Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:40

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-06-2013
Datum publicatie
11-10-2013
Zaaknummer
12/05443
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:910, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid. Rechtbank stelt cassatieberoep tegen tussenvonnis open. Geen sprongcassatie overeengekomen. Cassatieberoep ontvankelijk?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2014/5 met annotatie van mr. A.E.H. van der Voort Maarschalk
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 12/05443

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 21 juni 2013 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

1. B&S Holland Trading Group B.V.

2. B&S International B.V.

tegen

1. Newconomy Ventures B.V.

2. [verweerder 2]

Deze zaak betreft de ontvankelijkheid van een tussentijds cassatieberoep tegen de rolbeslissing van de rechtbank waarin het verzoek om pleidooi in het incident is afgewezen.

Gelet op de in cassatie voorliggende vraag vermeld ik slechts het procesverloop.

1. Procesverloop 1

1.1 Verweerders in cassatie, hierna: Newconomy c.s., hebben bij inleidende dagvaarding van 14 oktober 2011 eiseressen tot cassatie, hierna: B&S c.s., gedagvaard voor de rechtbank Groningen. Zij hebben daarbij – verkort weergegeven – gevorderd dat:

(i) B&S c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan Newconomy c.s., althans aan verweerster in cassatie onder 1, Newconomy Ventures, van een bedrag van € 2.004.127,- vermeerderd met rente;

(ii) eiseres tot cassatie onder 2, B&S International, wordt veroordeeld tot betaling aan Newconomy c.s., althans Newconomy van een bedrag van € 1.973.196,50 vermeerderd met rente;

(iii) B&S c.s. hoofdelijk, althans eiseres tot cassatie onder 2, B&S International, worden veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording over het binnen PPN tot en met juni 2002 gevoerde beleid, althans tot het op de voet van art. 843a Rv. in verbinding met art. 6:162 BW verstrekken van een specificatie met betrekking tot de rekening-courantverhouding tussen PPN en verweerder in cassatie onder 2, [verweerder 2], op straffe van een dwangsom.

1.2 De rechtbank heeft bij vonnis van 4 april 2012 in het door B&S c.s. ingestelde incident tot oproeping in vrijwaring het door B&S c.s. verzochte pleidooi afgewezen en de zaak naar de rol van 25 april 2012 verwezen voor vonnis in het incident2.

1.3 Vervolgens hebben B&S c.s. op 18 juli 2012 bij conclusie van antwoord in conventie onder meer een incidentele vordering op de voet van art 843a Rv. ingesteld.

Newconomy c.s. hebben bij conclusie van antwoord in het incident tot afwijzing van deze vordering geconcludeerd.

1.4 B&S c.s. hebben op 15 augustus 2012 pleidooi in het incident verzocht.

Newconomy c.s. hebben bij diverse faxberichten van 14 en 15 augustus 2012 bezwaar gemaakt tegen het gevraagde pleidooi en voor haar argumentatie verwezen naar haar eerdere faxberichten van 30 maart 2012 en 3 april 2012, het vonnis van deze rechtbank van 4 april 2012, alsmede het feit dat B&S c.s. hun pleidooiverzoek niet hebben gemotiveerd.

B&S c.s. hebben hierop bij diverse faxberichten van 15 augustus 2012 gereageerd.

1.5 De rolrechter heeft partijen op 15 augustus 2012 zijn beslissing om geen pleidooi toe te staan mondeling laten mededelen.

1.6 Nadat B&S c.s. bij faxbericht van 17 augustus 2012 hierop hadden gereageerd, heeft de rechtbank het pleidooiverzoek bij vonnis van 29 augustus 2012 afgewezen. De rechtbank heeft in de rechtsoverwegingen 2.5 en 2.6 als volgt geoordeeld:

“2.5. Op grond van het voorgaande zal het verzoek tot pleidooi worden afgewezen.

