Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2665

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-10-2013
Datum publicatie
07-03-2014
Zaaknummer
13/04992
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:510, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Klachtprocedure ex art. 13a RO. Klachten over een AG bij de HR wegens een door hem geschreven column in het Nederlands Juristenblad (NJB). 1. Ontvankelijkheid klacht. 2. Klacht ongegrond: gedraging van de AG kan i.c. niet worden aangemerkt als onbehoorlijk gedrag in de zin van art. 13f, lid 1, RO.

Ad 1. Klagers kunnen worden ontvangen in hun klachten. De "uitoefening van zijn functie" als bedoeld in art. 13a, lid 1, RO omvat ook de naleving van de normen die zien op het publieke gedrag van de rechterlijk ambtenaar, zodat daarover op de voet van art. 13a RO kan worden geklaagd. Dat de AG zijn handelen omschrijft als het uiten van een privémening staat aan de ontvankelijkheid van de klacht niet in de weg.

Ad 2. De AG heeft zich in de gewraakte column niet rechtstreeks uitgelaten over concrete juridische kwesties in aanhangige of nog te voeren procedures. Omdat hij zijn column schreef als redacteur van het NJB was zijn bijdrage voor het lezerspubliek onmiskenbaar een bijdrage op persoonlijke titel aan het juridisch-wetenschappelijk discours en gold zijn mening niet als die van het parket waarvan hij deel uitmaakt. Omdat het hier een debat-prikkelende uiting van de AG betreft, die onvoldoende verband houdt met concrete geschillen, is de vrees van de klagers dat rechters hierdoor tot een voor hen ongunstige beslissing zullen komen, niet gerechtvaardigd. Klacht ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2014/132
Verrijkte uitspraak

Conclusie

KPPG 12.03

Voordracht en vordering als bedoeld in Hoofdstuk 2, afdeling 1a (Klachtbehandeling door de Hoge Raad) van de Wet op de rechterlijke organisatie.

1. De gedraging en de daartegen gerezen klacht

1.1. Op 17 september 2012 heeft mr. J.F. Ouwehand namens zijn cliënte OOO Promneftstroy (hierna klaagster) zich tot mij gewend met een klacht tegen [betrokkene], advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden. De klacht betreft een publicatie van [betrokkene] getiteld “Punitive psychiatry – punitive taxation?” in het Nederlands Juristenblad (verder: NJB) van 10 augustus 2012. Over dezelfde publicatie zijn later nog twee klachten ingediend. Kort samengevat komen de klachten erop neer dat [betrokkene] ten onrechte het faillissement van de oliemaatschappij Yukos Oil heeft gekwalificeerd als onteigening zonder vergoeding, terwijl in Nederland procedures aanhangig zijn waarin onder meer de vraag aan de orde is of de faillietverklaring van Yukos Oil in Nederland kan worden erkend. De verschillende klagers zijn partij in diverse van die procedures en vrezen dat de in de publicatie verwoorde visie van [betrokkene] een voor klagers negatieve invloed zal hebben op de uitkomst van deze procedures.

1.2. In zijn “Vooraf” in het NJB van 10 augustus 2012 betoogt [betrokkene] dat de machthebbers in Rusland en China tegenwoordig het belastingrecht gebruiken om burgers die zich niet in hun systeem willen schikken, te straffen. Hij noemt een tweetal zaken ter illustratie van deze stelling. Een van deze zaken betreft de heer Khodorkovsky en diens voormalige bedrijf Yukos Oil. Hierover schrijft [betrokkene] onder meer:

