis op te geven en die het woord ter verdediging heeft gevoerd. Klaarblijkelijk is ook de advocaat van verdachte ervan uitgegaan dat het onderzoek ter terechtzitting was aangevangen. Het in de schriftuur genoemde HR 9 januari 1962, NJ 1962, 334 m.nt. WP besliste over de vraag of artikel 266 (oud) Sv ook van toepassing was te achten in hoger beroep in verband met de intrekking van de appeldagvaarding. De Hoge Raad oordeelde toen dat ook in hoger beroep de dagvaarding door het OM tot aan de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting kan worden ingetrokken. Verdachte was gedagvaard om op 19 januari 1961 om 09.45 uur ter terechtzitting te verschijnen. Die dagvaarding is op 19 januari 1961 om 14.50 ingetrokken. In cassatie werd erover geklaagd dat die intrekking te laat is geschied. De Hoge Raad beriep zich op een redelijke procesorde ter motivering van zijn oordeel dat ook in hoger beroep intrekking van de appeldagvaarding mogelijk is uiterlijk tot aan de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Maar er was geen proces-verbaal waaruit bleek van een behandeling van de zaak op de eerste dagvaarding op 19 januari 1961 en met name niet dat de zaak op die dag was uitgeroepen. Daarom moet het ervoor gehouden worden dat op die dag geen behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden en dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat het onderzoek op die dag nog niet was aangevangen. In de onderhavige zaak staat echter uit het proces-verbaal van het onderzoek in hoger beroep wél vast dat dit onderzoek is aangevangen. De Hoge Raad heeft in de zaak uit 1962 niet geoordeeld dat het onderzoek geen aanvang heeft genomen omdát de zaak niet blijkt te zijn uitgeroepen zoals de steller van het middel lijkt te verdedigen in 2.2 van de schriftuur, maar dat er geen proces-verbaal was waaruit van een behandeling van de zaak kon blijken, laat staan van een uitroepen van de zaak.

Welk belang in de onderhavige zaak is geschonden doordat niet in het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting is vermeld dat de voorzitter de zaak heeft doen uitroepen, is mij niet duidelijk en wordt ook in cassatie niet indringend gepresenteerd. Op verzuim van artikel 270 Sv heeft de wetgever geen nietigheid gesteld.2

Dat het hof ten onrechte heeft ingestemd met de intrekking van de appeldagvaarding is niet kunnen blijken, noch dat een verzoek van de verdediging of het OM om nader onderzoek in de zin van artikel 411a Sv te doen verrichten is geweigerd. Er is kortom klaarblijkelijk geen enkel belang van de verdediging gediend met deze klacht zodat deze dient te worden verworpen.

4.1. Het tweede middel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat geen sprake is geweest van "doorvoer" in de zin van de EVOA. Het hof heeft immers wel geoordeeld dat verdachte afvalstoffen "via Nederland" heeft overgebracht "zonder kennisgeving aan de betrokken bevoegde autoriteiten". Aan dit onderdeel van de tenlastelegging heeft het hof een onjuiste betekenis gehecht, waardoor de grondslag van de tenlastelegging is verlaten.

4.2. Aan verdachte is ten laste gelegd dat

“zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 07 maart 2006 tot en met 26 maart 2006 in de gemeente Rotterdam, althans in Nederland, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, (telkens) (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 26, eerste lid van de Verordening (EEG) nr 259/93 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap, immers was zij doende 12 containers inhoudende een hoeveelheid (resten en afvallen van) metaal, in elk geval (telkens) (een) afvalstof(fen) (code GA 430) als bedoeld in Bijlage II van deze verordening, (telkens) over te brengen van het Verenigd Koninkrijk naar Vietnam via Nederland, terwijl die overbrenging (telkens) geschiedde zonder kennisgeving aan en/of (schriftelijke) toestemming van alle/de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening”.

