Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:32

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-06-2013
Datum publicatie
04-10-2013
Zaaknummer
12/04248
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:854, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Kinderalimentatie. Behoefte jong-meerderjarig kind voldoende gemotiveerd? Draagkracht man onvoldoende onderbouwd? Premie levensverzekering betaald door vrouw? Onbegrijpelijk oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/486
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/04248

mr. Keus

Zitting 21 juni 2013

Conclusie inzake:

[de zoon]

(hierna: de zoon)

verzoeker tot cassatie

advocaat: mr. V.K.S. Budhu Lall

tegen

[de vrouw]

(hierna: de vrouw)

verweerster in cassatie

In deze zaak, die de vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud voor een jongmeerderjarige ten laste van de vrouw betreft, gaat het in het bijzonder om de behoefte van de jongmeerderjarige en om de draagkracht van zijn vader.

1. Feiten 1 en procesverloop

1.1 De vrouw en [de man] (hierna: de man) hebben gedurende dertig jaar een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij hebben samen twee kinderen, de zoon, geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats], die door de man is erkend, en [de dochter] (hierna: [de dochter]), geboren op [geboortedatum] 1993. Ten tijde van de procedures voor de rechtbank en het hof was de zoon jongmeerderjarig.

1.2 In augustus 2009 heeft de vrouw met [de dochter] de woning die de man en de vrouw gezamenlijk in eigendom hebben, verlaten. De zoon woont bij de man en [de dochter] bij de vrouw. De vrouw heeft aan de man geen bijdrage in de kosten van de zoon betaald en de man heeft aan de vrouw geen bijdrage in de kosten van [de dochter] voldaan.

1.3 De man en de zoon (de zoon heeft de man een volmacht verleend om voor hem te procederen) hebben de rechtbank ’s-Gravenhage bij op 25 februari 2011 ingekomen verzoekschrift verzocht de door vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding c.q. van de studie en het levensonderhoud van de zoon met ingang van 1 augustus 2009 te stellen op € 441,- per maand en te bepalen dat de totale achterstand tot en met augustus 2011 ad € 11.260,28 binnen twee weken na de te wijzen beschikking dient te zijn voldaan. De vrouw heeft verweer gevoerd.

1.4 Bij beschikking van 15 september 2011 heeft de rechtbank de door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, respectievelijk van studie en levensonderhoud van de zoon bepaald op:

  • -

    per maand over de periode van 1 augustus 2009 tot 1 januari 2010;

  • -

    per maand over de periode van 1 januari 2010 tot 1 februari 2010;

  • -

    per maand over de periode vanaf 1 februari 2010 tot 1 januari 2011;

  • -

    per maand over de periode vanaf 1 januari 2011 tot 1 september 2011;

  • -

    per maand vanaf 1 september 2011, vanaf 15 september 2011, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw binnen twee weken na de datum van de beschikking de achterstallige kinderalimentatie aan de man dient te voldoen, bij gebreke waarvan zij daarover de wettelijke rente is verschuldigd. De beschikking is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

1.5 Bij appelrekest van 14 december 2011 is de zoon, vertegenwoordigd door de man, die krachtens een volmacht voor hem optrad, bij het hof ’s-Gravenhage in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel appel ingesteld. De zoon heeft in het incidentele appel een verweerschrift ingediend.

1.6 De zoon heeft het hof verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zijn in eerste aanleg gedane verzoek alsnog toe te wijzen, althans zodanig te beschikken als het hof in goede justitie vermeent te behoren, kosten rechtens. In eerste aanleg hebben de man en de zoon verzocht de door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding c.q. studie en levensonderhoud van de zoon te bepalen op:

  • -

    van 1 augustus 2009 tot en met 31 januari 2010: € 649,18 per maand;

  • -

    van 1 februari 2010 tot en met maart 2010: € 700,82 per maand;

  • -

    van 1 april 2010 tot en met augustus 2010: € 612,51 per maand;

  • -

    van 1 september 2010 tot en met december 2010: € 793,67 per maand;

  • -

    vanaf 1 januari 2011: € 788,43 per maand.

1.7 De vrouw heeft het hof verzocht bij beschikking, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de zoon in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het hoger beroep af te wijzen, alsmede in incidenteel appel de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat zij maandelijks steeds bij vooruitbetaling aan de zoon zal voldoen een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie van € 250,-, en wel eerst met ingang van 1 december 2011, althans te bepalen dat zij maandelijks steeds bij vooruitbetaling een zodanige bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie aan de zoon voldoet en met ingang van een zodanige datum als het hof in goede justitie vermeent te behoren.

1.8 Bij beschikking van 6 juni 2012 heeft het hof de bestreden beschikking vernietigd en de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon over de periode van 1 augustus 2009 tot 20 januari 2010 op € 133,75 per maand en de door de vrouw aan de zoon te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de zoon over de periode van 20 januari 2010 tot 1 september 2011 op € 133,75 per maand en met ingang van 1 september 2011 op € 254,27 per maand bepaald, wat de na de dag van de beschikking te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen.

1.9 Bij verzoekschrift van 4 september 2012, op diezelfde datum ter griffie van de Hoge Raad ingekomen, heeft de zoon (tijdig) beroep in cassatie tegen de beschikking van het hof ingesteld. De vrouw heeft, alhoewel haar daartoe gelegenheid is geboden, in cassatie geen verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

De zoon heeft één cassatiemiddel voorgesteld. Dat middel omvat vier onderdelen (I-IV), waarvan de onderdelen I-III in meer subonderdelen uiteenvallen.

