Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:45

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-06-2013
Datum publicatie
06-09-2013
Zaaknummer
13/01466
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:626, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO, niet-ontvankelijkheid. Verzoek tot vaststelling Nederlandse nationaliteit, art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/423
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaak 13/01466

Mr. P. Vlas

Zitting, 28 juni 2013

Conclusie inzake art. 80a RO:

[verzoekster],

verzoekster tot cassatie,

tegen

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst)

1. Bij beschikking van 20 december 2012 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het verzoek van verzoekster tot vaststelling van de Nederlandse nationaliteit op de voet van art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) afgewezen. Tegen deze beschikking heeft verzoekster tijdig beroep in cassatie ingesteld.

2. De rechtbank heeft overwogen dat verzoekster bij haar geboorte op [geboortedatum] 1950 op grond van art. 1 aanhef en onder a van de (toenmalige) Wet op het Nederlanderschap en het Ingezetenschap de Nederlandse nationaliteit verkreeg en dat zij die nationaliteit op 25 november 1975 op grond van art. 3 van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (Trb. 1975, 132; hierna: TOS) heeft behouden. Van 7 januari 1982 tot 22 augustus 2012 had verzoekster haar woonplaats in Suriname. De rechtbank heeft geoordeeld dat verzoekster op grond van art. 5 lid 2 TOS op 7 januari 1984 van rechtswege de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen (rov. 4.2).

3. De tegen rov. 4.2. van de bestreden beschikking aangevoerde klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Daartoe geldt het volgende. De klacht onder 3.2 miskent dat het vervallen van art. 5 lid 2 TOS slechts terugwerkende kracht heeft tot 1 januari 19861, zodat deze bepaling op de onderhavige zaak van toepassing is, nu de verzoekster op 7 januari 1984 twee jaar in Suriname woonplaats had en derhalve de in art. 5 lid 2 TOS genoemde tweejaarstermijn reeds vóór 1 januari 1986 was verstreken. De klacht mist feitelijke grondslag, voor zover wordt betoogd dat verzoekster op 7 januari 1982 geen woonplaats in Suriname had. In het verzoekschrift aan de rechtbank heeft verzoekster gesteld dat zij ‘eerst na 1980, (…), haar werkelijk verblijf naar Suriname’ heeft verplaatst. Verzoekster heeft in feitelijke instantie niet meer aangevoerd over een exacte datum waarop haar verblijf in Suriname is aangevangen, zodat de rechtbank op grond van de haar ter beschikking staande gegevens heeft kunnen oordelen dat verzoekster van 7 januari 1982 tot 22 augustus 2012 haar woonplaats in Suriname had (rov. 4.1). De tweejaarstermijn van art. 5 lid 2 TOS vangt aan op het moment van feitelijke vestiging in Suriname en niet eerst op het moment waarop verzoekster heeft besloten zich voor langere tijd in Suriname te vestigen, zie HR 19 december 2003, LJN: AL8544, NJ 2009/338. Hierop stuiten de klachten onder 3.3 en 3.4 af.

4. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie art. 1 lid 2 van het Protocol tot wijziging van de TOS, gesloten op 14 november 1994, Trb. 1994, 280.