4.3. De pleitnota van hoger beroep houdt over de uitleg van de tenlastelegging het volgende in:

“2. Vrijspraak want geen doorvoer

2 1. In de tenlastelegging is opgenomen de zinsnede "via Nederland" waarmee het Openbaar Ministerie klaarblijkelijk en expliciet het oog heeft gehad op de situatie dat [verdachte] afvalstoffen heeft overgebracht van het land van verzending naar het land van bestemming, via een land van doorvoer. In de EVOA wordt doorvoer omschreven als: "via één of meer Lid-staten worden overgebracht" (art. 23 en 24 EVOA oud). De opname van het zinsdeel 'via Nederland' in de tenlastelegging heeft daarop betrekking, zoals het OM ook expliciet stelde. Overigens heeft uw Hof in vele andere EVOA zaken steeds 'doorvoer' aangenomen op exact dezelfde omschrijving uit de tenlastelegging.

2 2. De tenlastelegging bevat derhalve expliciet het bestanddeel "doorvoer" en dat zonder kennisgeving aan onder meer Nederland, als bevoegde instantie van doorvoer, is overgebracht.

2.3. De rechtbank oordeelt vervolgens terecht dat geen sprake is van doorvoer, aangezien de stoffen slechts een Nederlandse haven hebben aangedaan in transito (dus zonder het land in te komen) en geen sprake is van doorvoer in de zin van de EVOA. Overigens was dit ook het standpunt van de Nederlandse overheid op dat moment, ik verwijs expliciet naar een uitdraai van de website van het Ministerie van VROM (Senter Novem), bijlage.

2.4. [verdachte] heeft daarbij geen doorvoer beoogd, de reder heeft zonder opdracht van [verdachte] op "eigen titel" onderweg een andere haven aangedaan om uitsluitende logistieke redenen. Dit is algemene praktijk in vervoersland, een zaak die niets te maken heeft met de doorvoer in de zin van de EVOA. Volgens de rechtbank is om deze reden dan ook geen sprake van doorvoer.

2.5. De bestanddelen 'via Nederland ' en 'terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan de betrokken bevoegde autoriteiten' zijn door de opsteller van de tenlastelegging bewust gedaan. Duidelijk is waarom, het gaat om een overtreding, beweerdelijk in Nederland begaan, onder meer jegens het Nederlandse bevoegde gezag. Het is niet mogelijk om deze bestanddelen uit de tenlastelegging te verwijderen zonder daarbij de grondslag van de tenlastelegging te verlaten.

2.6. Als gevolg van het feit dat niet bewezen is dat doorvoer heeft plaatsgevonden, kan slechts worden geconcludeerd tot vrijspraak.”

4.4. Het hof heeft het verweer over de uitleg van de tenlastelegging in zijn arrest verworpen:

“Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft betoogd dat het in de tenlastelegging opgenomen bestanddeel 'via Nederland' niet bewezen kan worden, omdat de met die woorden bedoelde 'doorvoer' niet heeft plaatsgevonden, zodat vrijspraak moet volgen.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

De hier van toepassing zijnde Verordening (EEG) nr. 259/93 (EVOA) ziet op overbrenging van afvalstoffen 'binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap'. Het hof volgt de raadsvrouw dat 'doorvoer' hier niet aan de orde is. De eindbestemming van de uit de lidstaat Verenigd Koninkrijk afkomstige containers met afvalstoffen is immers niet een via de lidstaat Nederland te bereiken andere lidstaat. Er is dus geen overbrenging binnen de Europese Gemeenschap. Vast staat evenwel dat de onderhavige afvalstoffen de Europese Gemeenschap niet vanuit het Verenigd Koninkrijk hebben verlaten met eindbestemming Vietnam, maar dat blijkens de aangifte ten uitvoer namens de verdachte bij de douane te Rotterdam overbrenging uit de Gemeenschap met genoemde eindbestemming via (uit) de lidstaat Nederland geschiedde. Derhalve is hier aan de orde niet het overbrengen binnen, maar het overbrengen uit de Gemeenschap. Ook daarop ziet, zoals gezegd, de EVOA.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.”