“Maar de belangrijkste opvolger van de punitive psychiatry lijkt in het huidige oligarchische graaiklimaat niet zozeer het strafrecht, als wel het belastingrecht. De heer Khodorkovsky zong geen anti-Poetinliedjes. Hij was een slimme oligarch die op dubieuze wijze grootschalig geprofiteerd had van de chaotische privatisering na de val van het communisme. Hij was een van de rijkste mensen ter wereld, vooral door zijn belangen in oliemaatschappij Yukos. Hij had ook politieke ambities en kritiseerde het corruptiesysteem. Hij was hinderlijk. Hij werd aangehouden en verhoord onder volgens het Straatsburgse Hof valse voorwendsels (voetnoot 1: EHRM 31 mei 2011, nr. 5829/04 (Khodorkovsky v Russia)) en zit momenteel nog steeds voor belastingfraude en andere economische delicten. Aan Yukos werden aanslagen opgelegd ad 28 miljard dollar (voor een van de boekjaren meer dan 110% van de winst, hoewel bedrijven in Staatshanden geen fractie daarvan betaalden), gevolgd door beslaglegging en veilingverkoop van Yukos’ activa ver beneden de waarde aan – uiteindelijk, via schimmige omwegen – de Staatsoliemaatschappij Rosneft. Door gedwongen premature executieverkoop van zijn belangrijkste productiebedrijf werd Yukos’ betalingscapaciteit vernietigd, terwijl minder ingrijpende invordering evident mogelijk was. (voetnoot 2: EHRM 20 september 2011, nr. 14902/04 (OAO Neftyanaya Kompaniya Yukos v. Russia) De autoriteiten eisten betaling, maar hun beslag maakte die onmogelijk. Zij hadden daarom ook nog boeten ad € 1,15 miljard opgelegd, die vóór de belasting betaald moesten worden, maar waarvan betaling verboden was onder het beslag. De boete was opgelegd buiten de wettelijke termijn, maar het Russische Hof waar Yukos die onwettige boete-oplegging aanvocht, creëerde ter plekke een uitzondering voor belastingontduikers.

Met Khodorkovski en Yukos hoeft men wellicht geen medelijden te hebben, al wordt Khodorkovsky inmiddels algemeen erkend als politieke gevangene en gesteund door Amnesty International en mensenrechtenactivisten, maar de naam van belastingheffing als middel tot onteigening zonder vergoeding en tot decenniumlange opberging van politieke tegenstanders was gevestigd. Als dissidenten of politieke tegenstanders de macht bedreigen, is dat niet meer een blijk van geestesziekte, maar van opzet op fiscale en economische delicten ten nadele van de macht.”

1.3. Klaagster is een Russische vennootschap die op een van de veilingen in het kader van de afwikkeling van het faillissement van Yukos Oil aandelen heeft gekocht in de Nederlandse dochtervennootschap Yukos Finance B.V. De aandelen in klaagster worden gehouden door niet-Russische investeerders. Zij had en heeft geen enkele relatie met Russische overheidsinstanties of –bedrijven. Klaagster is verwikkeld in een aantal procedures waarin de geldigheid van de eigendomsoverdracht van de aandelen en de geldigheid van het faillissement van Yukos Oil een rol spelen. Volgens klaagster heeft [betrokkene] in zijn column een onjuiste interpretatie gegeven van de gang van zaken in Rusland met betrekking tot Yukos Oil en onjuiste en eenzijdige conclusies getrokken uit het arrest van het EHRM in de zaak die Yukos Oil aanhangig had gemaakt tegen de Russische Federatie over de geldigheid van de naheffing van diverse belastingen en de invordering ervan. Zo stelt [betrokkene] in zijn column dat “de naam van belastingheffing als middel tot onteigening zonder vergoeding (…) was gevestigd”, terwijl het EHRM nu juist heeft vastgesteld dat er geen sprake was van onteigening en politieke motieven. Ook heeft het EHRM vastgesteld dat het oordeel van de Russische rechter dat er sprake was van langdurige en grootschalige belastingfraude door Yukos Oil noch arbitrair noch onredelijk was.