2.2

Onderdeel I is blijkens het gestelde in het cassatierekest gericht de rov. 9 en 10:

“Periode a en b: van 1 augustus 2009 tot l september 2011;

9. Het hof ziet geen aanleiding om tot het moment dat de jongmeerderjarige is gaan studeren af te wijken van de bedragen die genoemd zijn in de tabel eigen aandeel kosten van kinderen bij het rapport van de Werkgroep Alimentatienormen van 2009 (hierna: tremanormen). Het hof gaat hierbij uit van het door de vrouw gestelde netto gezinsinkomen van € 2.652,-. Met leningen en dergelijke die zijn aangegaan en geconsumeerd ten tijde van de samenleving van de vader en de moeder houdt het hof geen rekening bij de vaststelling van de behoefte van de jongmeerderjarige, omdat deze niet inkomensverhogend zijn. Evenmin ziet het hof aanleiding de tremanormen te corrigeren op grond van hogere woonlasten. Van bijzondere omstandigheden waaruit een hogere behoefte volgt dan die volgt uit de tremanormen is niet gebleken. Het hof gaat bij het berekenen van het eigen aandeel kosten van kinderen uit van een huishouden van twee kinderen, omdat de jongmeerderjarige een zus heeft, [de dochter], geboren op [geboortedatum] 1993 (hierna: [de dochter]). Het hof stelt de behoefte ten tijde van de minderjarigheid vast op € 535,- voor twee kinderen, uitgaande van de tremanormen op basis van nul kinderbijslagpunten. Voor één kind bedraagt de behoefte afgerond derhalve € 267,50.

Periode c: met ingang van 1 september 2011

10. Vanaf de aanvang van de studie van de jongmeerderjarige sluit het hof voor de bepaling van de behoefte van de jongmeerderjarige aan bij de normen van de Wet Studiefinanciering 2000. Gelet op het feit dat de jongmeerderjarige bij de vader woont, wordt voor de beoordeling van de behoefte van de jongmeerderjarige ten aanzien van de door de moeder verschuldigde bijdrage uitgegaan van het normbedrag van artikel 3.18 Wet studiefinanciering 2000 voor thuiswonende studenten in het hoger onderwijs. Het normbedrag bedraagt € 604,15 per maand. Hierop komt de basisbeurs in mindering. De basisbeurs bedraagt voor deze periode € 95,61, zodat de behoefte van de jongmeerderjarige aan een aanvullende bijdrage van de ouders € 508,54 per maand bedraagt.”

2.3

Het onderdeel klaagt onder 9 dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk heeft geoordeeld door de woonlasten die hoger zijn dan de woonkostencomponent die voortvloeit uit de Trema-normen respectievelijk de Wet studiefinanciering 2000 niet bij de berekening van de behoefte van de zoon in aanmerking te nemen. Daartoe voert het onderdeel, mede onder verwijzing naar het beroepschrift onder 12 en 13, aan dat in de onderhavige situatie sprake is van woonlasten van de in eigendom aan de man en de vrouw toebehorende woning waarvan verdeling in het kader van de boedelscheiding nog niet heeft plaatsgevonden, zodat de man (en met hem de zoon) als gevolg daarvan is genoodzaakt in de woning te wonen. Voor een berekening van de (aan de behoefte van de zoon toe te rekenen) hogere woonlasten verwijst het onderdeel in het bijzonder naar de producties 19 en 21 bij de brief aan het hof van 3 april 2012.

2.4

Het hof, dat voor de aanspraken van de zoon diens behoefte medebepalend heeft geacht, kan naar mijn mening niet worden verweten een onjuiste maatstaf te hebben aangelegd. Wel kan het oordeel dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden waaruit een hogere behoefte voortvloeit dan bij toepassing van de Trema-normen dient te worden aangenomen, op begrijpelijkheid worden getoetst.

2.5

Ik begrijp de motiveringsklacht aldus dat zij in het bijzonder betrekking heeft op de relatief hoge woonlasten met betrekking tot de aan de man en de vrouw toebehorende woning, die thans - volgens het onderdeel: noodgedwongen - nog slechts door de man en de zoon wordt bewoond. In het beroepschrift onder 12, waarnaar het onderdeel verwijst, wordt daarover opgemerkt:

“12. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat de ouders samen financiële verplichtingen zijn aangegaan in de vorm van de koop van de echtelijke woning in een periode dat zij meer te besteden hadden (…). De inkomsten zijn sedertdien gedaald doch de lasten zijn ongewijzigd gebleven. Een en ander brengt met zich dat er feitelijk een veel hogere woonkostencomponent in de behoefte is verdisconteerd dan waar de NIBUD-normen rekening mee houden. Deze gaan immers uit van een woonlast die in overeenstemming is met het inkomen dat partijen te besteden hebben. De vrouw heeft er voor gekozen om de woning samen met dochter [de dochter] te verlaten. Vader en [de zoon] wonen hier dus alleen doch de kosten voor gas water en licht zijn nauwelijks gedaald, evenals de hypotheeklasten. Waar deze voorheen door 4 mensen werden gedeeld worden deze nu alleen door de man en [de zoon] gedeeld zodat de kosten per persoon aanzienlijk hoger zijn. De man is van mening dat dit een aanpassing behoeft in de behoefte.”

2.6

Het valt niet zonder meer in te zien waarom, zoals het onderdeel stelt, de omstandigheid dat verdeling van de in eigendom aan de man en de vrouw toebehorende woning nog niet heeft plaatsgehad, de man (en met hem de zoon) zou noodzaken die woning - tegen relatief te hoge kosten - te blijven bewonen. Het onderdeel verwijst niet naar vindplaatsen in de stukken waarin wordt uiteengezet (en werkt ook niet uit) dat en waarom de mede-eigendom van de (reeds in augustus 2009 door de vrouw verlaten) woning de man tot dusverre zou hebben belet en nog steeds zou beletten om (met de zoon) andere en meer met zijn inkomen in overeenstemming zijnde huisvesting te betrekken. Al om die reden kan de motiveringsklacht niet slagen.

Daarbij komt dat de door het onderdeel genoemde bijlagen bij de brief aan het hof van 3 april 2012 geen duidelijke opgave van de aan de zoon toe te rekenen woonlasten bevatten. Productie 19 (“Vaste woonlasten per maand”) bevat een opsomming van de totale woonlasten van de man en de zoon (en van daarmee overigens geen verband houdende kosten van ongevallen- en ziektekostenverzekeringen), terwijl productie 21 (houdende een opgave van de maandelijkse kosten van de zoon) als post “Wonen. Huurwaarde kamer?” een bedrag van € 100,- vermeldt. Het valt niet zonder meer in te zien waarom het hof in deze gegevens aanleiding had moeten zien te oordelen dat bijzondere omstandigheden tot een afwijking van de Trema-normen nopen.

Ten slotte dient te worden bedacht dat in de door het hof met toepassing van de Trema-normen berekende behoefte van de zoon een component voor woonlasten ligt besloten, die gerelateerd is aan het gezinsinkomen van beide ouders voor hun uiteengaan, en dat de (met dat inkomen in overeenstemming zijnde) huisvestingssituatie van de zoon sedert het uiteengaan van de ouders niet is gewijzigd. In dat verband rijst de vraag of niet (langer) met diens inkomen in overeenstemming zijnde woonlasten van de man inderdaad in de behoefte van de bij hem inwonende zoon moeten worden verdisconteerd. Het door het onderdeel bedoelde probleem dat de man zou zijn genoodzaakt tegen relatief te hoge kosten in de mede aan de vrouw in eigendom toebehorende woning te blijven wonen, zou zich evenzeer voordoen als de zoon niet bij de man zou inwonen (zie ook de formulering van de klacht onder 9: “zodat de man (en met hem de jongmeerderjarige) als gevolg daarvan genoodzaakt is in de woning te wonen”). Bij die stand van zaken ligt het naar mijn mening voor de hand (thans) mogelijk bovenmatige woonlasten, voor zover die al onvermijdbaar zijn, eerder bij de bepaling van de draagkracht van de man dan bij de bepaling van de behoefte van de bij hem inwonende zoon te betrekken.

2.7

Onder 10 klaagt het onderdeel dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, dan wel dat zijn oordeel zonder nadere motivering niet begrijpelijk is, door voor de behoefte van de jongmeerderjarige, zolang hij niet studeert, bij de Trema-normen aansluiting te zoeken. Het hof heeft aldus volgens het onderdeel miskend dat het meerderjarig worden van rechtswege meebrengt dat bepaalde voorzieningen zoals de kinderbijslag en het kindgebonden budget wegvallen, dit terwijl de Nibud-normen wel ervan uitgaan dat de ouders dit bedrag te besteden hebben. Voorts is het zo dat na het bereiken van de achttienjarige leeftijd een premiezorgverzekering van afgerond € 110,- per maand dient te worden voldaan, hetgeen de behoefte van de jongmeerderjarige verhoogt. Het hof heeft volgens het onderdeel dan ook ten onrechte de zoon niet gevolgd in zijn standpunt dat zijn behoefte rechtvaardigt dat de door hem verzochte bedragen worden toegewezen.

2.8

In zijn beroepschrift onder 16 heeft de zoon aangevoerd dat het bereiken van de achttienjarige leeftijd tot gevolg heeft gehad dat de kinderbijslag en het kindgebonden budget zijn weggevallen en dat vanaf dat moment zijn zorgverzekering niet meer kosteloos was. In het Rapport alimentatienormen, waarbij het hof aansluiting heeft gezocht, is onder ogen gezien dat de tabellen van het NIBUD niet in de berekening van de behoefte van kinderen ouder dan 18 jaar voorzien2. Het is juist dat de kinderbijslag stopt bij het bereiken van de achttienjarige leeftijd, of preciezer: aan het einde van het kwartaal waarop de achttienjarige leeftijd wordt bereikt3; voorts is juist dat in de tabellen van het NIBUD waarop de Trema-normen zijn gebaseerd, de kinderbijslag is verdisconteerd (op de kosten van de kinderen in mindering is gebracht). Daarentegen is het kindgebonden budget (een bijdrage in de kosten voor kinderen tot 18 jaar, die stopt aan het einde van de maand waarin het betrokken kind de achttienjarige leeftijd bereikt) vanwege het inkomensafhankelijke karakter daarvan niet in de behoeftetabellen verdisconteerd, en dient apart te worden verwerkt4. Ten slotte is ook juist dat voor de zoon na het bereiken van de achttienjarige leeftijd premies voor de zorgverzekering werden verschuldigd, zij het dat daartegenover een mogelijke aanspraak op zorgtoeslag ontstond.

Het hof, dat in rov. 8 drie perioden heeft onderscheiden, waaronder die van 20 januari 2010 (de achttiende verjaardag van de zoon) tot 1 september 2011 (de datum waarop de zoon aan een studie is begonnen), heeft in rov. 9 overwogen ook met betrekking tot die periode geen aanleiding te zien af te wijken van de bedragen die genoemd zijn in de tabel eigen aandeel kosten van kinderen bij het Rapport alimentatienormen. Ik acht de klacht van het onderdeel in die zin gegrond, dat dit oordeel minst genomen nadere motivering behoefde in het licht van hetgeen de zoon had gesteld over de door (althans kort na) het bereiken van de achttienjarige leeftijd toegenomen c.q. niet langer door kinderbijslag gedekte kosten.

2.9

Onderdeel II sub A is gericht tegen rov. 10:

“Periode c: met ingang van 1 september 2011

10. Vanaf de aanvang van de studie van de jongmeerderjarige sluit het hof voor de bepaling van de behoefte van de jongmeerderjarige aan bij de normen van de Wet Studiefinanciering 2000. Gelet op het feit dat de jongmeerderjarige bij de vader woont, wordt voor de beoordeling van de behoefte van de jongmeerderjarige ten aanzien van de door de moeder verschuldigde bijdrage uitgegaan van het normbedrag van artikel 3.18 Wet studiefinanciering 2000 voor thuiswonende studenten in het hoger onderwijs. Het normbedrag bedraagt € 604,15 per maand. Hierop komt de basisbeurs in mindering. De basisbeurs bedraagt voor deze periode € 95,61 zodat de behoefte van de jongmeerderjarige aan een aanvullende bijdrage van de ouders € 508,54 per maand bedraagt.”

Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, daar het normbedrag voor een thuiswonende student € 746,90 per maand bedraagt (€ 751,73 per maand per 1 september 2012). Vanwege de hoogte van het salaris van de moeder ontvangt de zoon volgens het onderdeel geen aanvullende beurs, zoals door de zoon (in het beroepschrift onder 17) is onderbouwd. Met aftrek van de basisbeurs resulteert dat daarom in een behoefte van € 651,29 (€ 656,12 per 1 september 2012), terwijl het hof deze om volgens het onderdeel onbegrijpelijke redenen op € 508,54 heeft gesteld. Het onderdeel voegt daaraan toe dat het hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door van een ander normbedrag uit te gaan dan de rechtbank, nu partijen het door de rechtbank gehanteerde normbedrag niet hebben bestreden.

2.10

De klacht kan niet tot cassatie leiden. Het normbedrag levensonderhoud voor de thuiswonende student hoger onderwijs bedroeg ingevolge art. 3.18 Wet studiefinanciering 2000 van 1 januari 2011 tot 1 januari 2013 € 604,15 per maand en de daarbij behorende basisbeurs € 95,61. In zoverre is het hof niet van onjuiste gegevens uitgegaan.

Ik neem aan dat het afwijkende, door de rechtbank gehanteerde bedrag hierdoor wordt verklaard, dat de rechtbank het genoemde normbedrag met het maximale bedrag van het zogenaamde collegegeldkrediet van € 142,75 per maand (peildatum 1 januari 2012)5 heeft vermeerderd. Het is, gelet op de systematiek van de Wet studiefinanciering 2000, geenszins onbegrijpelijk dat het hof de rechtbank daarin niet is gevolgd. De Wet studiefinanciering 2000 gaat ervan uit dat niet slechts de overheid en de ouders van de student, maar ook de student zelf in diens kosten bijdraagt; zie respectievelijk paragraaf 3.2 (“Bijdrage overheid”), paragraaf 3.3 (“Bijdrage ouders”) en paragraaf 3.4 (“Bijdrage studerende”). De bijdrage van de overheid bestaat uit de basisbeurs (en de zogenaamde reisvoorziening), de veronderstelde ouderlijke bijdrage “kan nooit meer bedragen dan de maximale aanvullende beurs voor een studerende” (art. 3.13 lid 1 Wet studiefinanciering 2000) en de bijdrage van de studerende omvat (naast de basis- en de aanvullende lening) het collegegeldkrediet, dat op aanvraag aan de student wordt toegekend (art. 16a Wet studiefinanciering 2000).

Bij dit alles is het hof niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen in hoger beroep getreden. Naar het hof in de bestreden beschikking op p. 3 (onder “De omvang van de rechtsstrijd”) heeft vastgesteld, heeft de vrouw in haar incidentele beroep de behoefte van de jongmeerderjarige aan de orde gesteld. Het stond het hof vrij die behoefte opnieuw te onderzoeken, zonder daarbij te zijn gebonden aan niet specifiek in hoger beroep bestreden veronderstellingen van de rechtbank met betrekking tot de relevantie van bepaalde normbedragen.

2.11

Onderdeel II sub B is gericht tegen rov. 12:

Verdeling eigen aandeel ouders naar rato van hun draagkracht

Draagkracht vader

12. Het hof zal hierna beoordelen of de man draagkracht heeft om een bijdrage te leveren ten behoeve van de kosten van studie en levensonderhoud van de jongmeerderjarige. Het hof is van oordeel dat er onvoldoende financiële gegevens van de vader in het geding zijn gebracht om zijn financiële draagkracht te beoordelen. Gesteld is dat de vader de afgelopen periode heeft geleefd van geleende bedragen, maar deze stelling is niet, dan wel onvoldoende, met stukken onderbouwd. Het hof gaat er bij gebreke van deze gegevens van uit dat de vader tenminste de helft van de kosten kan dragen van de jongmeerderjarige. De vader heeft bovendien een hoge opleiding genoten. Niet is in te zien dat hij geen verdiencapaciteit zou hebben. Ook van de vader mag in redelijkheid worden verlangd dat hij al datgene verricht om aan zijn wettelijke onderhoudsverplichting jegens zijn zoon te voldoen. Dit betekent dat het aandeel van de moeder in de kosten van de jongmeerderjarige over de periode vanaf l augustus 2009 wordt gesteld op € 133,75 en op € 254,- per maand ingaande 1 september 2011.”

Volgens het onderdeel is deze motivering in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk. In de eerste plaats is de stelling dat de man in de afgelopen periode heeft geleefd van geleende bedragen wel degelijk onderbouwd en met stukken inzichtelijk gemaakt. Het onderdeel verwijst daartoe (onder 14-16) naar een reeks van producties waaruit dit zou blijken. Zonder nadere motivering die ontbreekt valt, gelet op de inhoud van die producties, niet in te zien waarom het hof heeft gemeend dat er onvoldoende financiële gegevens van de vader in het geding zijn gebracht aangaande de geleende bedragen en welke gegevens dat dan hadden moeten zijn (onderdeel onder 17). Naast bewijsstukken van leningen hebben de man en de zoon financiële stukken met betrekking tot de man overgelegd, waaronder aangiften IB en specificaties van inkomsten (onderdeel onder 18-19). Voorts heeft de zoon meerdere malen gedurende de procedure aangegeven dat de vader sinds 2006 niet meer erin is geslaagd substantieel inkomen te verwerven (onderdeel onder 20). Ook de rechtbank heeft overwogen dat de man al sinds 2007 geen inkomen uit zijn werkzaamheden als architect genereerde (beschikking van de rechtbank, p. 2 onder “Ontvankelijkheid en ingangsdatum”; p. 4 onder “Draagkracht man”; onderdeel onder 20 respectievelijk 19). Het onderdeel betoogt dat het hof, gelet op al deze stukken en informatie, niet had mogen oordelen dat onvoldoende financiële gegevens van de man in het geding zijn gebracht en dat de man tenminste de helft van de kosten van de jongmeerderjarige kan dragen, althans dat dit oordeel, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is. De man heeft in de rechtbankprocedure waarbij hij ook zelf als procespartij optrad gemotiveerd het verweer gevoerd dat het hem aan draagkracht ontbreekt. Zonder nadere motivering is onbegrijpelijk waarom het hof aan dit verweer is voorbijgegaan (onderdeel onder 21). Onbegrijpelijk is volgens het onderdeel voorts het oordeel dat, gelet op de hoge opleiding van de vader, niet valt in te zien dat hij geen verdiencapaciteit zou hebben. Het onderdeel wijst op de inspanningen van de man om inkomen te verwerven en op het feit dat de man bij het uiteengaan van de ouders al lange tijd (drie jaar) geen werk meer had. Volgens het onderdeel is een opleiding die 35 jaar geleden is gevolgd in samenhang met de leeftijd van de man en de omstandigheid dat hij de laatste drie jaar van de samenleving met de moeder niet heeft gewerkt, op zich niet voldoende om verdiencapaciteit aan te nemen (onderdeel onder 22). Kennelijk is het hof veronderstellenderwijs van de draagkracht van de man uitgegaan en heeft het gemeend dat de man tenminste de helft van de kosten van de jongmeerderjarige kan dragen. Dit is echter niet te rijmen en ook innerlijk tegenstrijdig met rov. 9 waarin het hof voor de bepaling van de behoefte van de jongmeerderjarige van het door de vrouw gestelde netto gezinsinkomen van € 2.652,- (dat uitsluitend uit het salaris van de moeder bestond) is uitgegaan (onderdeel onder 23). Volgens het onderdeel valt althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien waarom het hof niet van het ontbreken van draagkracht van de man is uitgegaan (onderdeel onder 24) en was het inkomen van de vrouw voldoende om met ingang van 1 september 2011 in de door het hof becijferde behoefte van € 508,54 per maand te voorzien (onderdeel onder 25).

2.12

Ik meen dat de klachten van het onderdeel gedeeltelijk slagen. Het oordeel van het hof dat de man onvoldoende gegevens in het geding heeft gebracht om het hof in staat te stellen zijn draagkracht te beoordelen, is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, inderdaad onbegrijpelijk, nu de man zowel met betrekking tot zijn inkomen (en de omzet van zijn onderneming) als met betrekking tot de door hem gestelde schulden diverse bescheiden heeft overgelegd. Zo bevinden zich bij de stukken de aangifte IB 2007 met aanslag, de aangifte IB 2008 met voorlopige aanslag, de voorlopige aangifte IB 2009, de definitieve aangifte IB 2009, de concept-aangifte IB 2010, de definitieve aangifte IB 2010, diverse declaraties en aangiften BTW van zijn onderneming, alsmede diverse stukken met betrekking tot geldleningen, waaronder als renteloze leningen door de gemeente ’s-Gravenhage verleende bijstand. Mogelijk was het hof van oordeel dat uit deze stukken niet zonder meer de draagkracht van de man valt af te leiden, omdat de man geacht moet worden zich redelijkerwijs méér inkomsten te kunnen verwerven dan uit die stukken blijkt. Dat rechtvaardigt echter niet dat het hof alle overgelegde stukken geheel buiten beschouwing heeft gelaten en de draagkracht van de man (alsof hij in het geheel geen financiële gegevens had geproduceerd) louter bij wijze van schatting heeft vastgesteld. Daarbij komt dat die schatting weinig precies is. Als het oordeel dat de man “tenminste de helft van de kosten kan dragen van de jongmeerderjarige” impliceert dat de draagkracht van de man (tenminste) de helft van de kosten van de zoon bedraagt, brengt dat nog niet met zich dat het aandeel van de man ook de helft van die kosten dient te zijn. Met welk aandeel elk van beide ouders (“naar draagkracht”) in de kosten van de zoon dient bij te dragen, zal in beginsel aan de hand van een vergelijking van hun draagkracht moeten worden bepaald. Dat vergt een nauwkeuriger vaststelling dan dat de man tenminste de helft van de kosten van de zoon kan dragen. Het bestreden oordeel acht ik ook daarom onvoldoende gemotiveerd, omdat het geen enkel inzicht biedt in de lasten die het hof in zijn kennelijke schatting van de draagkracht van de man heeft verdisconteerd. Dat, zoals het hof heeft overwogen, niet, dan wel onvoldoende met stukken zou zijn onderbouwd dat de man de afgelopen periode van geleende bedragen heeft geleefd, betekent nog niet dat er geen schulden zijn die bij de bepaling van de draagkracht dienen te worden betrokken. Overigens bevinden zich bij de stukken verschillende gedetailleerde overzichten van de (volgens de man en de zoon) in aanmerking te nemen lasten van de man, ook die welke niet met de gestelde schulden samenhangen. In zoverre acht ik de klachten van het onderdeel gegrond.

Dat het hof zich niet zonder meer tevreden heeft gesteld met de door de man overgelegde (inkomens)gegevens en van een grotere verdiencapaciteit is uitgegaan, acht ik op zichzelf niet onbegrijpelijk. Daarbij acht ik van belang dat het hof, sprekende van de verdiencapaciteit van de man (“De vader heeft bovendien een hoge opleiding genoten. Niet is in te zien dat hij geen verdiencapaciteit zou hebben.”), kennelijk niet louter het oog heeft gehad op hetgeen de man in zijn beroep van architect verdient (of zou kunnen verdienen). Dat relativeert de betekenis van de stukken en de stellingen met betrekking tot de vergeefse pogingen van de man om binnen zijn vakgebied opdrachten te verwerven. Een tegenstrijdigheid zoals door het onderdeel bedoeld in verband met het slechts door het inkomen van de vrouw bepaalde gezinsinkomen tijdens de (laatste jaren van) de samenleving van de man en de vrouw doet zich ten slotte evenmin voor. Voor de aan de mate van welstand gedurende de periode van samenleving van de ouders gerelateerde behoefte van de zoon is inderdaad het feitelijk genoten gezinsinkomen beslissend; voor de draagkracht van de man ter bepaling van hetgeen hij in verhouding tot de vrouw in de kosten van de zoon dient bij te dragen, komt het daarentegen niet (louter) aan op het inkomen dat hij zich feitelijk verwerft, maar (ook) op het inkomen dat hij zich kan verwerven. In zoverre slagen de klachten van het onderdeel niet.

2.13

Onderdeel II sub c betoogt dat de zoon in het inleidend verzoek een bijdrage van de vrouw heeft gevorderd met terugwerkende kracht per 1 augustus 2009. Het hof heeft, gelet op hetgeen wordt overwogen in rov. 12, echter ook met terugwerkende kracht per 1 augustus 2009 verdiencapaciteit en daarmee draagkracht aan de man toegekend. Volgens vaste rechtspraak gaat het bij de bepaling van de draagkracht om datgene wat de alimentatieplichtige ter beschikking staat en met alles wat deze zich redelijkerwijs in de naaste toekomst kan verwerven, in welk verband een herstelbaar inkomensverlies niet aan de draagkracht afdoet. Ook een inkomensverlies over een in het verleden gelegen periode dat in werkelijkheid niet is hersteld, kan als “destijds-herstelbaar” worden behandeld, maar dat geldt volgens het onderdeel niet in een geval als het onderhavige, waarin de zoon de man niet aanspreekt tot betaling van alimentatie, maar de verdiencapaciteit van de man louter van belang is voor de vraag hoe de kosten van de zoon naar rato van hun draagkracht over beide ouders moeten worden verdeeld. Volgens het onderdeel heeft het hof van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven, althans zijn oordeel niet naar behoren gemotiveerd, door in dit geval met terugwerkende kracht van een herstelbaar inkomensverlies uit te gaan, temeer daar de man al drie jaar voor de beëindiging van de samenleving geen inkomen meer had, en een herstelbaar inkomensverlies, ook over die periode, met zich zou hebben gebracht dat het door het hof in aanmerking genomen gezinsinkomen met het fictieve inkomen van de man had moeten worden vermeerderd en aldus tot een grotere behoefte van de zoon had geleid.

2.14

De klacht kan niet tot cassatie leiden. Het staat de alimentatierechter vrij om de dag met ingang waarvan het onderhoud zal zijn verschuldigd, op een dag vóór die van zijn uitspraak en ook vóór die van het inleidende verzoek te bepalen6. Met het oog op een aldus met terugwerkende kracht te bepalen uitkering tot levensonderhoud zal ook de relevante draagkracht over het verleden moeten worden vastgesteld, waarbij het niet (alleen) aankomt op het inkomen dat betrokkene zich daadwerkelijk verwierf, maar (ook) op het inkomen dat hij zich redelijkerwijs had kunnen verwerven. Weliswaar past de rechter bij alimentatiebeslissingen die ingrijpen op een periode in het verleden behoedzaamheid7, maar, zoals het onderdeel terecht als uitgangspunt kiest, is niet a priori uitgesloten dat de rechter zich bij zijn beslissing over draagkracht in het verleden op (wat het onderdeel noemt:) “fictief inkomen” baseert. Anders dan het onderdeel veronderstelt, is er echter geen enkele reden om aan te nemen dat dit laatste slechts zou gelden met betrekking tot de vaststelling van de draagkracht van de tot onderhoud aangesproken alimentatieplichtige en niet (mede) met betrekking tot de vaststelling van de draagkracht van de niet-aangesproken maar eveneens onderhoudsplichtige ouder, welke vaststelling ertoe strekt mogelijk te maken dat de kosten van de alimentatiegerechtigde die bij laatstgenoemde ouder kost en inwoning heeft genoten, over beide ouders worden verdeeld. De (directe) gevolgen van eerstbedoelde vaststelling zijn niet minder ingrijpend dan die van laatstbedoelde vaststelling; veeleer het tegendeel is het geval.

Mijns inziens heeft het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven. Evenmin heeft het hof, dat kennelijk, in de woorden van het onderdeel, terugwerkende kracht in een geval als het onderhavige toelaatbaar heeft geacht, zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Anders dan het onderdeel suggereert, is er geen tegenstrijdigheid tussen het oordeel over de verdeling van de kosten van de zoon naar rato van draagkracht van beide ouders, welk oordeel mede op (in de woorden van het onderdeel:) “fictief inkomen” van de man is gebaseerd enerzijds, en de vaststelling van de behoefte van de zoon aan de hand van het daadwerkelijke en slechts op het inkomen van de vrouw gebaseerde gezinsinkomen van beide ouders vóór hun uiteengaan anderzijds; ik verwijs naar hetgeen hiervóór (onder 2.12) reeds aan de orde kwam.

2.15

Onder 27 voegt het onderdeel aan het voorgaande nog toe dat, voor zover het oordeel van het hof dat de vader geacht wordt verdiencapaciteit te hebben overeind moet blijven, dit, met het oog op de rechtszekerheid die jegens de jongmeerderjarige in acht moet worden genomen, slechts kan gelden met ingang van de datum van de beschikking van het hof (6 juni 2012). Pas in het verweerschrift in hoger beroep tevens incidenteel appel van 31 januari 2012 wordt de verdiencapaciteit van de vader ingebracht, slechts beargumenteerd vanuit zijn opleiding en ervaring, en wordt gesteld dat de behoefte van de zoon tussen de ouders dient te worden verdeeld. De zoon heeft (evenals de man) dus niet eerder rekening kunnen houden met het betoog van de moeder in de procedure dat de vader geacht wordt verdiencapaciteit te hebben en het is onbegrijpelijk waarom het hof dit niet in het oordeel heeft meegenomen. Het onderdeel releveert dat uit de door de zoon overgelegde stukken van de vader blijkt dat deze vanaf 2006 feitelijk geen inkomen had.

2.16

De klacht kan niet tot cassatie leiden. De ten behoeve van de zoon in acht te nemen rechtszekerheid, wat daarvan ook zij, kan mijns inziens niet ertoe kan leiden dat (ten detrimente van de vrouw) wordt afgeweken van een verdeling naar draagkracht van de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige over diens beide ouders.

2.17

Onderdeel III sub a is gericht tegen rov. 14:

“14. Voor de berekening van de draagkracht van de moeder in de periode van 1 februari 2010 tot 1 september 2011 gaat het hof uit van het inkomen van het jaar 2010 en voor de tweede periode, de periode na 1 september 2011 gaat het hof uit van het inkomen van het jaar 2011. Volgens de jaaropgaven van de moeder bedraagt het inkomen in 2010 € 49.540,- en in 2011 € 50.017,-. Het hof houdt rekening met de toegepaste korting wegens ziekte, omdat deze korting inkomensverlagend uitpakt. Deze korting is in haar jaaropgaven verwerkt en het hof ziet geen aanleiding om hiermee geen rekening te houden. De kosten van het partnerpluspensioen neemt het hof mee in de draagkrachtberekening, aangezien het hier om een keuze gaat die partijen in het verleden gemaakt hebben en het hof het onredelijk acht deze premie nu niet meer in aanmerking te nemen.”

Volgens het onderdeel is het oordeel met betrekking tot het partnerpluspensioen onbegrijpelijk. Het onderdeel betoogt (onder 29) dat uit de door de vrouw overgelegde salarisspecificaties blijkt dat zij het partnerpluspensioen heeft opgezegd, zodat in ieder geval vanaf april 2011 dat bedrag niet ten koste van haar draagkracht mag gaan. Voorts voert het onderdeel (onder 29) aan dat het bedoelde pensioen is bedoeld als pensioenvoorziening ten behoeve van de partner van de vrouw, dat de vrouw de man echter nimmer als partner bij het pensioenfonds heeft aangemeld en dat, nu de vrouw geen partner heeft, het pensioen niet nodig is en de kosten daarvan niet op de bij de vaststelling van de alimentatieplicht jegens de zoon in acht te nemen draagkracht van de vrouw zouden mogen drukken. Het hof heeft dit een en ander volgens het onderdeel miskend.

2.18

De klacht kan naar mijn mening niet tot cassatie leiden. In de toelichting op zijn vierde grief (hoger beroepschrift onder 22-23) heeft de zoon weliswaar het standpunt ingenomen dat bij de becijfering van de draagkracht van de vrouw geen rekening mag worden gehouden met (de premie voor) het partnerpluspensioen, maar daaraan niet mede ten grondslag gelegd dat zich uit de reeds in eerste aanleg door de vrouw overgelegde stukken laat afleiden dat de vrouw het partnerpluspensioen vanaf april 2011 heeft opgezegd. Het hof kan niet worden verweten dat het, zonder daarop door de zoon te zijn gewezen, uit de in eerste instantie door de vrouw overgelegde producties had moeten afleiden dat de vrouw het bedoelde pensioen inmiddels had opgezegd, nog daargelaten of het ontbreken van een vermelding van de voor dat pensioen betaalde premie op één enkele salarisspecificatie die conclusie zou kunnen rechtvaardigen. Voorts doet de omstandigheid dat de vrouw de man (nog) niet bij het pensioenfonds heeft aangemeld als de partner voor wie het bedoelde pensioen is bestemd, niet af aan de vaststelling van het hof dat het hier om een keuze gaat die partijen in het verleden hebben gemaakt.

2.19

Onderdeel III sub B is gericht tegen rov. 15:

“De lasten

15. Het hof neemt voor beide periodes als onweersproken lasten in aanmerking: de huurlast van de moeder van € 750,- en haar ziektekostenpremie van € 171,-. Verder heeft de moeder aangetoond dat zij haar eigen risico voor de ziektekostenverzekering voor de jaren 2010 en 2011 volledig heeft gebruikt, zodat het hof hier rekening mee houdt. Uit de door de moeder bij het verweerschrift in hoger beroep overgelegde bankafschriften blijkt dat zij de premie voor de levensverzekering heeft voldaan van augustus 2010 tot en met december 2011. De vader heeft ter zitting aangeboden met bankafschriften aan te tonen dat hij de premies voor deze periode betaald heeft en dat de premies die de moeder heeft betaald daarom gestorneerd moeten zijn. Het hof is van oordeel dat de vader voldoende gelegenheid heeft gehad om stukken te overleggen en dat zijn aanbod ter zitting te laat is gedaan. Het hof gaat aan dit verweer van de vader dan ook voorbij.”

Volgens de klacht staat tussen partijen vast dat de premiebetaling voor de levensverzekering ten laste van de man komt. Dit blijkt uit rov. 4.11 van het vonnis in de boedelscheidingsprocedure van 15 juni 2011 (“De rechtbank gaat ervan uit dat de man deze betalingen zal overnemen: de premies betaald na het einde van de samenleving dienen voor rekening van de man te komen.”). In rov. 4.37 wordt vervolgens als slotsom nog vermeld dat partijen ten behoeve van deze verrekening zich nog per akte over de hoogte van deze premies dienen uit te laten. Dat is ook gebeurd. In de boedelscheidingszaak wordt de vrouw volledig gecompenseerd voor de nog van haar rekening afgeschreven premies na het einde van de samenleving. Volgens het onderdeel had het hof bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw met die premies geen rekening mogen houden en is onbegrijpelijk waarom het dit wel heeft gedaan en ter zake niet het oordeel van de rechtbank in rov. 8 van de beschikking van 15 september 2011 (kennelijk is bedoeld het gestelde op p. 6 onder “Ad 8 Overige kosten” van die beschikking; LK) heeft gevolgd. Volgens het onderdeel heeft de man ter zitting van het hof van 13 april 2012 “in het hoger beroep nog bankafschriften getoond waaruit blijkt dat hij deze betalingen vervolgens heeft voldaan (…).”

2.20

Ik acht de klacht gegrond. De zoon heeft in zijn verweerschrift in het incidentele appel in het kader van de bespreking van de vijfde incidentele grief van de vrouw onder 20-21 het standpunt ingenomen dat weliswaar eerst per maart 2012 een premieomzetting heeft plaatsgehad, maar dat dit niet wegneemt dat de premies, betaald na het uiteengaan van de ouders, (overeenkomstig rov. 4.11 van het als productie 4 bij het hoger beroepschrift van de zoon overgelegde vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 juni 2011) voor rekening van de man (zullen) komen en dat overigens door de vrouw betaalde premies (blijkens een aantal, bij genoemd verweerschrift gevoegde producties) zijn gestorneerd en vervolgens reeds door de man zijn betaald. Volgens het proces-verbaal van de zitting van 13 april 2012 (p. 3) heeft de advocaat van de man met betrekking tot de bedoelde, beweerdelijk reeds door de man verrichte premiebetalingen verklaard dat “(h)ij (de man; LK) bankafschriften bij zich (heeft) om aan te tonen dat hij de premie heeft voldaan.” De advocaat van de moeder heeft (blijkens het gestelde op p. 4 bezwaar gemaakt tegen het alsnog overleggen van de bankafschriften omdat dit “eerder (had) kunnen worden gedaan”, welk bezwaar het hof kennelijk heeft gehonoreerd. Bij die stand van zaken acht ik het oordeel van het hof, dat kennelijk doorslaggevend heeft geacht dat uit de door de vrouw bij het verweerschrift in hoger beroep overgelegde bankafschriften blijkt dat zij de premie voor de levensverzekering heeft voldaan van augustus 2010 tot en met december 2011, onvoldoende gemotiveerd. De zoon heeft de betrokken incidentele grief van de vrouw gedocumenteerd bestreden. De overgelegde brieven in verband met de gestelde storneringen van de verzekeraar (productie 12 bij het verweerschrift in het incidentele appel) roepen inderdaad twijfel op over de betekenis van het door de vrouw als productie 3 bij het verweerschrift in hoger beroep tevens incidenteel appel overgelegde overzicht van betalingen aan de verzekeraar, welk overzicht overigens slechts de afschrijvingen van de rekening van de vrouw naar de betrokken tegenrekening betreft. Om een voorbeeld te noemen: de door de zoon overgelegde brief van de verzekeraar van 4 juni 2011 betreft de premie met als vervaldatum 1 mei 2011. Volgens het overzicht van de vrouw zou die premie op 4 mei 2011 zijn betaald. Waar de verzekeraar een maand later klaagt dat het betreffende bedrag niet kon worden geïncasseerd, omdat “U (…) niet accoord (gaat) met de afschrijving”, is dat minst genomen een sterke aanwijzing voor stornering, hetgeen op zichzelf reeds impliceert dat het betreffende bedrag niet ten laste van de vrouw is gekomen. Als sluitstuk op het verweer van de zoon hadden de door het hof kennelijk geweigerde bankafschriften kunnen dienen, maar, wat overigens van die weigering zij, ook zonder die bankafschriften had de zoon voldoende gesteld en aannemelijk gemaakt dat niet, althans niet zonder nadere motivering, ervan kan worden uitgegaan dat de bedoelde premies de draagkracht van de vrouw verminderen.

2.21

Onderdeel IV betreft de doorwerking van de voorgaande klachten bij het welslagen daarvan in de rov. 11 en 19.

2.22

Als een of meer van de voorgaande klachten slagen, kunnen inderdaad ook de genoemde rechtsoverwegingen niet (zonder meer) in stand blijven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie de feiten, vermeld op p. 2 van de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 september 2011, waarvan blijkens p. 2 van de bestreden beschikking ook het hof is uitgegaan.

2 Zie het Rapport alimentatienormen, versie januari 2013, p. 9, onder “Jongmeerderjarigen”.

3 Wordt de achttienjarige leeftijd bereikt op de eerste dag van een kalenderkwartaal, dan stopt de kinderbijslag onmiddellijk.

4 Zie het Rapport alimentatienormen, versie januari 2013, p. 22, onder 7 (“Ander netto inkomen”) sub e.

5 Ik ontleen dit bedrag (en het totale bedrag van € 746,90 aan studiefinanciering voor de thuiswonende student in het hoger onderwijs) aan tabel 11.1 (“Normbedragen studiefinanciering per maand in euro’s”), Kamerstukken II 2012/13, 33 400 VIII, nr. 2, p. 61 (Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2013).

6 Vgl. art. 1:402 lid 1 BW; vgl. voorts HR 1 februari 2002, LJN: AD6631, NJ 2002, 185.

7 Vgl. HR 14 april 2006, LJN: AU8971, NJ 2006, 257; HR 9 oktober 2009, LJN: BI9288, NJ 2009, 489.