4.5. Artikel 2 onder n van de Verordening 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (EVOA)3 verstaat onder "Staat van doorvoer": elke Staat, niet zijnde de Staat van verzending noch die van bestemming, waardoor een overbrenging van afvalstoffen is voorgenomen of plaatsvindt. Uit artikel 6 van deze Verordening volgt dat doorvoer een verschijningsvorm is van grensoverschrijdende overbrenging. Volgens artikel 3 van Verordening 259/93 kan doorvoer van afvalstoffen plaatsvinden tussen Lid-Staten. Maar doorvoer kan ook plaatsvinden via derde landen, niet zijnde Lid-Staten. Dat is in Titel II, Hoofdstuk C, over overbrenging van voor verwijdering en nuttige toepassing bestemde afvalstoffen tussen Lid-Staten met doorvoer via derde Staten geregeld.

Titel VI van de Verordening heeft betrekking op "Doorvoer van afvalstoffen over het grondgebied van de Gemeenschap voor verwijdering of nuttige toepassing buiten de Gemeenschap".4Hoofdstuk A van deze Titel kent de aanduiding “Voor verwijdering en nuttige toepassing bestemde afvalstoffen”. Het eerste artikel van dit Hoofdstuk is artikel 23, waarvan het eerste lid aldus luidt:

“Wanneer voor verwijdering bestemde afvalstoffen en, behoudens in de in artikel 24 geregelde gevallen, voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen via een of meer Lid-Staten worden overgebracht, wordt de kennisgeving verricht door middel van het begeleidende document, dat wordt toegezonden aan de laatste bevoegde autoriteit van doorvoer in de Gemeenschap, met afschrift aan de ontvanger, alsook aan de andere betrokken bevoegde autoriteiten en aan de douanekantoren van binnenkomst in en van uitgang uit de Gemeenschap.”

Kennisgever is volgens artikel 2, aanhef en onder g, van de Verordening, kort gezegd, de producent, inzamelaar, handelaar, bezitter of houder van de afvalstoffen. Dezen zijn verplicht tot het doen van de nodige kennisgevingen.5Hoofdstuk B van deze Titel VI regelt de doorvoer van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen van en naar een land waarop het OESO-besluit van toepassing is.

Ik zie geen reden om te veronderstellen dat doorvoer in de Verordening een beperkte betekenis zou toekomen in de zin van “aan de ene kant erin, aan de andere kant eruit”. Zo een beperkte betekenis zou erop neerkomen dat de Staat waar afval vanuit de Staat van verzending wordt ingevoerd en vervolgens weer langs dezelfde weg wordt uitgevoerd uit dat land en uit de Gemeenschap geen land van doorvoer is en dat de bevoegde autoriteiten van deze Staat niet op de hoogte behoeven te worden gesteld van de bewegingen van het afval over het eigen grondgebied. Deze autoriteiten zouden ook geen voorwaarden kunnen stellen aan dergelijk vervoer in bijvoorbeeld de nationale wateren of daartegen bezwaar kunnen maken. Denk aan het geval waarin afvalstoffen de haven van Rotterdam binnenkomen, vandaar naar Amsterdam worden vervoerd in hetzelfde schip, waarna zij weer teruggebracht worden naar Rotterdam om daarvandaan het land en de Gemeenschap weer te verlaten. Van toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap opdat de autoriteiten maatregelen kunnen nemen in het belang van de bescherming van de menselijke gezondheid en van het milieu, zou dan op een deel van het traject dat het afval moet afleggen geen sprake kunnen zijn. Nederland zou in zo een geval immers niet alleen niet de Staat van verzending maar evenmin de Staat van bestemming zijn die op de hoogte moet worden gesteld van de beweging van de afvalstoffen, omdat in zo een geval naar Nederland geen overbrenging van afvalstoffen voorgenomen is of plaatsvindt voor verwijdering of nuttige toepassing, of voor verlading in een schip om op zee te worden verwijderd.6

Een ruime en simpele uitleg staat ook niet op gespannen voet met andere internationale instrumenten. Ik noem de beslissing (2001)107 van 22 mei 2001 van de OESO-Raad, waarin hoofdstuk II onder A als omschrijving van "country of transit" geeft: "a Member country other than the country of export or import through which a transboundary movement of wastes is planned or takes place".