Omdat het hier een beslissing betreft waarin het verzoek om pleidooi toe te staan wordt afgewezen is deze gegeven in de vorm van een vonnis.

2.6. Tegen dit tussenvonnis staat cassatieberoep open. Cassatie is een rechtsmiddel dat op grond van artikel 404 Rv schorsende werking heeft.”

1.7 B&S c.s. hebben de rechtbank bij faxbericht van 3 september 2012 verzocht het vonnis op de voet van art. 31 Rv. te herstellen in die zin dat tussentijds hoger beroep wordt opengesteld. Newconomy c.s. hebben bij faxbericht van 4 september 2012 aangevoerd dat geen sprake is van een misslag of vergissing.

1.8 De rechtbank heeft partijen bij brief van 13 september 2012 van de griffier medegedeeld dat het tussenvonnis van 29 augustus 2012 geen kennelijke misslag bevat en dat daarom geen herstelvonnis zal worden uitgebracht.

1.9 B&C c.s. hebben tegen het vonnis tijdig3 beroep in cassatie ingesteld.

Tegen Newconomy is verstek verleend.

B&S c.s. hebben de zaak schriftelijk toegelicht.

2. Ontvankelijkheid

2.1 Het cassatiemiddel, dat twee onderdelen bevat, richt zich tegen de rechtsoverwegingen 2.1 t/m 2.5 en het dictum van het vonnis van de rechtbank.

B&S c.s. hebben in hun schriftelijke toelichting uiteen gezet4 dat zij het onderhavige cassatieberoep hebben ingesteld teneinde te voorkomen dat de rechtbank reeds vonnis in het incident zou wijzen indien zij dat zouden nalaten. Daarnaast zijn zij inmiddels ook van het thans bestreden vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waartoe, aldus B&S, geen nader verlof van de rechtbank is vereist omdat – zoals Uw Raad bij arrest van 21 maart 2008, LJN: BC2774 (NJ 2008/178) heeft beslist – in het verlenen van verlof tot het instellen van cassatie het verlof tot het instellen van hoger beroep ligt besloten5. Overigens wordt door B&S uitdrukkelijk verzocht deze zienswijze te bevestigen.

2.2 De rechtbank heeft de afwijzing van het verzoek om een herstelvonnisvonnis te wijzen als volgt gemotiveerd:

“ Uit LJN: AF7676, Hoge Raad, 11-07-2003, JBPr 2003, 58 volgt dat beslissingen van de rolrechter die erop neerkomen dat het verzoek op pleidooi wordt geweigerd, moeten worden aangemerkt als vonnissen waartegen cassatieberoep openstaat.”

2.3 B&S betogen in hun schriftelijke toelichting6 dat de verwijzing van de rechtbank naar het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2003, LJN: AF7676 (NJ 2003/567) onjuist is omdat het in die zaak om een vordering tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst wegens wanprestatie ging waarin de kantonrechter de bevoegde rechter in eerste aanleg was en de rechtbank toentertijd als appelcollege fungeerde. In de procedure in hoger beroep werd pleidooi verzocht dat door de rechtbank als appelrechter werd afgewezen, waarna cassatieberoep werd ingesteld.

In art. 398 Rv. is onder 1o bepaald dat partijen cassatieberoep kunnen instellen tegen uitspraken, die hetzij in eerste en hoogste ressort hetzij in hoger beroep zijn gewezen. In de onderhavige zaak is de rechtbank Groningen noch als eerste en hoogste rechter noch als beroepsinstantie opgetreden, zodat de rechtbank tussentijds appel had moeten openstellen en niet tussentijds cassatieberoep.