1.4. Klaagster meent dat [betrokkene], die lid is van het parket bij de Hoge Raad, hier ten onrechte op persoonlijke titel zijn visie heeft gegeven op het faillissement van Yukos Oil, nu de gang van zaken met betrekking tot dat faillissement en de daarmee samenhangende vraag of het faillissement van Yukos Oil in Nederland kan worden erkend, onderdeel zijn van het partijdebat in diverse in Nederland aanhangige procedures waarin klaagster als partij betrokken is. Klaagster vreest dat de in de column verwoorde visie van [betrokkene] een voor klaagster negatieve invloed zal hebben op de uitkomst van deze thans lopende procedures. Volgens klaagster heeft [betrokkene] hiermee gehandeld in strijd met artikel 7 van de Gedragscode Rechtspraak (“Medewerkers van de Rechtspraak realiseren zich dat privégedrag en het publiekelijk uiten van privémeningen het vertrouwen in de Rechtspraak kunnen schaden”) en artikel 2.5.4 van de NVvR-rechterscode (“Hij (P-G: de rechter) spreekt zich daarom in elk geval niet publiekelijk uit over zaken waarover nog een rechterlijke beslissing moet worden gegeven”).

2. De interne en externe klachtbehandeling

Tijdens de interne klachtenprocedure heeft klaagster haar klacht via haar raadslieden mondeling toegelicht op 5 december 2012. Op 6 december 2012 is [betrokkene] door mij gehoord. Een toelichting in de andere klachtzaken over deze column is gegeven op 16 januari 2013. Vervolgens is door mij een klachtadviescommissie ingesteld bestaande uit de mrs. W.D.H. Asser, D.J. van Dijk en P. van Dijk. De commissie heeft geadviseerd de klachten ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Op 23 mei 2013 heb ik mijn beslissing op de klacht genomen en deze aan klaagster, [betrokkene] en de leden van de klachtadviescommissie gestuurd. Ik kom in mijn beslissing tot de conclusie dat [betrokkene] zich niet onbehoorlijk of klachtwaardig heeft gedragen jegens klaagster. Bij schrijven van 23 mei 2013 heb ik de klaagster en [betrokkene] meegedeeld dat ik voornemens was de klacht ambtshalve voor te leggen aan de Hoge Raad. Dit vanwege het zaak-overstijgend belang van deze kwestie en het feit dat de klachtadviescommissie de klacht anders heeft beoordeeld. Bij schrijven van 14 juni 2013 heeft klaagster aangegeven in te stemmen met het indienen van de vordering en heeft zij tevens zelf een verzoek gedaan tot het instellen van een vordering bij de Hoge Raad tot het doen van een onderzoek naar de gedraging van [betrokkene].

Op 16 september 2013 heb ik klaagster en [betrokkene] een concept van deze vordering toegezonden. Bij brief van 30 september 2013 heeft klaagster laten weten dat zij zich kan vinden in de concept-vordering en mij gevraagd twee zinnen in te voegen na de eerste zin van paragraaf 1.3 van de vordering. Op 2 oktober 2013 heb ik klaagster schriftelijk laten weten dat ik gehoor geef aan dit verzoek. Voorts heb ik haar bijgaande inventarislijst toegezonden.

3. De ontvankelijkheid van de klacht

3.1. Ingevolge de externe klachtenregeling, vervat in de artikelen 13a-13g van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO), kan worden geklaagd over de wijze waarop een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast zich in de uitoefening van zijn functie jegens de klager heeft gedragen.

De artikelen 13a–13g RO worden in artikel 120 lid 4 RO van overeenkomstige toepassing verklaard op de leden van het parket bij de Hoge Raad.

3.2. De ontvankelijkheidsvereisten van de externe en de interne klachtenregeling komen qua formulering niet geheel overeen. In artikel 2.1 van de Klachtenregeling van het parket van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden wordt bepaald dat een ieder het recht heeft bij de procureur-generaal een klacht in te dienen over de wijze waarop het parket of een lid van het parket zich “in een bepaalde aangelegenheid” jegens hem heeft gedragen. Artikel 13a lid 1 RO van de externe klachtenregeling houdt, zoals hiervoor gezegd, in dat degene die een klacht heeft over de wijze waarop een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast zich “in de uitoefening van zijn functie” jegens hem heeft gedragen, de procureur-generaal kan verzoeken een vordering bij de Hoge Raad in te stellen tot het doen van een onderzoek naar de gedraging. Door de zinsnede “in de uitoefening van zijn functie” lijkt de regeling van het externe klachtrecht scherper afgebakend dan de interne regeling.

3.3. In mijn beslissing d.d. 23 mei 2013 ben ik ingegaan op de betekenis van de zinsnede “in een bepaalde aangelegenheid” uit artikel 2.1 van de interne klachtenregeling, een zinsnede die is ontleend aan artikel 9:1 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit de toelichting op de regeling van het klachtrecht in de Awb (TK 1997-1998, 25 837, nr. 3, p. 12-13) en de toelichting op de in artikel 26 RO bedoelde interne klachtenregeling voor de gerechten (TK 1999–2000, 27 181, nr. 3, p. 50) volgt dat op de interne klachtenregeling gebaseerde klachten betrekking moeten hebben op aangelegenheden van de organisatie waarover wordt geklaagd. Klachten over gedragingen van rechterlijke ambtenaren in hun privésituatie vallen buiten de regeling.

3.4. De vraag of de klacht in deze zaak valt binnen de reikwijdte van de Klachtenregeling van het parket van de Procureur-Generaal, in het bijzonder of gesproken kan worden van een gedraging van [betrokkene] in een bepaalde aangelegenheid jegens klaagster, heb ik in mijn beslissing van 23 mei 2013 bevestigend beantwoord. Dat [betrokkene] zijn uitlatingen niet heeft gedaan in zijn hoedanigheid van advocaat-generaal maar als lid van de redactie van het NJB, neemt naar mijn mening niet weg dat zijn in die column verwoorde visie op het faillissement van Yukos niet los kan worden gezien van zijn functie van advocaat-generaal in het parket bij de Hoge Raad. Klaagster kon er redelijkerwijs van uitgaan dat de column ook de opvatting van de advocaat-generaal [betrokkene] weergeeft.

Het parket bij de Hoge Raad neemt ten opzichte van de rechtspraak een bijzondere positie in. In zaken waarin beroep in cassatie wordt ingesteld nemen de advocaten-generaal een conclusie. Deze taak van het parket bij de Hoge Raad brengt mee dat uitlatingen door leden van het parket over concrete bij de gerechten in behandeling zijnde zaken in beginsel moeten worden beschouwd als gedragingen “in een bepaalde aangelegenheid” in de zin van de Klachtenregeling van het parket. Indien een klager een concreet belang heeft bij de zaken waarover de uitlatingen zijn gedaan, is sprake van een gedraging “jegens hem”.

Nu de klacht verwijst naar enerzijds de positie van klaagster als partij in procedures waarin de geldigheid van het faillissement van Yukos Oil een rol kan spelen en naar anderzijds de uitlatingen van [betrokkene] die gaan over de heer Khodorkovsky en de ondergang van diens bedrijf Yukos Oil, komt de klacht erop neer dat hier sprake is van een gedraging in een bepaalde aangelegenheid jegens klaagster. Ik heb om die reden klaagster ontvankelijk geacht in haar klacht in de interne klachtenprocedure.

3.5. In deze externe klachtenprocedure speelt echter de vraag of gezegd kan worden dat hier wordt geklaagd over de wijze waarop [betrokkene] zich “in de uitoefening van zijn functie” jegens de klager heeft gedragen.

3.6. In de wetsgeschiedenis van de Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie (Stb. 2011, 255) is geen uitleg te vinden over de zinsnede “in de uitoefening van zijn functie”. Ook in de wetsgeschiedenis van de daarvoor geldende bepaling waarin het klachtrecht werd geregeld (van 1982 tot 2002 was dat artikel 14a Wet RO),waarin sprake was van “in de uitoefening van zijn bediening”, wordt niet ingegaan op de betekenis van deze zinsnede.

Wel wordt in de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie, TK 2008-2009, 32 021, nr. 3, het een en ander opgemerkt over het verband tussen het intern en het extern klachtrecht. Zo wordt daarin op p. 28 naar aanleiding van het advies van de president van en de procureur-generaal bij de Hoge Raad om ten aanzien van gedragingen van leden van (het parket bij) de Hoge Raad alleen het intern klachtrecht toepasselijk te laten zijn en de toepasselijkheid van de externe klachtenprocedure te beperken tot gevallen waarin de procureur-generaal op grond van het nieuwe artikel 13c ambtshalve een vordering bij de Hoge Raad instelt tot het doen van een onderzoek naar een gedraging, onder meer opgemerkt:

“Dit advies is in dit wetsvoorstel niet overgenomen, ten eerste omdat het van belang is dat er ook met betrekking tot gedragingen van rechterlijke ambtenaren voor burgers wordt voorzien in een volwaardige klachtenprocedure, bestaande uit zowel een interne klachtenprocedure als de mogelijkheid van extern klachtrecht, en de wenselijkheid hiervan niet anders is ten aanzien van gedragingen van rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij de rechtbanken en de gerechtshoven als voor gedragingen van rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij (het parket bij) de Hoge Raad.”

Voorts staat in de toelichting op artikel 13c (p.32):

“Dit is een nieuwe bepaling, die zeker stelt dat de procureur-generaal ook ambtshalve bij de Hoge Raad een vordering kan instellen tot het doen van een onderzoek naar de wijze waarop een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast zich in de uitoefening van zijn functie heeft gedragen. Zo’n geval kan zich bijvoorbeeld voordoen als de procureur-generaal het wenselijk vindt om ook met het oog op de toekomst het standpunt van de Hoge Raad te vernemen over een gedraging waarover geen klacht is ingediend, noch bij het desbetreffende gerecht, noch bij de procureur-generaal zelf. Maar ook kan een oordeel van de Hoge Raad wenselijk zijn over een gedraging die wel in de interne klachtprocedure is behandeld en daar tot een gegrond- of ongegrondverklaring heeft geleid. De toezichthoudende taak van de Hoge Raad, bedoeld in artikel 116, vierde lid, van de Grondwet, kan met deze ambtshalve bevoegdheid worden versterkt.”

Uit deze passages kan worden opgemaakt dat de wetgever intern en extern klachtrecht als één geheel beschouwde; samen vormen de procedures een volwaardige klachtenprocedure. Gelet hierop ligt het in de rede om het bereik van de interne en de externe procedure zoveel mogelijk gelijk te doen zijn.

3.7. De Hoge Raad heeft zich in een aantal klachtzaken uitgelaten over het bereik van de externe klachtenregeling. In zijn arrest van 5 februari 1991 (LJN: AB9044, NJ 1991/688 m.nt. ThWvV), een zaak waarin werd geklaagd over de gedraging van een persrechter, overwoog de Hoge Raad onder meer het volgende:

“dat de woorden 'in de uitoefening van zijn bediening' in art. 14a e.v. Wet RO moeten worden verstaan als omvattende alle gedragingen door een lid van de rechterlijke macht, als zodanig, verricht, waaronder valt het optreden als persrechter met betrekking tot de berichtgeving over een, bij de rechtbank waar hij als zodanig fungeert aanhangige, strafzaak.”