4.6. De Verordening 259/93 is de vervanger van Richtlijn 84/631/EEG van 6 december 1984 betreffende toezicht en controle in de Gemeenschap op de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen. De noodzaak van vervanging komt voort uit de ondertekening door de Europese Gemeenschap van het Verdrag van Bazel, uit de ACS/EEG/Overeenkomst van 15 december 1989 en uit de goedkeuring door de Gemeenschap van het besluit van de OESO-Raad van 30 maart 1992. In de considerans van Richtlijn 84/631/EEG is geschreven dat het wenselijk is dat ook de Lid-Staat van doorvoer volgens bepaalde criteria voorwaarden kan stellen aan het vervoer van afvalstoffen over zijn grondgebied. Tevens wordt daarin overwogen dat, als afvalstoffen buiten de gemeenschap worden gebracht, ook een kennisgeving moet worden gezonden aan het land van bestemming buiten de Gemeenschap en, in voorkomend geval, aan het land van doorvoer buiten de Gemeenschap. De considerans noch de tekst van de Richtlijn 84/631/EEG geeft enig houvast voor een uitleg dat onder doorvoer iets anders moet worden verstaan dan het vervoer van afvalstoffen komende uit de ene Staat via een andere Staat naar een derde Staat.

Verordening (EG) nr. 1013/2006 van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen is weer de vervanger van Verordening (EEG) nr. 259/93. Vervanging was omwille van de duidelijkheid noodzakelijk. Verordening 1013/2006 is volgens artikel 1 van toepassing op de overbrenging van afvalstoffen tussen lidstaten, binnen de Gemeenschap of met de doorvoer via derde landen, tussen derde landen met doorvoer via de Gemeenschap et cetera. Artikel 2 geeft onder 24 als definitie van "land van doorvoer": het land waar een overbrenging van afvalstoffen doorheen gaat of gepland is doorheen te gaan, uitgezonderd het land van verzending of het land van bestemming. Deze omschrijving is geheel in lijn met de omschrijving in de eerdere instrumenten van de Gemeenschap. Onder 32 is "doorvoer" omschreven als: "een overbrenging van afvalstoffen of geplande overbrenging van afvalstoffen doorheen een of meerdere andere landen dan het land van verzending of van bestemming."

4.7. Een schip dat met afval vertrekt van een land van uitvoer naar een land van invoer en tussendoor de haven in een derde land aandoet, doet naar mijn mening dan aan grensoverschrijdend vervoer van afval. Omdat het derde land niet het land van invoer of van uitvoer is, is het een land van doorvoer.7 Ingevolge artikel 26 van Verordening 93/259 wordt als sluikhandel beschouwd elke overbrenging van afvalstoffen zonder kennisgeving aan of toestemming van de bevoegde autoriteiten. En dat heeft hier plaatsgevonden omdat Nederland het laatste land van doorvoer binnen de Gemeenschap was waaraan dus kennisgeving had moeten geschieden. Mijns inziens heeft het hof een onjuiste uitleg gegeven aan het begrip doorvoer in de Verordening, maar dat kan verdachte niet baten, omdat ook in de visie van het hof verdachte een door het EVOA verlangde mededeling heeft verzuimd te doen. Het middel faalt.

Voor de volledigheid wijs ik er nog op dat de Rechtbank Rotterdam op 18 mei 2012 prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie die betrekking hebben op deze materie.8

5.1. Het derde middel klaagt over het bewijs. Uit de gebezigde bewijsmiddelen zou niet kunnen worden afgeleid dat verdachte in de bewezenverklaarde periode doende was 9 containers over te brengen.

5.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat

“zij op tijdstippen in de periode van 07 maart 2006 tot en met 26 maart 2006 in de gemeente Rotterdam, opzettelijk, telkens een handeling heeft verricht als bedoeld in artikel 26, eerste lid van de Verordening (EEG) nr 259/93 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap, immers was zij doende 9 containers inhoudende een hoeveelheid (resten en afvallen van) metaal, code GA430 als bedoeld in bijlage II van deze verordening, over te brengen van het Verenigd Koninkrijk naar Vietnam via Nederland, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening.”

