Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2630

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-12-2013
Datum publicatie
22-04-2014
Zaaknummer
12/05369
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:952, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Belediging. Art. 137c Sr. Onder “zich in het openbaar uitlaten” a.b.i. art. 137c, Sr, welke bepaling beoogt de openbare orde te beschermen, dient te worden verstaan “het ter kennis van het publiek brengen”. Bij de beantwoording van de vraag of daarvan sprake is komt het aan op de bijzondere omstandigheden van het geval. HR noemt omstandigheden die hiertoe - al dan niet in onderling verband en samenhang te beschouwen - kunnen behoren. I.c. gaat het om ongevraagd toegestuurde e-mailberichten door verdachte verspreid onder een groot aantal publieke personen uit de Tweede Kamer, politieke partijen, redacteuren van praatprogramma’s, advocaten, pers, televisieomroepen en andere organisaties. Het kennelijk oordeel van het Hof dat de bewezenverklaarde uitlatingen ter kennis van het publiek zijn gebracht, geeft niet blijk van een onjuiste opvatting van het delictsbestanddeel “zich in het openbaar uitlaten” a.b.i. art. 137c Sr. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Opmerking verdient nog dat het doen van discriminatoire uitlatingen met het opzet dat zij worden geopenbaard in het - zich hier niet voordoende - geval dat deze niet ter kennis van het publiek zijn gebracht als hiervoor bedoeld in beginsel kan worden beschouwd als een strafbare poging tot het begaan van het delict van art. 137c Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/05369

Mr. Harteveld

Zitting 17 december 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam, bij arrest van 29 oktober 2012 wegens de feiten onder 1, 2, 3, 4 en 5: “zich in het openbaar bij geschrift opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras en/of geloofsovertuiging, terwijl het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een gewoonte maakt” en feit 6: “eenvoudige belediging”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaren alsmede een taakstraf voor de duur van honderd uren, te vervangen door vijftig dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr naar de maatstaf als omschreven in het bestreden arrest. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2] toegewezen tot het bedrag van € 250,-- en aan de verdachte tevens de betalingsverplichting aan de Staat opgelegd tot het bedrag van € 250.

2. De verdachte heeft cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3.1. Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaringen van de feiten onder 1, 2, 3, 4 en 5, omdat het Hof deze ten aanzien van telkens het bestanddeel ‘in het openbaar’ als bedoeld in art. 137c Sr onvoldoende met redenen heeft omkleed.

3.2. Ten laste van de verdachte is onder de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaard dat:

“feit 1 :

hij op 05 maart 2011 tot en met 05 april 2011 te Amsterdam zich in het openbaar, bij geschrift,

opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of godsdienst, door een e-mail te verzenden naar [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en het CIDI en 45 andere geadresseerden met daarin ondermeer de tekst: "opdat jullie de joden duidelijk kunnen maken dat er geen plaats is in onze christelijke samenleving voor criminele misdadigers", terwijl verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt;

feit 2:

hij op 06 maart 2011 tot en met 06 april 2011 te Amsterdam zich in het openbaar, bij geschrift, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of godsdienst, door een e-mail te verzenden naar [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en het CIDI en 44 andere geadresseerden met daarin ondermeer de tekst: "verdom de joden en schop ze het land uit", terwijl verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt;

feit 3:

hij op 26 februari 2011 tot en met 11 april 2011 te Amsterdam, zich in het openbaar, bij geschrift, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of godsdienst, door een e-mail te verzenden naar [betrokkene 1] en [betrokkene 3] en 23 andere geadresseerden met daarin ondermeer de tekst: "waarom heb ik deze beelden niet op de tv in Nederland gezien??????????????????? omdat het jodentuig onze media beheerst! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! het wordt tijd dat wij Nederlanders van christus geboren erkennen een fout gemaakt te hebben toen wij onze

samenleving open hebben gesteld voor die achterbakse, drammerige joden (..)", terwijl verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt;

feit 4:

hij op 26 februari 2011 tot en met 1 1 april 201 1 te Amsterdam, zich in het openbaar, bij geschrift, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of godsdienst, door een e-mail te verzenden naar [betrokkene 1] en [betrokkene 3] en het CIDI en 23 andere geadresseerden met daarin ondermeer de tekst:"WORDT WAKKER EN SCHOP DE JODEN DIE ONS SCHULD AANPRATEN HET LAND UIT EN SLOOP ALLE INSTITUTEN DIE DIT SCHULDGEVOEL CULTIVEREN. ANNE FUCK HUIS, WESTERBORK FUCK, JOODS HISTORISCH FUCK ETC..ETC", terwijl verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt;

feit 5:

hij op 13 maart 2011 tot en met 13 april 2011 te Amsterdam, zich in het openbaar, bij geschrift, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun godsdienst en/of ras, door een e-mail te verzenden aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en het CIDI en 44 andere geadresseerden met daarin de tekst: "DEPROGRAMMEER JEZELF EN KOOP NIET MEER BIJ DE JODEN, BESPUUG ZE EN LAAT ZE WETEN DAT WIJ VIES ZIJN VAN DE JODEN.", terwijl verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt;”

3.3. De bewezenverklaring van de feiten 1 t/m 5 berust op de volgende door het Hof in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen:

Ten aanzien van feiten 1, 2, 3, 4 en 5

1. Een proces-verbaal aangifte met nummer 2011061874-1 van 11 maart 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [doorgenummerde pagina's 10-14].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 11 maart 2011 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Vanaf februari 2011 ontvang ik dagelijks haat mails. Deze mails worden verstuurd naar mijn persoonlijke mail. De mails staan vol met anti-Joodse/ anti-Semitische teksten. Mijn persoonlijke mail is: [betrokkene 1]@gmail.com. Ik zal kopieën van deze mails overhandigen.

Deze mails krijg ik van een persoon die als naam heeft: [verdachte] met als e-mail:

[verdachte]@hotmail.com. Ik kan in de verstuurde e-mails zien dat [verdachte] zijn e-mails niet altijd alleen naar mij verstuurt, maar ook vaak naar andere personen. Deze personen zijn dan voornamelijk politici en nieuwsredacties.

2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 5 juli 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina's 291-296].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 5 juli 2011 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:

Het klopt dat ik e-mails heb rondgestuurd waar mensen aanstoot aan hebben genomen.

Het klopt dat deze vanaf mijn computer zijn verzonden. Ik gebruik het e-mailadres:

[verdachte]@hotmail.com. Ik ben de enige gebruiker van dit e-mailadres. Ik verstuur deze e-mails aan politici, redacteuren van praatprogramma 's, advocaten. Ik stuur deze e-mails best wel aan veel mensen. Ik wilde ze wakker maken over de dingen die Wilders over de moslims roept. Ik wilde zoveel mogelijk mensen bereiken. Ik stuurde ook wel eens e-mails naar het CIDI. Ik wilde puur provoceren.

3. De in hoger beroep ter terechtzitting van 15 oktober 2012 door de verdachte afgelegde verklaring, inhoudende:

Ik heb de e-mails vanaf mijn woonadres verstuurd vanaf mijn computer.

Ten aanzien van feiten 1, 2, 4 en 5

4. Een geschrift, te weten een aangifte door Centrum Infonnatie en Documentatie Israël (CIDI) van 21 april 2011 [ongenummerd].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Hierbij doet het CIDI aangifte van hieronder genoemde, naar onze mening Strafbare uitingen en verzoeken wij om opsporing van de verspreider daarvan.

De verdachte, [verdachte], verstuurt al enige tijd e-mails naar een reeks afzenders, waaronder naast het CIDI, ministers, Kamerleden, kranten en omroepen. De frequentie en verzendlijst van zijn uitingen groeit. Gezien de brede verspreiding, onder meer naar media, en de beledigende inhoud vinden wij het belangrijk dat deze stroom ongevraagde toezending stopt. De volgende gegevens zijn over verdachte bekend: e-mailadres:

[verdachte]@hotinail.com.