Dat de Hoge Raad dit “als zodanig verricht” en daarmee “in de uitoefening van zijn bediening” ruim opvat kan worden afgeleid uit HR 22 juni 1994, LJN: AD2127, NJ 1997, 338. In die zaak werd door de hoofdredacteur van een nieuwsbrief over belastingen geklaagd over de wijze waarop een raadsheer in een hof zich had gedragen met betrekking tot het toezenden van uitspraken van het hof. De raadsheer wenste een vergoeding voor het door hem selecteren en vervolgens blinderen van uitspraken van het hof ten behoeve van deze nieuwsbrief. De Hoge Raad oordeelde dat de klacht gegrond was voor zover de raadsheer een vergoeding had bedongen voor het blinderen van arresten, omdat de kosten van het blinderen waren begrepen in de vergoeding die krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken aan het gerecht moest worden betaald voor de toezending van afschriften van uitspraken. De klacht over het bedingen van een vergoeding voor het selecteren van uitspraken werd niet gegrond geoordeeld. Gelet op het feit dat de Hoge Raad de klacht ontvankelijk achtte, terwijl de gedraging niet een ambtshandeling betrof, leid ik uit deze beslissing af dat de Hoge Raad “in de uitoefening van zijn bediening” ruim uitlegt.

3.8. Dat de Hoge Raad een ruim bereik van de externe klachtenprocedure voorstaat blijkt ook uit HR 6 maart 2013, LJN: BZ3450. In die zaak achtte de Hoge Raad een klacht tegen gedragingen van een gerechtsbestuur ontvankelijk en verwierp hij het verweer van het bestuur van de rechtbank dat de klacht buiten de klachtenregeling ex artikel 13a e.v. RO viel met de volgende overwegingen:

“4.2 Bij de beoordeling van deze verweren stelt de Hoge Raad voorop dat art. 13a e.v. RO voorziet in een regeling van de behandeling door de Hoge Raad van klachten over de wijze waarop een rechter zich in de uitoefening van zijn functie als rechterlijk ambtenaar jegens de klager heeft gedragen en dat de tweede volzin van art. 13f lid 1 RO ("De Hoge Raad kan tevens beoordelen of het betrokken gerechtsbestuur zich al dan niet behoorlijk heeft gedragen.") er niet op duidt dat de wetgever heeft willen regelen dat de Hoge Raad ook gedragingen van een gerechtsbestuur zal beoordelen die niet in verband staan met de interne behandeling door dat bestuur op de voet van art. 26 RO van een klacht over de wijze waarop een rechter zich in de uitoefening van zijn functie als rechterlijk ambtenaar heeft gedragen.

4.3 Niettemin oordeelt de Hoge Raad de klacht ontvankelijk. Hiertoe wordt het volgende overwogen. Klaagster klaagt, kort gezegd, erover dat het Bestuur is ingegaan op een verzoek om uitleg te geven aan een vonnis dat gewezen is door drie rechters in het gerecht met de algemene leiding, de organisatie en de bedrijfsvoering waarvan het Bestuur is belast. Het geven van uitleg aan beslissingen die gegeven zijn door met rechtspraak belaste rechterlijke ambtenaren uit de eigen rechtbank behoort niet tot de taken van een gerechtsbestuur als opgesomd in art. 23 lid 1 RO. Dat brengt mee dat het in de art. 36-39 RO geregelde toezicht van de Raad voor de rechtspraak op gerechtsbesturen niet voorziet in toezicht op handelingen als die waarover klaagster heeft geklaagd. Gezien de hiervoor in 3 onder (vii) bedoelde brief van de Voorzitter van de Raad voor de rechtspraak van 27 juni 2011 is dit kennelijk ook het standpunt van die Raad. Gerechtsbesturen vallen, zoals de Procureur-Generaal in zijn voordracht onder 4.8 stelt, ook niet onder het begrip bestuursorgaan van de Algemene wet bestuursrecht, zodat dus ook geen externe klachtmogelijkheid ingevolge die wet bestaat wanneer het gaat om klachten als de onderhavige.

4.4 De Hoge Raad acht het ongewenst dat geen enkele instantie bevoegd zou zijn dergelijke klachten inhoudelijk te behandelen. Daarbij acht de Hoge Raad het, evenals de Procureur-Generaal, en om redenen, uiteengezet in de nrs. 4.10-4.17 van diens voordracht, aangewezen dat hij zelf oordeelt over de behoorlijkheid van gedragingen van gerechtsbesturen als in dit geval aan het Bestuur verweten. De Hoge Raad zal daarom gevolg geven aan de vordering van de Procureur-Generaal en de behoorlijkheid van de door klaagster aan het Bestuur verweten gedraging onderzoeken.”

3.9. Uit deze jurisprudentie blijkt dat de Hoge Raad zijn taak tot het doen van onderzoek in het kader van de externe klachtenprocedure tot nu toe ruim heeft opgevat. Nu de gedraging waarover wordt geklaagd naar mijn mening niet los kan worden gezien van de functie van [betrokkene] als advocaat-generaal en het voor de rechtspraktijk van groot belang is dat duidelijkheid wordt verschaft over de vraag die in deze zaak aan de orde wordt gesteld, ben ik van mening dat het wenselijk is dat de Hoge Raad oordeelt dat de klacht binnen het bereik van de artikelen 13a e.v. RO valt en de klacht onderzoekt.

4. De vordering

Gelet op het voorgaande vorder ik dat de Hoge Raad een onderzoek instelt naar de in de klacht aan de orde gestelde gedraging van [betrokkene] en zijn oordeel uitspreekt over die gedraging. De stukken van deze zaak leg ik over overeenkomstig de bijgevoegde inventarislijst.

5. De motivering

5.1. Hierboven ben ik reeds uitgebreid ingegaan op het standpunt van klaagster. Kort gezegd is klaagster van mening dat [betrokkene] zich had dienen te onthouden van het publiceren van een artikel waarbij een interpretatie wordt gegeven van de gang van zaken in Rusland met betrekking tot Yukos Oil terwijl diezelfde gang van zaken nog onderwerp van het debat is in diverse in Nederland aanhangige procedures. Volgens klaagster heeft [betrokkene] gehandeld in strijd met artikel 7 van de Gedragscode Rechtspraak en artikel 2.5.4. van de NVVR-rechterscode. Daar komt, aldus klaagster, nog bij dat [betrokkene] onjuiste en eenzijdige conclusies trekt uit het door hem aangehaalde EHRM-arrest.

5.2. [betrokkene] is van mening dat hij zich niet heeft uitgelaten over zaken waarover nog een beslissing moet worden gegeven. Hij heeft slechts iets geschreven over procedures inzake Yukos en Khodorkovsky die, gelet op het feit dat het Hof in Straatsburg klachten over die procedures in 2011 heeft behandeld, al jaren geleden moeten zijn geëindigd. Wat hij heeft geschreven valt volgens [betrokkene] onder zijn vrijheid van meningsuiting. [betrokkene] was er niet van op de hoogte dat in Nederland nog zaken liepen waarin het faillissement van Yukos Oil een rol speelt. Hij kan zich niet voorstellen dat zijn column enige invloed kan hebben op de oordeelsvorming van het hof of de civiele kamer van de Hoge Raad. Hij heeft naar zijn mening niet in strijd met de codes gehandeld.

5.3. De klachtadviescommissie heeft overwogen dat de uitlatingen van [betrokkene] als onwenselijk moeten worden aangemerkt. De uitlatingen houden verband met zaken die nog aanhangig zijn bij de Hoge Raad en bevatten een subjectieve mening over feitelijke- en rechtsvragen welke in die – en mogelijk in een later stadium nog bij de Hoge Raad dienende – zaken aan de orde kunnen zijn. Gelet op de positie van [betrokkene] bij de Hoge Raad kunnen deze uitlatingen voor klagers een gerechtvaardigde reden vormen te twijfelen aan de onpartijdigheid van de behandeling van hun zaken bij de Hoge Raad en het vertrouwen in de rechtspraak schaden, als bedoeld in artikel 7 van de Gedragscode Rechtspraak. De commissie is derhalve van oordeel dat [betrokkene] zich had dienen te onthouden van opiniërend commentaar op genoemde kwestie zolang er zaken bij de Hoge Raad aanhangig zijn die daarmee verband houden. Artikel 7 van de Gedragscode Rechtspraak houdt volgens de commissie een gerechtvaardigde beperking in van het recht op vrije meningsuiting. De commissie acht het niet van belang dat [betrokkene] niet wist dat er nog procedures met betrekking tot deze kwestie bij de Hoge Raad aanhangig waren, zijn of zouden worden aangezien hij dit had kunnen en moeten weten en hij zich daaromtrent zonder veel moeite had kunnen informeren. De commissie merkt ten overvloede nog op dat klagers terecht erop wijzen dat [betrokkene] de uitspraak van het EHRM onvolledig heeft weergegeven en uit die uitspraak een onjuiste conclusie heeft getrokken.