2.4 Dit betoog is juist.

Met de steller van het middel ga ik ervan uit dat de rechtbank met de mededeling in rechtsoverweging 2.6 dat tegen dit tussenvonnis cassatieberoep openstaat, heeft bedoeld tussentijds cassatieberoep open te stellen. Nu het in de onderhavige zaak om een verzoek om pleidooi in een incident (843a Rv.) gaat en de hoofdzaak betrekking heeft op de onder 1.1 genoemde vorderingen van Newconomy c.s., oordeelde de rechtbank in eerste aanleg en niet in hoogste ressort of als appelrechter. Gelet op het feit dat partijen geen sprongcassatie zijn overeengekomen7, staat voor B&S geen cassatieberoep van het vonnis van de rechtbank open (art. 78 lid 5 RO en art. 398 onder 1o Rv.).

Het feit dat de rechtbank tussentijds cassatieberoep heeft opengesteld doet daaraan niet af.

2.5 B&S c.s. zijn mitsdien niet-ontvankelijk in hun cassatieberoep. Op grond van art. 340 Rv. kan het hoger beroep alsnog na de uitspraak in cassatie binnen de gewone termijn van beroep worden ingesteld. Een daarop gericht nieuw verlof van de rechtbank is niet vereist omdat het aan art. 340 Rv. ten grondslag liggende beginsel meebrengt dat in het verlof tot het instellen van cassatieberoep, het verlof tot instellen van hoger beroep op grond van art. 340 Rv. besloten ligt8. Nu B&S c.s. reeds hoger beroep hebben ingesteld, kan die procedure worden voortgezet.

2.6 Aan het middel wordt derhalve niet toegekomen.

Ten overvloede merk ik het volgende op.

Uw Raad heeft bij arrest van 28 september 2012 geoordeeld dat in art. 208 lid 1 Rv. art. 134 Rv. van toepassing is verklaard op het incident zodat partijen in beginsel recht op pleidooi hebben in het incident9. Met betrekking tot het recht op pleidooi in het algemeen geldt daarnaast het volgende:

- partijen hebben in beginsel het recht hun standpunten bij pleidooi toe te lichten;

- een verzoek om de zaak te mogen bepleiten zal slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mogen worden afgewezen;

- daartoe is noodzakelijk dat van de zijde van de wederpartij tegen toewijzing van het verzoek klemmende redenen worden aangevoerd of dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde;

- de rechter zal in elk van deze beide gevallen zijn redenen voor afwijzing van het verzoek uitdrukkelijk moeten vermelden en zijn beslissing daaromtrent deugdelijk moeten motiveren, en

- het bepaalde in het rolreglement kan niet afdoen aan het in de wet vastgelegde recht op pleidooi en kan evenmin rechtvaardigen dat een andere maatstaf wordt gehanteerd voor de beoordeling van een verzoek om de zaak te mogen bepleiten dan hiervoor als juist is aanvaard10.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van B&S c.s. in hun cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Voor zover thans in cassatie van belang. Zie rov. 1 van het vonnis van de rechtbank Groningen van 29 augustus 2012.

2 Ik maak uit de conclusie van antwoord in conventie van B&S c.s. van 18 juli 2012 op dat de rechtbank bij vonnis van 6 juni 2012 het verzoek heeft afgewezen, zie par.58.

3 De cassatiedagvaarding is op 17 september 2012 uitgebracht.

4 S.t. par. 7.

5 S.t. par. 6. Uit ambtshalve navraag bij het hof is mij gebleken dat dit hoger beroep in behandeling is onder zaak/rolnummer 200.113.734, en thans op de rol van 17 juni 2014 staat voor het nemen van de memorie van antwoord.

6 S.t. par. 2-5.

7 Van een (stilzwijgende) overeenkomst als bedoeld in art. 398 onder 2 Rv. is mij niet gebleken.

8 HR 21 maart 2008, LJN: BC2774, (NJ 2008/178).

9 HR 28 september 2012, LJN:BX0598 (NJ 2012/556), rov. 4.3.

10 Zie HR 22 februari 2013, LJN: BY4124 (NJ 2013/126), rov. 3.4 en CPG 3.16 met verdere verwijzingen.