Ten aanzien van feiten 1,2 en 5

5. Een proces-verbaal van verhoor aangever met nummer 2011126446 van 7 juni 2011 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina's 20-22].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 7 juni 2011 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:

Sinds begin 2011 ontvang ik e-mailberichten van ene [verdachte]. De e-mailberichten zijn erg beledigend voor mij. Hij laat zich erg discriminerend uit over de joden als volk of groep in deze mails. Ik ontvang vanaf begin 2011 tot op heden een groot aantal e-mails op mijn e-mailadres: [emailadres]. Deze mails worden verzonden vanaf het e-mailadres [verdachte]@hotmail.com. Ik kan aan de adressen in de kop zien dat ze naar een groot aantal mensen worden gestuurd. De mails bevatten allemaal anti-Semitische teksten.

Ten aanzien van feiten 3 en 4

6. Een geschrift, te weten een rapport van 30 mei 2011, opgesteld door [betrokkene 3], inspecteur van politie, dienstdoende bij de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, district I, wijkteam Beursstraat [doorgenummerde pagina's 88-91].

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

In 2010 kreeg ik met regelmaat e-mails van [verdachte], maar in 2011 is duidelijk een kentering waarneembaar. De frequentie is veel hoger geworden, tot wel 5 mails per nacht.

Ik heb de mails van 2011 bijgevoegd.

Ten aanzien van feit 1

7. Een geschrift, te weten een e-mail van 5 maart 2011 van [verdachte]@hotmail.com aan [betrokkene 1]@gmail.com, [emailadres], cidi@cidi.nl en 45 andere geadresseerden [doorgenummerde pagina 15].

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Opdat jullie de joden duidelijk kunnen maken dat er geen plaats is in onze christelijke samenleving voor criminele misdadigers.

Ten aanzien van feit 2

8. Een geschrift, te weten een e-mail van 6 maart 2011 van [verdachte]@hotmail.com aan [betrokkene 1]@gmail.com, [emailadres], cidi@cidi.nl en 44 andere geadresseerden [doorgenummerde pagina 16].

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Verdom de joden en schop ze het land uit.

Ten aanzien van feit 3

9. Een geschrift, te weten een e-mail van 26 februari 2011 van [verdachte]@hotmail.com aan [betrokkene 4]@umail.com, [betrokkene 3]@amsterdam.politie.nl en 23 andere geadresseerden [doorgenummerde pagina 18].

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Waarom heb ik deze beelden niet op de tv in Nederland gezien??????????????????? omdat het jodentuig onze media beheerst !!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!! het wordt tijd dat wij nederlands van christus erkennen een fout gemaakt te hebben toen wij onze samenleving open hebben gesteld voor die achterbakse, drammerige joden.

Ten aanzien van feit 4

10. Een geschrift, te weten een e-mail van 26 februari 2011 van [verdachte]@hotmail.com aan [betrokkene 4]@gmail.com. [betrokkene 3]@amsterdam.politie.nl, cidi@cidi.nl en 23 andere geadresseerden [doorgenummerde pagina 17].

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

WORDT WAKKER EN SCHOP DE JODEN DIE ONS SCHULD AANPRA TEN HET LAND UIT EN SLOOP ALLE INSTITUTEN DIE DIT SCHULDGEVOEL CULTIVEREN. ANNE FUCK HUIS, WESTERBORKFUCK JOODS HISTORISCH FUCK ETC. ETC.

Ten aanzien van feit 5

11. Een geschrift, te weten een e-mail van 13 maart 2011 van [verdachte]@hotmail.com aan [betrokkene 4]@Rmail.com, info@pia-media.nl, cidi@cidi.nl en 44 andere geadresseerden

[doorgenummerde pagina 19].

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

DEPROGRAMMEER JEZELF EN KOOP NIET MEER BIJ DE JODEN, BESPUUG ZE

3.4. Het bestreden arrest houdt ten aanzien van het in het middel gewraakte bestanddeel ‘openbaarheid’ het volgende in:

“Openbaarheid

Het hof is van oordeel dat uit het feit dat de verdachte de e-mailberichten stuurde naar publieke personen uit de Tweede Kamer, politieke partijen, pers, televisieomroepen en andere organisaties kan worden afgeleid dat de opzet van de verdachte gericht was op het bekend worden van de inhoud van die berichten bij het publiek. De groep waaraan de verdachte de e-mailberichten stuurde kan bovendien niet worden gekwalificeerd als een (kleine) groep gelijkgestemden. Het hof is derhalve van oordeel dat aan het vereiste van openbaarheid is voldaan.”

3.5. Het middel richt zich blijkens de toelichting daarop naar de kern bezien op het feit dat de in de bewezenverklaarde feiten bedoelde beledigende uitlatingen niet op enig moment het publiek dan wel anderen dan de geadresseerden hebben bereikt. Kenmerkend voor strafbaarstelling in de zin van art. 137c Sr is nu juist het openbaar worden van een beledigende uitdrukking, waardoor het delict zich onderscheidt van gewone belediging, aldus de steller van het middel. Daartoe wordt verwezen naar de conclusie van AG Fokkens voor HR 2 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8693 onder 6.2, waaruit zou volgen dat indien de ontvanger van de tekst daaraan geen ruchtbaarheid geeft, van openbaar uitlaten geen sprake is. Voorts wordt verwezen naar de conclusie van AG Machielse voor HR 5 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AS8465 onder 3.9, waaruit de steller van het middel afleidt dat het kenmerk van publiciteit moet bestaan. Voorts zou uit de conclusie van AG Jörg voor HR 30 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AG3813 onder 12 volgen dat van strafbare belediging pas sprake is wanneer de beledigende uitlating openbaar is gemaakt. Ten slotte verwijst de steller van het middel naar de conclusie van AG Wortel voor HR 29 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1818, onder 14, waaruit wordt afgeleid dat indien de uitlatingen binnen de zelfgekozen kring blijven en zij geen verdere verspreiding krijgen, de uitlatingen niet openbaar zijn. In onderhavige zaak heeft de verdachte, in weerwil van ’s Hofs overweging, de e-mailberichten verzonden aan een zelfgekozen besloten kring. Voorts leidt de steller van het middel uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep af dat hij de inhoud van de e-mail niet in de openbaarheid heeft willen brengen. Uit ’s Hofs overwegingen zou voorts niet blijken dat de media en/of politici enige ruchtbaarheid hebben gegeven aan de uitlatingen van de verdachte, waardoor niet zou blijken dat deze op enig moment het publiek dan wel anderen dan de geadresseerden hebben bereikt.

3.6. Art. 137c, eerste lid, Sr luidt:

"Hij die zich in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van een hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie."

3.7. Voor de uitleg van het bestanddeel ‘openbaarheid’ in de zin van art. 137c Sr kan aansluiting worden gezocht bij de art. 131 en 137d Sr.1 In HR 29 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1818, NJ 2001/694, m.nt. de Jong overwoog de Hoge Raad ten aanzien van het openbaar aanzetten tot haat dat vereist is dat het opzet mede is gericht op de omstandigheid dat de uitlatingen in het openbaar zijn gedaan. Die overweging luidt als volgt:

“De in het middel gewraakte verklaring zoals hiervoor onder 3.1 weergegeven kan medewerken tot het bewijs dat bij de verdachte, nu hij op het moment dat hij in dat partycentrum arriveerde enkele journalisten herkende, in ieder geval vanaf dat moment tenminste het voorwaardelijk opzet aanwezig was, in die zin dat hij nadien bij het toespreken van die vergadering — ook al zou deze op zichzelf niet voor een ieder toegankelijk zijn — zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat uitlatingen van hem zouden worden gepubliceerd en ter kennis van het publiek zouden komen, hetgeen naar het Hof heeft vastgesteld ook is gebeurd.
Aldus verstaan kan die verklaring medewerken tot het bewijs van de in de telastelegging verweten gedragingen — het opruien en aanzetten tot — waarin opzet besloten ligt en de omstandigheid dat deze in het openbaar zijn verricht.”2

In Noyon/Langemeijer & Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, wordt over deze overweging van de Hoge Raad ten aanzien van art. 137d Sr bij de bespreking van art. 137c Sr het volgende opgemerkt:

“Daaruit kan worden afgeleid dat ook in art. 137c het opzet op de openbaarheid van de beledigende uitlatingen gericht moet zijn. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn, wanneer de uitlatingen zijn gedaan tegenover of in aanwezigheid van een journalist die deze vervolgens publiceert. Men kan immers stellen dat de normale gang van zaken is, dat die uitlatingen in de pers komen, en dat men daarmee rekening moet houden.”3

Voorts kan aansluiting worden gezocht bij HR 2 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8693, rov. 3.5:

“Het Hof heeft kennelijk uit de omstandigheid dat de verdachte de tekst van zijn redevoering aan een journalist heeft overhandigd afgeleid dat het opzet van de verdachte erop was gericht dat die tekst ter kennis van het publiek zou komen. Dat dat laatste ook daadwerkelijk is geschied heeft het Hof klaarblijkelijk afgeleid uit de verklaring van de verdachte dat hij blij was met de publiciteit rond zijn redevoering.
Die door het Hof gemaakte gevolgtrekkingen zijn niet onbegrijpelijk, terwijl zij als van feitelijke aard in cassatie niet verder kunnen worden getoetst.
Daarvan uitgaande heeft het Hof door bewezen te verklaren dat de verdachte ‘in het openbaar’ bij geschrift heeft aangezet tot haat, welke terminologie in de tenlastelegging is gebezigd in de daaraan in art. 137d Sr toekomende betekenis, geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl de bewezenverklaring ook in dit opzicht toereikend is gemotiveerd.”

In Noyon/Langemeijer & Remmelink Strafrecht wordt uit die overweging afgeleid dat ook het overhandigen van de tekst van een wegens ras beledigende redevoering in de gemeenteraad aan een journalist betekent dat er sprake is van opzettelijk zich in het openbaar bij geschrift beledigend uitlaten over een groep mensen als de journalist tot publicatie overgaat.

3.8. Uit het vorenstaande leid ik af dat het voor een bewezenverklaring van art. 137c Sr vereist is dat er (voorwaardelijk) opzet is op het openbaar maken van beledigende uitlatingen, waarbij die beledigende uitlatingen ook daadwerkelijk zijn geopenbaard. In het onderhavige geval heeft het Hof geoordeeld dat het opzet van de verdachte was gericht op het bekend worden van de inhoud van die berichten bij het publiek, door de berichten te versturen aan een groep publieke personen, welke groep niet kan worden gekwalificeerd als een kleine groep gelijkgestemden. Van opzet op de openbaarheid was derhalve sprake, zo vertaal ik het oordeel van het Hof, hetgeen mij niet onbegrijpelijk voorkomt.

3.9. In de genoemde overweging heeft het Hof tevens als zijn oordeel uitgedrukt dat, behalve aan de subjectieve zijde van het delict, te weten het opzet daarop, ook aan het objectieve vereiste van de openbaarheid is voldaan. Voor zover het middel daartegen opkomt lijkt het op het eerste gezicht niet zonder grond te zijn, in het bijzonder waar het verwijst naar HR 5 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8465, met de bijbehorende conclusie van mijn ambtgenoot Machielse. In het voetspoor van zijn A-G, die uitgebreid en gedocumenteerd de belangrijkste verschijningsvormen van openbaarheid bij de uitingsdelictenlangs loopt, overwoog de Hoge Raad dat het aan een beperkte groep per post sturen van geschriften met (voor een advocaat) beledigende opmerkingen niet als belediging in het openbaar kon worden aangemerkt. Ik citeer uit het genoemde arrest:

“3.4. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden niets in waaruit kan volgen dat het versturen van de in de bewezenverklaring aangeduide en hiervoor onder 3.3 bedoelde geschriften aan de daar genoemde personen heeft meegebracht dat de beledigende passages ter kennis zijn gekomen van anderen dan de geadresseerden. De bewezenverklaring - in het bijzonder het onderdeel "in het openbaar" dat in de tenlastelegging en die bewezenverklaring kennelijk is gebezigd in de betekenis die daaraan toekomt in art. 266 Sr - is daarom niet naar de eis van de wet met redenen omkleed.”