5.3. Voor het bewijs heeft het hof onder meer een proces-verbaal d.d. 8 februari 2007 van de Belastingdienst/Douanekantoor Rotterdam Douanekantoor Rotterdam Maasvlakte, nr. 2006-0262-00593/01, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (bewijsmiddel 2) gebezigd, dat onder meer het volgende inhoudt:

“Op maandag 27 maart 2006 controleerde ik, verbalisant [verbalisant 2], belast met de controle van douanedocumenten van over zee uitgaande zendingen, de elektronische aangifte van het motorschip “[A]". Ik zag in de aangifte dat vijf containers beladen zouden zijn met metalscrap. Hierop heb ik twee containers met de merken [008] en [009] fysiek laten controleren.

Deze containers bleken na fysieke controle geladen te zijn met resten en afvallen van metaal. Voorts zag ik dat de goederen bestemd waren voor Vietnam.”

Voorts vermeldt dit proces-verbaal dat verbalisant contact heeft opgenomen met de centrale meldkamer van het Ministerie van VROM en dat van die zijde aan verbalisant werd medegedeeld dat er geen melding was gedaan voor de overbrenging van deze afvalstoffen.

5.4. Het enkele feit dat een feit op een bepaalde datum wordt ontdekt bij een ingestelde controle staat er niet aan in de weg dat het feit (ook) eerder begaan kan zijn. Het hof heeft in de straftoemetingsoverweging overwogen dat verdachte op 26 maart 2006 doende was afval over te brengen van het Verenigd Koninkrijk via Nederland naar Vietnam zonder kennisgeving aan de autoriteiten. Klaarblijkelijk heeft het hof aangenomen dat verdachte al doende was de 2 containers over te brengen voordat de controle plaatsvond. In aanmerking genomen dat de Rechtbank aan een wettig bewijsmiddel had ontleend dat het motorschip “[A]" op 26 maart 2006 te Rotterdam afmeerde heeft het hof kunnen aannemen dat het vervoer naar Rotterdam al gaande was vóór 27 maart 2006. Onder “overbrenging van afvalstoffen” in artikel 26, eerste lid, EVOA is – dit ten overvloede – ook begrepen gepland vervoer van afvalstoffen.9 Daarvan was op 26 maart 2006 zeker al of nog sprake.

Het middel faalt.

6.1. Het vierde middel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat er sprake is van een verandering van wetgeving. Weliswaar heeft Vietnam niet gereageerd op de uitnodiging van de EG om onder vigeur van Verordening 259/93 te laten weten hoe zijn standpunt luidde voor de overbrenging van afvalstoffen van Bijlage II, maar onder de nieuwe EVOA (Verordening (EG) nr. 1013/2006) heeft Vietnam wél teruggemeld dat voor metaalafval geen kennisgevingsprocedure wordt verlangd. Dat zou een verandering van wetgeving zijn die moet leiden tot een ontslag van rechtsvervolging.

6.2. Het hof heeft dit verweer aldus verworpen:

“De raadsvrouw heeft betoogd dat door wijziging van de EVOA thans voor de overbrenging van de onderhavige afvalstoffen geen kennisgeving meer is vereist, en dat bij toepassing van artikel 1, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht de verdachte dientengevolge dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof verwerpt dit verweer.

