Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2557

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-12-2013
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
13/00157
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:382, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vordering bp. Aangezien het Hof heeft vastgesteld dat de vordering van de bp niet meer aan de orde is, moet worden aangenomen dat het arrest een misslag bevat v.zv. het dictum de bevestiging inhoudt van de beslissingen van de Rb m.b.t. de vordering van de bp en de kennelijk in samenhang daarmee opgelegde svm. De HR doet de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/00157

Zitting: 3 december 2013

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 13 maart 2012 het vonnis van de Rechtbank te ’s-Gravenhage van 9 november 2010, waarbij verdachte wegens 1. “poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” en 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, bevestigd met aanvulling van de in het vonnis aangehaalde wetsartikelen met art. 63 Sr. Het Hof heeft, door het vonnis van de Rechtbank te bevestigen, de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander op de wijze als in het vonnis vermeld. Voorts heeft het Hof, door het vonnis van de Rechtbank te bevestigen, gelast dat het gedeelte van een eerder door het Gerechtshof te ’s-Gravenhage bij arrest van 13 augustus 2009 opgelegde vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, te weten een periode van 278 dagen, alsnog geheel moet worden ondergaan en heeft het het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde gevangenisstraf.

2. Tegen deze uitspraak is door verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel klaagt over ‘s Hofs toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

4.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 28 februari 2012 houdt, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in:

“De voorzitter deelt mede dat de blijkens een op 31 januari 2011 ingekomen schrijven van de benadeelde partij de reeds eerder opgegeven financiële schade ad. € 2.428,78 geheel door de verzekering is vergoed en dat deze vordering derhalve in hoger beroep niet meer aan de orde is.”

4.3. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bevestigd met aanvulling van de in het vonnis aangehaalde wetsartikelen met art. 63 Sr.

4.4. Door de steller van het middel is aangevoerd dat het Hof door het vonnis van de Rechtbank te bevestigen ook de volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij heeft bevestigd, terwijl ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de door de benadeelde partij geleden schade reeds was vergoed door de verzekeringsmaatschappij van de benadeelde partij. Er is dan ook geen sprake van schade als een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde strafbare feit. Het Hof had het vonnis van de Rechtbank aldus dienen te bevestigen met uitzondering van de beslissing aangaande de vordering van de benadeelde partij.

4.5. De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding groot € 2.428,70. De Rechtbank heeft de gevorderde schadevergoeding volledig toegewezen en aldus duurt op grond van art. 421 lid 2 Sv de voeging ter zake van de volledige vordering tot schadevergoeding van rechtswege voort in hoger beroep. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 februari 2012 is door het Hof een schrijven van de benadeelde partij ontvangen waarin is vermeld dat de gevorderde schadevergoeding geheel door de verzekering is vergoed. Het Hof, dat bij monde van de voorzitter heeft medegedeeld dat de vordering gelet op voornoemd schrijven in hoger beroep niet meer aan de orde is, heeft het schrijven kennelijk en niet onbegrijpelijk aldus opgevat dat de benadeelde partij hiermee heeft beoogd haar bij wijze van voeging gedane vordering in te trekken. Door het vonnis van de Rechtbank integraal te bevestigen, heeft het Hof evenwel ten onrechte de beslissing van de Rechtbank ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij in stand gelaten. Het Hof had, zoals in het middel wordt gesteld, het vonnis van de Rechtbank behoren te bevestigen met uitzondering van de beslissing van de Rechtbank op de vordering van de benadeelde partij.

4.6. Het middel slaagt.

5. Hoewel het middel daarover niet klaagt, heb ik mij ambtshalve afgevraagd of het voorgaande gevolgen dient te hebben voor de door de Rechtbank opgelegde schadevergoedingsmaatregel, welke beslissing door het Hof is bevestigd. Mijns inziens is dit het geval. Hoewel de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel niet afhankelijk is van de toewijzing van de civiele vordering,1 geldt in dit geval dat uit de mededeling van de benadeelde partij afgeleid moet worden dat de schadevergoedingsmaatregel geen voorwerp meer heeft en dus zinledig is geworden.

6. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het Hof het vonnis van de Rechtbank ter zake van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel heeft bevestigd, tot vernietiging in zoverre van het vonnis van de Rechtbank en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Zie HR 12 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1408, waarin de Hoge Raad de gedachtegang van de wetgever corrigeerde.