Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:33

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-06-2013
Datum publicatie
16-07-2013
Zaaknummer
13/01401
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:103, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. Echtscheidingsconvenant. Totstandkoming onder dwaling of bedrog? Stelplicht en bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/399
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/01401

mr. Keus

Zitting 21 juni 2013

Conclusie art. 80a RO inzake:

[de man]

(hierna: de man)

verzoeker tot cassatie

advocaat: mr. M.D. Winter

tegen

[de vrouw]

(hierna: de vrouw)

verweerster in cassatie

1. Bij beschikking van 26 maart 2012 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage de echtscheiding tussen partijen op gemeenschappelijk verzoek uitgesproken en de door partijen getroffen regeling van hun betrekkingen na de echtscheiding in die beschikking opgenomen door verwijzing naar het in kopie daaraan gehechte en op 3 en 7 februari 2012 ondertekende echtscheidingsconvenant. Van dat convenant maakt een afkoop door de man van de na de ontbinding van het huwelijk aan de vrouw verschuldigde alimentatie tegen een totaalbedrag van € 107.500,- deel uit.

2. In hoger beroep heeft de man zich op het standpunt gesteld dat de bedoelde alimentatieafspraak door bedrog of dwaling tot stand is gekomen omdat (i) de vrouw zou hebben kenbaar gemaakt in de voormalige echtelijke woning te willen blijven wonen, (ii) de man, juist om haar daartoe in staat te stellen, bereid was tot afkoop van de alimentatie tegen het genoemde bedrag, (iii) de vrouw op 31 maart 2012 in Suriname een islamitisch huwelijk met [betrokkene] zou zijn aangegaan, en (iv) niet aannemelijk is dat de vrouw (met [betrokkene], die aannemer is in Suriname) overeenkomstig de aan de man voorgespiegelde intenties in de voormalige echtelijke woning zal blijven wonen. De vrouw heeft het bedoelde huwelijk en een wijziging van haar intenties met betrekking tot de woning ontkend.

3. In de bestreden beschikking heeft het hof het standpunt van de man verworpen, omdat uit de stellingen van de man niet is af te leiden dat de vrouw reeds ten tijde van de onderhandelingen over en het ondertekenen van het convenant niet meer het voornemen had in de woning te blijven wonen. In dat verband heeft het hof onder meer gereleveerd dat de vrouw heeft gesteld dat zij [betrokkene] pas na de echtscheidingsprocedure heeft leren kennen en dat de man deze stelling niet heeft kunnen weerleggen. De cassatieklachten spitsen zich op dat laatste toe: naar de kern genomen betoogt het middel dat, gelet op de gebeurtenissen tussen 26 maart 2012 (datum van de echtscheidingsbeschikking) en 31 maart 2012 (datum van het gestelde islamitische huwelijk), wel zeer onaannemelijk is dat de vrouw [betrokkene] niet al vóór 26 maart 2012 heeft leren kennen.

4. Het middel kan niet tot cassatie leiden. Op de man rusten stelplicht en bewijslast met betrekking tot de intenties van de vrouw ten tijde van de totstandkoming en ondertekening van het convenant, begin februari 2012. Ook als de vrouw [betrokkene] al vóór 26 maart 2012 heeft leren kennen, zou dat, gelet op de op de man rustende stelplicht en bewijslast, niet zonder meer voldoende zijn.

5. Overigens veronderstelt het middel dat het hof met de zinsnede “na de echtscheidingsprocedure” heeft bedoeld: na 26 maart 2012. Die veronderstelling is onjuist. In haar verweerschrift onder 9 (waarbij het hof kennelijk heeft willen aansluiten) heeft de vrouw het - meer precies - aldus uitgedrukt, dat zij met [betrokkene] contact heeft gekregen, “(p)as nadat de echtscheidingsprocedure was gestart”. Dat maakt de door het middel uitgewerkte tijdlijn (26-31 maart 2012) irrelevant, nu het startmoment niet 26 maart 2012, maar (op zijn laatst) 2 maart 2012 (de dag van indiening van het gemeenschappelijk verzoek) is. Bij dit alles blijft intussen het werkelijk beslissende moment de ondertekening van het convenant op 3 en 7 februari 2012.

6. Volledigheidshalve vermeld ik ten slotte dat het hof in rov. 17 in cassatie onbestreden heeft vastgesteld dat de vrouw vanaf oktober 2012 weer in de woning woonachtig is.

6. De conclusie strekt tot een niet-ontvankelijkverklaring op de voet van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal