Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:29

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-06-2013
Datum publicatie
16-07-2013
Zaaknummer
13/02630
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:105, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling; art. 288 lid 1, onder b en c, Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/384
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/02630

Mr. L. Timmerman

Zitting 14 juni 2013

Conclusie inzake:

[verzoeker],

verzoeker tot cassatie

1. Feiten en procesverloop 1

1.1 Verzoeker heeft op 11 juli 2012 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Rotterdam tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De totale schuldenlast bedraagt € 37.400,39. Verzoeker is op 10 oktober 2012 over zijn verzoek gehoord.

1.2 De rechtbank wees het verzoek bij vonnis van 31 oktober 2012 af. Zij was van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat verzoeker thans reeds in staat is zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen over een langere tijd naar behoren na te komen. Niet gebleken is dat de alcoholverslaving van verzoeker al enige tijd onder controle is. Ter zitting verklaarde verzoeker nog opgenomen te zijn in een verslavingskliniek waaruit hij de volgende dag zou worden ontslagen; na zijn ontslag zou volgens verzoeker moeten blijken of hij zijn verslaving onder controle heeft.

Voorts achtte de rechtbank onvoldoende aannemelijk dat verzoeker te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf haar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend. De schulden aan het CJIB zijn naar hun aard niet te goeder trouw, evenals de schuld aan Achmea terzake het in beschonken toestand aanbrengen van schade aan de auto van een derde. Het onbetaald laten van deze schuld achtte de rechtbank bovendien verwijtbaar. Ook ten aanzien van de schulden aan het UWV en de Belastingdienst is niet komen vast te staan dat zij te goeder trouw zijn ontstaan.

1.3 Verzoeker is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof Den Haag. De mondelinge behandeling vond plaats op 14 mei 2013. Het hof heeft het vonnis bij arrest van 31 oktober bekrachtigd.

2. Ontvankelijkheid

2.1 Het cassatieberoep is bij verzoekschrift van 28 mei 2013, dus tijdig, ingesteld.

2.2 Middel 1 komt op tegen het oordeel van het hof dat het nog te vroeg is om te concluderen dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden, in het bijzonder de alcoholverslaving, onder controle heeft gekregen en dat sprake is van een stabiele situatie.

De rechtsklachten die het middel aanvoert, zijn onvoldoende specifiek om tot cassatie te leiden, en falen bovendien reeds omdat de overwegingen van het hof getuigen van een juiste rechtsopvatting2.

Het hof stoelt het bestreden oordeel op de overwegingen dat uit het 'verslag neuropsychologisch onderzoek' van GGZ Delfland van september 2012 blijkt dat sinds 2004 sprake is van alcoholmisbruik en dat er enkele malen een terugval is geweest, kennelijk van dien aard dat (herhaalde) opname nodig is geweest. Dit gegeven in combinatie met de huidige relatief korte periode van abstinentie, maakt dat het hof er nog onvoldoende van overtuigd was dat verzoeker niet opnieuw zal terugvallen in overmatig alcoholgebruik en dat de verslaving (en de evt. onderliggende problematiek) geen belemmering vormt voor een behoorlijke uitvoering van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De verklaring van [betrokkene], sociaal psychiatrisch verpleegkundige bij GGZ Delfland, maakte dit volgens het hof niet anders, nu daarin enkel is vermeld dat verzoeker “in zorg is bij GGZ Delfland” en verder wordt gewezen op (mogelijke) psychosociale problematiek. Deze overwegingen kunnen het – in hoge mate feitelijke – oordeel dragen.

2.3 Nu het eerste middel faalt, blijft overeind dat onvoldoende aannemelijk is dat verzoeker in staat is zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen over een langere tijd naar behoren na te komen. Aan de imperatieve toewijzingseis van art. 288 lid 1 sub c Fw is derhalve niet voldaan. Het tweede en derde middel behoeven verder niet te worden behandeld.

Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Voor zover in cassatie relevant; zie het p-v van mondelinge behandeling van 10 oktober 2012 bij de rechtbank Rotterdam, het vonnis van deze rechtbank van 31 oktober 2012 alsmede het bestreden arrest van 21 mei 2013.

2 Zie m.n. de Minister in Handelingen I, 30 958, d.d. 22 mei 2007.