Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2556

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-12-2013
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
13/02084
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:381, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen van (poging tot) afdreiging. Klachtvereiste a.b.i. art. 318.2 (oud) Sr. De klacht bestaat ex art. 164.1 Sv uit een aangifte met verzoek tot vervolging. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:1994:ZC8448. Het Hof heeft geoordeeld dat is voldaan aan het klachtvereiste a.b.i. art. 318.2 (oud) Sr, nu ttz. onmiskenbaar is komen vast te staan dat de aangevers met het doen van aangifte de bedoeling hadden dat verdachte vervolgd zou worden. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de verklaringen van de aangevers niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/02084

Mr. Wortel

Zitting 17 december 2013

conclusie inzake

[verdachte]

1.1 Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen een op 23 oktober 2012 uitgesproken arrest van het Gerechtshof Leeuwarden, zitting houdend te Arnhem, waarbij de verdachte wegens (1) “medeplegen van afdreiging”, (2 en 3 telkens) “medeplegen van poging tot afdreiging” en (4) “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met bijkomende beslissing ten aanzien van een inbeslaggenomen voorwerp.

1.2 Namens de verdachte heeft mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen, middelen van cassatie voorgesteld.

1.3 Deze zaak vertoont samenhang met de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder griffienummer 13/02083, waarin ik ter zitting van 26 november jongstleden (mij er nog niet van bewust dat ook in deze zaak cassatie is ingesteld) concludeerde.

2.1 Het (ongenummerde) eerste middel klaagt erover dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat is voldaan aan het in art. 318, tweede lid (oud), Sr gestelde klachtvereiste.

De klacht is aldus toegelicht dat het Hof heeft miskend dat de ratio van dit klachtvereiste is gelegen in de mogelijkheid dat degene die aangifte doet groter belang stelt in handhaving van zijn geheim, en dus achterwege blijven van een in openbaarheid voeren strafzaak, dan in bestraffing van degene die het feit heeft begaan.

2.2 In eerste aanleg is het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een klacht als bedoeld in art. 318, tweede lid (oud) Sr in verband met art. 164 Sv. Dat vonnis is gewezen op 14 december 2009. In zijn tegen dat vonnis gerichte appelschriftuur heeft het Openbaar Ministerie melding gemaakt van op 16 december 2009 opgenomen verklaringen van de beide (in de tenlastelegging genoemde) aangevers, welke verklaringen inhouden dat de aangevers ten tijde van het doen van aangifte beiden wensten dat de verdachte zou worden vervolgd. Bij arrest van 28 april 2010 heeft het Hof vastgesteld dat bij de behandeling in hoger beroep “onmiskenbaar is komen vast te staan dat aangevers [betrokkene 1] en [betrokkene 2] met het doen van aangifte de bedoeling hadden dat verdachte vervolgd zou worden”, en met verwijzing naar HR 11 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC8448, NJ 1994/278 geoordeeld dat aldus aan het in art. 318, tweede lid (oud), Sr gestelde klachtvereiste is voldaan.

2.3 In de door het Hof aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad ligt besloten dat het de rechter vrijstaat om op basis van hetgeen tijdens de behandeling ter terechtzitting aan de orde is gekomen vast te stellen dat de aangever ten tijde van het doen van de aangifte verlangde dat de in zijn aangifte aangewezen verdachte (daadwerkelijk) zou worden vervolgd. Daarop stuit het middel af.

3.1 Het tweede middel betreft de beslissing op een verweer dat in de bestreden uitspraak als volgt is samengevat en verworpen

“De raadsvrouw heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging omdat, kort gezegd, aan de rechter-commissaris bij gelegenheid van de toetsing van de inverzekeringstelling ontlastende informatie is onthouden. De raadsvrouw doelt hierbij op het proces-verbaal van aanhouding van verdachte, weergegeven op pagina 83 en volgende van het proces-verbaal, dat niet aan de rechter-commissaris bekend was bij de toetsing van de inverzekeringstelling. Hierdoor is volgens de raadsvrouw een ernstige inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor verdachte te kort is gedaan in zijn recht op een eerlijk proces.

Voor een geslaagd beroep op de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging dient sprake te zijn van een ernstige schending van een goede procesorde, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces is tekortgedaan. Van een zodanige schending is naar het oordeel van het hof geen sprake. Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat het openbaar ministerie aan de rechter-commissaris opzettelijk de door de raadsvrouwe bedoelde informatie heeft onthouden, nog daargelaten of het door de raadsvrouwe bedoelde proces-verbaal op het moment van de toetsing al gereed was. Het hof verwerpt het verweer.”

3.2 Voor de goede orde merk ik op dat de in het verweer bedoelde, volgens de verdediging voor de verdachte ontlastende informatie, die in een met het oog op de toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling gepresenteerd voorlopig proces-verbaal (nog) niet was opgenomen, er in gelegen was dat de politiefunctionarissen die op 9 september 2009 vanaf 22.05 uur bezig waren met het aanhouden van de verdachte en een medeverdachte geen in hun bezit zijnde telefoon hebben horen overgaan, ofschoon hen door collega’s was verzocht daarop attent te zijn, en met één van de telefoons die bij de (poging tot) afdreiging zijn gebruikt die avond nog om 22.30 uur een gesprek is gevoerd.