5.4. Ik heb in mijn beslissing op de klacht onder meer overwogen dat in zijn algemeenheid het enkele feit dat een lid van een rechterlijk college of, zoals hier, het parket bij de Hoge Raad zijn mening heeft gegeven over een kwestie die in een bepaalde zaak speelt, niet betekent dat redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan een eerlijke en onpartijdige behandeling van de desbetreffende zaak door dat gerecht of het parket. In dat verband wees ik voorts op het feit dat een verschil bestaat tussen de positie van de raadsheer in de Hoge Raad en die van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad. Advocaten-generaal hebben geen rechtsprekende taak en partijen hebben de mogelijkheid om via de zogenoemde Borgersbrief te reageren op de conclusie van de advocaat-generaal voordat de Hoge Raad zijn beslissing neemt. De omstandigheid dat een advocaat-generaal zich heeft uitgelaten, bijvoorbeeld in een tijdschriftartikel, over een juridisch probleem dat vervolgens blijkt te spelen in een zaak die in behandeling komt bij de Hoge Raad, betekent niet dat deze advocaat-generaal geen conclusie zou mogen nemen in die zaak. Het ligt immers in de rede dat advocaten-generaal kunnen deelnemen aan het juridisch discours ook op het terrein waarop zij uit hoofde van hun specialistische kennis conclusies nemen.

Verder achtte ik het van belang dat de column van [betrokkene] niet gaat over de Yukos-zaken in Nederland en de feitelijke en rechtsvragen die in die zaken moeten worden beantwoord. De aard van de column (het is een stuk dat tot een discussie wil oproepen) en de hoedanigheid waarin de column is geschreven – lid van de redactie van het desbetreffende tijdschrift - geven geen aanleiding te veronderstellen dat [betrokkene] hier een binnen het parket gedeelde opvatting weergeeft. Dat de column gewicht in de schaal zou leggen bij de beoordeling van de juridische merites van de Yukos-zaken in Nederland, is dan ook moeilijk voor te stellen.

Voorts was ik van oordeel dat [betrokkene] niet heeft gehandeld in strijd met de in artikel 2.5.4. van de NVvR-rechtscode of de in artikel 7 van de Gedragscode Rechtspraak neergelegde gedragsnorm aangezien de publicatie van [betrokkene] niet gaat over de Yukos-zaken in Nederland en over de consequenties die de gang van zaken met betrekking tot het faillissement van Yukos voor de beslissing in die zaken zou moeten hebben. [betrokkene] heeft zich dus niet publiekelijk uitgelaten over zaken waarover nog een rechterlijke beslissing moet worden gegeven, maar slechts een column geschreven naar aanleiding van een door het EHRM gewezen arrest in de zaak Khodorkovsky v Russia.

Alles afwegende kwam ik tot de conclusie dat [betrokkene] zich niet onbehoorlijk of klachtwaardig heeft gedragen jegens klaagster.

5.5. Gelet op de het verschil in beoordeling van de klacht tussen de klachtadviescommissie en ondergetekende, lijkt het mij aangewezen dat de Hoge Raad een onderzoek instelt naar de in de klacht aan de orde gestelde gedraging van [betrokkene] en zijn oordeel uitspreekt over die gedraging.

’s-Gravenhage, 8 oktober 2013

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,