Niettemin meen ik dat het kennelijke oordeel van het Hof, dat in de onderhavige zaak sprake is van een andere situatie niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en in het licht van de bewijsmiddelen evenmin onbegrijpelijk is. Ten eerste blijkt van een grote diversiteit aan personen die per e-mail door de verdachte werden benaderd, welke groep, zoals ook uit de verklaring van de verdachte zelf valt af te leiden, meer en meer uitbreiding kreeg. Voorts was, zo leid ik af uit de voor het bewijs gebezigde aangiften van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 1) en het CIDI (bewijsmiddel 4) voor de geadresseerden kenbaar dat de berichten telkens niet alleen aan hen als individu waren geadresseerd maar tevens en tegelijkertijd aan een grote groep anderen, waaronder de genoemde politici, en personen uit de wereld van de media. Mij dunkt dat dan op enig moment een kritische grens wordt overschreden tussen hetgeen in de beslotenheid van een correspondentie ten opzichte van bijvoorbeeld drie, vier of vijf afzonderlijke personen als opvattingen wordt geuit en hetgeen kan worden aangemerkt als een uiting die ‘in het openbaar’ is gedaan. Enigszins chargerend: waar het technisch mogelijk is met één druk op de knop tienduizenden, zo niet miljoenen mensen via het internet te bereiken kan niet meer volgehouden worden dat de aldus verzonden berichten geen ander effect hebben dan het bereiken van elke geadresseerde als individu – het betreft dan tegelijkertijd een publieke uiting. In het onderhavige geval betekent dit dat ik het – hier sterk met de waardering van de feiten samenhangend – oordeel van het Hof dat deze kritische grens is overschreden niet onbegrijpelijk acht.

3.9. Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt over de overwegingen van het Hof die erop neerkomen dat de bij de beoordeling van de vraag naar de verhouding van de gedane uitlatingen tot de vrijheid van meningsuiting te betrekken context waarin de uitlatingen zijn gedaan niet de louter subjectieve intentie van de verdachte beslissend is, maar dat die context voor derden kenbaar moet zijn.

4.2. Die overwegingen houden het volgende in:

“De context van de uitlatingen

De volgende vraag is of de uitlatingen van de verdachte dienstig waren aan of een bijdrage leverden aan enig publiek maatschappelijk debat, een geloofsopvatting of aan een artistieke expressie. Het hof is van oordeel dat hiervan geen sprake is.

Het hof stelt voorop dat, anders dan de verdachte kennelijk meent, de louter subjectieve intentie van de verdachte niet beslissend is. Als bepaalde uitlatingen in hun context moeten worden beschouwd, dan moet die context voor derden kenbaar zijn en moet naar objectieve maatstaven de context zodanig zijn, dat het beledigende karakter van de betreffende uitlating wegvalt (HR 27 maart 2012, LJN BV5623).

Naar het oordeel van het hof is daarvan in de zaak van de verdachte geen sprake. De verdachte heeft naar een groot aantal personen en instanties e-mailberichten gestuurd met beledigende teksten. Niet is gebleken dat de uitlatingen in die e-mailberichten zijn gedaan binnen een voor de ontvangers kenbare context, waarbij nog van belang wordt geacht dat - gelet op de aard van de uitlatingen waarvan in casu sprake is - rekening dient te worden gehouden met ontvangers die door het enkele kennisnemen van de inhoud van de e-mailberichten - die aan hen ongevraagd worden toegezonden - dermate zijn geschokt, dat zij verder geen kennis willen nemen - wat ook niet van hen kan en mag worden verlangd - van het door de verdachte uitgedragen gedachtegoed, hetgeen ook blijkt uit de tegen de verdachte gedane aangiften. Het feit dat de verdachte in een aantal e-mailberichten Youtube filmpjes meestuurde die zijns inzien laten zien dat Israel en de Joodse mensen misdaden plegen jegens de Palestijnen maakt dit, in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, niet anders.”