Niet is aannemelijk geworden dat de onderhavige wijziging in controlemethodiek blijk geeft van een gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid van het bewezen feit. Doel van de EVOA is de bevoegde autoriteiten op de hoogte te stellen van de voorgenomen overbrenging van afvalstoffen, de controle op die overbrenging te ondersteunen, en de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid te geven bezwaren tegen de overbrenging te maken als blijkt dat in strijd met de wet wordt gehandeld. Welnu, weliswaar stelt Verordening 1013/2006/EG (nieuwe EVOA), die in de plaats is getreden van Verordening (EEG) nr. 259/93, voor de overbrenging van de onderhavige afvalstoffen uit de Europese Unie (EU) met eindbestemming Vietnam niet meer de eis van kennisgeving, maar in plaats daarvan wordt verwezen naar de nationale wetgeving van Vietnam (art. 43 van de Milieubeschermingswet 2005, uitgewerkt in een ministeriële beschikking) die – blijkens het door de regering van Vietnam gegeven antwoord op de vraag van de Europese Commissie d.d. 31 maart 2007 – een aantal eisen voor invoer stelt. Als aan die eisen is voldaan, is invoer van rechtswege – zonder toestemming (vergunning) – toegestaan. Willen de controlerende autoriteiten van de lidstaten van de EU de nieuwe EVOA kunnen handhaven, dan zal door degene die het voornemen heeflt om afvalstoffen uit de EU naar Vietnam over te brengen, moeten worden aangetoond dat aan de bedoelde eisen van de Vietnamese wet is voldaan.

Evenals bij de kennisgevingsprocedure zal dan Vietnam de conformiteit van de afvalstoffen met de nationale wet moeten bevestigen, bijvoorbeeld door middel van een keuringscertificaat of ander document.

Mitsdien is de regeling in de nieuwe EVOA niet gunstiger voor de verdachte.”

6.3. Als ik mij niet vergis, komt de stelling van het middel erop neer dat thans geen mededelingsplicht meer geldt en dat er daarom een verandering van wetgeving is. Wat het hof heeft overwogen over de huidige eisen die gesteld worden aan overbrenging van metaalafval naar Vietnam vindt volgens het middel geen steun omdat Vietnam heeft laten weten dat voor zo een overbrenging een automatisch verlof wordt verleend.

6.4. Naar mijn mening is er geen verandering van wetgeving. De situatie is gewijzigd omdat Vietnam onder de 'oude' EVOA niet had teruggemeld, zodat de gewone procedures met afvaltransporten naar Vietnam moesten worden gevolgd en dat onder de nieuwe EVOA Vietnam wél heeft laten weten akkoord te gaan met een vereenvoudigde procedure. Dat komt in wezen neer op een wijziging in de eisen die een vreemde staat stelt aan de invoer van afvalstoffen, hetgeen niet is gelijk te stellen aan een wijziging van wetgeving van de hier bevoegde wetgever, hier de EG. Overigens heeft te gelden dat de verandering van regelgeving ten aanzien van het overbrengen van metaalafval zonder kennisgeving niet voortvloeit uit een verandering van inzicht bij de regelgever omtrent de strafwaardigheid van het vóór die wijziging begane strafbare feit.10

Het middel faalt, wat er ook zij van de door het hof aan de verwerping van het verweer ten grondslag gelegde motivering.

7.1. Het vijfde middel klaagt over de strafoplegging. Ten onrechte heeft het hof aangenomen dat het gaat om meerdaadse samenloop van de overbrenging van meerdere containers. Voorts heeft het hof ten onrechte twee geldboetes opgelegd.

7.2. Voor zover het middel erover klaagt dat het hof ten onrechte straf heeft opgelegd voor een feit dat op 27 maart 2006 zou hebben plaatsgevonden, verwijs ik naar mijn bespreking van het derde middel.

Overtreding van het in het eerste lid van artikel 10.60 Wet milieubeheer voorgeschrevene is ingevolge artikel 1a lid 1 jo artikel 2 WED een misdrijf als zij opzettelijk is begaan. Het hof heeft veroordeeld voor de opzettelijke overtreding van artikel 10.60 Wet milieubeheer, meermalen gepleegd.

7.3. Ten tijde van het bewezenverklaarde luidde artikel 10.60 Wet milieubeheer aldus:

“Het is verboden handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen.”

7.4. Nu het hof heeft vastgesteld dat verdachte op twee onderscheiden data handelingen heeft verricht in strijd met artikel 26 lid 1 van Verordening 259/93 heeft het hof terecht het bewezenverklaarde als meerdaadse samenloop aangemerkt. Maar het hof had voor die feiten slechts één straf moeten opleggen. De Hoge Raad kan bewerkstelligen wat het hof heeft verzuimd.