3.3 Slechts in uitzonderlijke situaties zal het Openbaar Ministerie wegens schending van de beginselen van een goede procesorde in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk verklaard kunnen worden. Terecht heeft het Hof in zijn overwegingen betrokken dat het bij die beslissing – waaraan hoge motiveringseisen worden gesteld – aan te leggen criterium is of doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte is tekort gedaan aan diens recht op een eerlijk proces. Hierin ligt overigens besloten dat de inbreuk op het recht op een eerlijk proces ook onherstelbaar moet zijn.

Het oordeel van het Hof dat aan deze voorwaarden voor een niet-ontvankelijkverklaring op de door de verdediging aangevoerde grond niet is voldaan, is niet onbegrijpelijk, zodat het middel faalt.

4.1 Het derde middel klaagt erover dat de bewezenverklaring steunt op bewijsmiddelen die onderling tegenstrijdig zijn en onmogelijk kunnen bijdragen tot het bewijs van daderschap.

Gedoeld wordt op de omstandigheid dat aangever [betrokkene 1] blijkens de bewijsmiddelen in de avond van 9 september 2009 nog om 22.30 door hetzelfde nummer (als eerder door zijn afperser gebruikt) werd gebeld, terwijl de politiemensen die de verdachte en de medeverdachte kort na 22.00 uur hebben aangehouden geen geluid van een overgaande mobiele telefoon hebben waargenomen, ofschoon hen was verzocht op te letten omdat collega’s naar de (via de nummerherkenning van de telefoon van de aangever bekende) mobiele telefoon zouden bellen.

4.2 Het Hof heeft overwogen, voor zover thans van belang:

“Op 2 september 2009 wordt aangever [betrokkene 2] op zijn vaste telefoon door het mobiele nummer 06-54736104 gebeld. Hij krijgt vervolgens te horen dat er foto's zijn gemaakt van zijn bezoek aan privéhuis [A] in [plaats] en dat hij daar geld voor moet betalen. Aangever belt 's avonds weer terug waarbij zijn vrouw ook kan meeluisteren. De verbinding wordt verbroken en aangever wordt niet meer teruggebeld. Aangever verklaart dat de man die hem belde goed Nederlands sprak maar wel met een buitenlands accent (Turks, Marokkaans of mogelijk Indisch). De man zei: "Er zijn jongens die hebben foto's van u gemaakt, van een bezoek aan privéhuis [A] te [plaats]. Die jongens willen daar geld voor zien."

(…)

Uit de hiervoor weergegeven verklaring van aangever [betrokkene 2] en het via de nummerherkenning van de telefoon van aangever [betrokkene 1] bekende mobiele telefoonnummer 06-[001], leidt het hof af dat naast [medeverdachte] en [verdachte] een derde persoon bij de uitvoering van de poging om [betrokkene 2] af te dreigen is betrokken. Die betrokkenheid van een derde kan verklaren waarom de verbalisanten die [verdachte] en [medeverdachte] aanhielden, geen telefoon hebben horen overgaan, toen het - op dat moment als enige bekende - mobiele nummer 06-[001] werd gebeld.”

4.3 Het feitelijk oordeel dat de betrokkenheid van een derde dader kan verklaren waarom de verbalisanten in de auto waarin zij de verdachte hebben aangetroffen geen mobiele telefoon hebben horen overgaan, is niet onbegrijpelijk en kan in cassatie, verweven als dat oordeel is met waarderingen van feitelijke aard, niet in verdergaande mate worden onderzocht.

5 Het vierde middel signaleert terecht dat in de overwegingen van het Hof eenmaal (p. 6, eerste volle alinea) ten onrechte wordt verwezen naar gegevens die zijn aangetroffen “in auto van [verdachte]”, aangezien die auto blijkens de bewijsmiddelen toebehoorde aan de medeverdachte [medeverdachte].

Aangezien het Hof in zijn daaraan voorafgaande overwegingen heeft onderkend dat [medeverdachte] de bestuurder en ook de eigenaar van de auto was, en de verdachte zich als bijrijder in die auto bevond, is de desbetreffende passage in de overwegingen van het Hof aan te merken als een kennelijke misslag die verbeterd kan worden gelezen.

Voor zover het middel erover klaagt dat de bewijsmiddelen de bewezenverklaring ten aanzien van verdachtes daderschap niet kunnen dragen omdat in die bewijsmiddelen wordt gesproken over een man met een buitenlands accent, faalt dit middel om dezelfde reden waarom ook het voorgaande middel geen doel treft.

6.1 Het beroep leent zich voor afdoening overeenkomstig art. 81 RO.

6.2 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

wnd A-G