4.3. De conclusie van mijn ambtgenoot AG Aben voor HR 27 maart 2012, LJN BV5623, onder 3.5.2 e.v., aan welk arrest het Hof in de bestreden uitspraak refereert, houdt met betrekking tot de ‘voor derden kenbare context’ het volgende in:

“3.5.2. Het hof heeft in dit verband vooropgesteld dat de louter subjectieve intentie van de verdachte niet beslissend is en dat als bepaalde uitlatingen in hun context moeten worden beschouwd, die context dan wel voor derden kenbaar moet zijn en die context naar objectieve maatstaven zodanig moet zijn, dat het beledigende karakter van de betreffende uitlating wegvalt. De steller van het middel komt onder meer op tegen de juistheid en/of begrijpelijkheid van deze vooropstelling van het hof.

3.5.3. Ik meen - met het hof - dat, wil het beledigende karakter van een uitlating komen te vervallen door het geheel waarin en de strekking waarmee die uitlating is gedaan, een en ander voor derden kenbaar moet zijn. Dit oordeel ligt m.i. nogal voor de hand. Indien de betekenis van een uitlating mede afhankelijk is van de context waarin zij is gebezigd, zal een beroep op het exonererende karakter van de context van de uitlating alleen kunnen slagen indien die context kenbaar was voor hen die zich met de uitlating geconfronteerd zagen. Het een kan immers niet los worden gezien van het ander.”

4.4. Het vorenstaande in aanmerking nemende, zal het beledigende karakter van op zichzelf beledigende uitlatingen in e-mailberichten dan ook niet komen te vervallen indien de context en de strekking louter bekend zijn bij degene van wie de uitlatingen afkomstig is. De context waarin de uitlatingen zijn gedaan zal alleen dan disculperen, indien de verdachte de uitlatingen heeft gedaan om kenbaar bij te dragen aan het maatschappelijke debat. De overwegingen van het Hof komen er op neer dat niet is gebleken dat de uitlatingen in die e-mailberichten zijn gedaan binnen een voor de ontvangers kenbare context en bovendien dat de ontvangers door het kennisnemen van de inhoud van de e-mailberichten dermate zijn geschokt, dat zij daarvan verder geen kennis willen nemen, zodat er geen sprake is van een context die voor derden kenbaar is. De stelling dat ook uitlatingen die geen constructieve bijdrage leveren aan het publieke debat, maar bedoeld zijn om te ‘provoceren’ bescherming genieten op grond van art. 10 EVRM faalt. De ‘provocerende uitlatingen’, die zoals de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard zijn gedaan in het kader van de naar zijn mening zoekgeraakte verhouding tussen het beledigen van Moslims respectievelijk Joden, moeten dan immers wel aan de geadresseerden kenbaar zijn. Uit het bestreden arrest alsmede de aanvullende bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte door het versturen van e-mailberichten Joodse mensen (openlijk) heeft beledigd. Van verwijzingen naar belediging van Moslims blijkt in het geheel niet, laat staan dat in die e-mailberichten aandacht wordt besteed aan de zoekgeraakte verhouding tussen het beledigen van Moslims respectievelijk Joden. Dat de verdachte omtrent dit aspect ter terechtzitting in hoger beroep verklaart, doet – wat daar ook overigens van zij – aan de ‘voor derden kenbare context’ dan ook niet af. Hetgeen het Hof in dit verband nader met betrekking tot die kenbaarheid heeft vastgesteld, getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

4.5. Het middel faalt derhalve.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep, waarbij het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. NLR, art. 137c, aant. 7 (bijgewerkt tot 2005).

2 HR 29 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1818, rov. 3.4.

3 Noyon/Langemeijer & Remmelink Strafrecht, art. 137c, aant. 7 (bijgewerkt tot 2005).