Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:44

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-06-2013
Datum publicatie
27-09-2013
Zaaknummer
12/05543
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:785, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Verzoek om vervangende toestemming tot erkenning van kind, art. 1:204 lid 3 BW. Samenhang met 12/05541.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/455
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaak 12/05543

Mr. P. Vlas

Zitting, 28 juni 2013

Conclusie inzake:

1. [de vrouw]

(hierna: de vrouw)

2. [de moeder]

(hierna: de moeder),

verzoeksters tot cassatie

tegen

[de man]

(hierna: de man),

verweerder in cassatie

1. In deze zaak heeft de rechter aan de man vervangende toestemming tot erkenning van het uit de moeder geboren kind verleend. Gelijktijdig met deze zaak is door de vrouw en de moeder cassatieberoep ingesteld in een parallelle zaak (bij de Hoge Raad aanhangig onder nr. 12/05541), waarin het gaat om de afwijzing van het adoptieverzoek van de vrouw van het uit de moeder geboren kind. De vrouw en de moeder hebben de Hoge Raad verzocht om gezamenlijke behandeling van de zaken wegens hun nauwe samenhang. In beide zaken wordt heden gelijktijdig geconcludeerd. Naar mijn mening lenen beide zaken zich voor toepassing van art. 81 lid 1 RO, zodat met een verkorte conclusie wordt volstaan.

2. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1 [het kind] (hierna: het kind) is geboren uit de moeder op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats]. De man is de biologische vader van het kind. De vrouw woont niet samen met de moeder en het kind op één adres. Bij beschikking van 18 oktober 2010 heeft de rechtbank Rotterdam de vrouw en de moeder belast met het gezamenlijk ouderlijk gezag over het kind. De man heeft tegen deze beschikking geen hoger beroep ingesteld. De man heeft op 24 augustus 2010 bij de rechtbank te Rotterdam een verzoekschrift ingediend ter verkrijging van vervangende toestemming tot erkenning van het kind (art. 1:204 lid 3 BW). Bij verzoekschrift van 14 december 2010 hebben de vrouw en de moeder bij dezelfde rechtbank om adoptie verzocht (art. 1:227 BW). In de erkenningszaak heeft de rechtbank bij beschikking van 16 maart 2011 de man vervangende toestemming tot erkenning van het kind verleend. Bij beschikking van dezelfde datum heeft de rechtbank in de adoptiezaak het verzoek van de vrouw en de moeder afgewezen.

3. In de adoptiezaak heeft het hof ’s-Gravenhage bij beschikking van 5 september 2012 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. In de erkenningszaak heeft het hof bij beschikking van 5 september 2012 (hierna ook aan te duiden als de erkenningsbeschikking) aan de man vervangende toestemming gegeven tot erkenning van het kind op de voet van art. 1:204 lid 3 BW. Tegen beide beschikkingen hebben de vrouw en de moeder tijdig cassatieberoep ingesteld.

4. In de onderhavige zaak bevat het middel twee klachten. Onderdeel I van het middel kan in al zijn onderdelen worden verworpen, nu die voortbouwen op tevergeefs voorgestelde klachten in de parallelle adoptiezaak.2

5. 5. Onderdeel II richt zich tegen rov. 5, eerste volzin, en rov. 6, en de daarop voortbouwende rov. 7 van de bestreden erkenningsbeschikking, waarin het hof tot uitgangspunt neemt dat nu vaststaat dat de man de verwekker van het kind is, hem in beginsel de mogelijkheid van erkenning niet kan worden onthouden, en dat op de moeder de plicht rust de feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan worden afgeleid dat met de erkenning haar belangen bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind geschaad zullen worden. Het onderdeel (onder II.1 en II.1.1) betoogt dat het hof bij de beoordeling van genoemde belangen een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven ter zake van de verdeling van de stelplicht en de bewijslast. Volgens het middel is deze belangenafweging onbegrijpelijk, althans is het hof voorbijgegaan gegaan aan essentiële stellingen (onder II.2, II.2.1 en II.2.2). Onderdeel II.3 betreft een veegklacht.

6. Middel II is, in al zijn onderdelen, tevergeefs voorgesteld. De rechter heeft als uitgangspunt te nemen dat de man van wie vaststaat dat hij de biologische vader is, in beginsel de mogelijkheid van erkenning niet kan worden onthouden.3 Voor weigering van het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning is plaats, indien erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind zou schaden (art. 1:204 lid 3 BW). Weliswaar zal ieder zijn/haar belang moeten stellen en aannemelijk maken, maar de vrouw en de moeder hadden meer naar voren moeten brengen dan slechts emotionele weerstand.4 Van de man kan immers moeilijk worden verwacht dat hij bewijst dat er géén reële bezwaren bij erkenning bestaan. Voor het overige is het oordeel van het hof ook niet onbegrijpelijk. Uit de parallelle adoptiezaak blijkt genoegzaam dat de man bij de verzorging en opvoeding van het kind betrokken is en wil blijven, en reeds om die reden tussen hem en het kind ‘family life’ bestaat.5 Dat het hof niet is meegegaan in de stellingen van de vrouw en de moeder, betekent niet dat aan essentiële stellingen voorbij is gegaan.

7. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 16 maart 2011 (Rekestnr. rechtbank: F2 RK 10-2209).

2 Zie mijn conclusie van heden in de parallelle zaak (12/05541) ten aanzien van de onderdelen I en II van het middel.

3 Groene Serie, Personen- en Familierecht, art. 204 Boek 1, aant. 7 (P. Vlaardingerbroek); Asser/De Boer 1* 2010/730.

4 A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar 2011 (T&C Burgerlijk Wetboek), art. 204 Boek 1, aant. 7; HR 13 april 2001, LJN: AB1068, NJ 2001/464.

5 Zie nr. 7 van mijn conclusie in de parallelle adoptiezaak (12/05541).