8. De voorgestelde middelen falen of zijn vruchteloos voorgesteld, waarbij ik ten aanzien van het vijfde middel voorstel dat de Hoge Raad de strafoplegging opnieuw definieert. Ambtshalve wijs ik erop dat het cassatieberoep op 10 januari 2011 is ingesteld en dat sindsdien tot op heden al meer dan twee jaren zijn verstreken. Aldus is de redelijke termijn in de cassatiefase geschonden. De Hoge Raad zal de straf dienen te verlagen.

9. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de opgelegde straf opnieuw bepaalt, rekening houdende met de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase, maar het beroep voor het overige verwerpt.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 3 april 2012, LJN BV7406.

2 Zie ook Melai, aantekening 4 bij artikel 270 Sv.

3 Oorspronkelijk PB L 30 van 6.2.1993, blz. 1.

4 Het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan, gesloten te Bazel op 22 maart 1998, Trb. 1990, 12 omschrijft in artikel 2 onder 12 als "Staat van doorvoer": iedere Staat, niet zijnde de Staat van uit- of invoer, door het grondgebied waarvan een overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen of andere afvalstoffen wordt voorgenomen of plaatsvindt.

5 Zie voor de systematiek der kennisgevingen mr. A.M.E. Veldkamp, Overbrengen van afvalstoffen, Deventer 1998, p. 75 e.v. In haar boek geeft deze schrijfster geen uitleg over de inhoud van het begrip "doorvoer". Wel wijst zij op het gebrek aan wetgevingskwaliteit in het Europese recht, mede door onduidelijkheid in begrippen en definities (p. 361).

6 Zoals art. 2, lid 1 aanhef en onder m van Verordening 259/93 de Staat van bestemming omschrijft.

7 In HR 10 januari 2012, LJN BP7858 boog de HR zich ook over een veroordeling voor sluikhandel in de zin van EEG-Verordening 259/93, omdat door Nederland afvalstoffen werden doorgevoerd zonder kennisgeving. In cassatie klaagde het vijfde middel dat er geen sprake is geweest van doorvoer. Het hof had het verweer van die strekking verworpen omdat het in het dossier een kopie had aangetroffen van een formulier waarin aan de douane te Rotterdam opgave is gedaan van de inhoud van de vier containers als voor doorvoer bestemde goederen met overlading en lossing te Rotterdam. Mijn ambtgenoot mr. Vegter wees naar deze overwegingen van het hof ter onderbouwing van zijn oordeel dat er geen sprake is geweest van een situatie waarin geen op- en/of overslag plaats zou vinden en waarin de afvalstoffen niet aan wal zouden worden gebracht. Acht slaande op de ruime inhoud van het begrip "doorvoer" in de relevante internationale regelgeving achtte mijn ambtgenoot de verwerping van het verweer door het hof niet onbegrijpelijk. De HR verwierp dit cassatiemiddel op de voet van artikel 81 RO. In die zaak waren de argumenten om doorvoer aan te nemen dus wel veel sterker dan in de onderhavige.

8 In de strafzaak tegen EBS Le relais Nord-Pas-De-Calais (Zaak C-240/12, Pb C van 11 augustus 2012) heeft de Rechtbank Rotterdam de volgende vragen geformuleerd: “1) Is in het geval van overbrenging per zeeschip van afvalstoffen van een EU-lidstaat (in casu Frankrijk) naar een staat waarop het OESO-Besluit niet van toepassing is (in casu de Verenigde Arabische Emiraten) sprake van "doorvoer" in de zin van de oude [1] en nieuwe [2] EVOA, indien onderweg de haven van een andere EU-lidstaat (in casu die van Rotterdam) wordt aangedaan? 2) Maakt het voor het antwoord op vraag 1 verschil of: - er in die haven op- en/of overslag van die afvalstoffen plaatsvindt en/of - die afvalstoffen aan de wal worden gebracht en/of - die afvalstoffen ter invoer worden aangegeven bij de douane?”

9 HR 12 oktober 2010, LJN BM4106.

10 HR 10 januari 2012, LJN BP7858.