Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2551

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-12-2013
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
12/04105
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:364, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Laatste woord verdachte. Uit het p-v van de tz. in h.b. blijkt niet dat aan verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het in art. 311.4 Sv op straffe van nietigheid gegeven voorschrift niet in acht is genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/04105

Mr. Spronken

Zitting: 17 december 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Verdachte is bij arrest van 29 mei 2012 door het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, wegens “wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben”, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de bij vonnis van de politierechter Amsterdam van 13 oktober 2009 voorwaardelijk opgelegde straf, gelast.

  2. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Haarlem, heeft namens verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep nietig is nu het Hof de verdachte niet de gelegenheid tot het laatste woord heeft gegeven.

  4. Het proces verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:

“De advocaat-generaal voert het woord, leest de vordering voor en legt die aan het hof over.

De verdachte en de raadsman voeren het woord tot verdediging.

Aan de verdachte en de raadsman wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De raadsman voert onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende aan.

De bewijsregels behoeven niet noodzakelijkerwijs te gelden in een situatie waarin sprake is van een "één op één verklaring", in casu de verklaring van de agent en de verklaring van verdachte […] in het bijzonder nu de agent zich tevens als benadeelde partij heeft gesteld. Ik verwijs naar een vonnis van de rechtbank te Almelo van 12 januari 2010, LJN BK9302.

Ik heb aangegeven dat ik nog twee getuigen wil horen, maar dat verzoek is vooralsnog afgewezen. Voor de zekerheid heb ik die personen verzocht om een schriftelijke verklaring af te leggen Ik leg die beide verklaringen over aan het hof. U kunt natuurlijk het onderzoek ter terechtzitting alsnog aanhouden teneinde in ieder geval [betrokkene 1] als getuige te horen.

Ik merk vervolgens op dat de verklaringen van verdachte bij de politie en de rechtercommissaris

niet met elkaar overeenstemmen. Bij de politie heeft verdachte een bekennende verklaring afgelegd en bij de rechter-commissaris heeft hij een ontkennende verklaring afgelegd. Dat is vreemd. Ik stel mij op het standpunt dat de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie, niet als bewijs kan worden gebezigd. Verdachte is gehoord door de politie terwijl hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig is, hij de Nederlandse taal niet kan lezen en schrijven en hem de bijstand van een tolk is onthouden.

Het optreden van de motoragent kan niet door de beugel. Hij heeft verdachte geduwd en naar de grond getrokken. Verdachte is gewelddadig te pakken genomen. Ik vraag mij af of de aanhouding van verdachte rechtmatig is geweest. Het klopt dat verdachte geen formele klacht heeft ingediend tegen het politieoptreden.

Ik concludeer dat verdachte vrijgesproken moet worden, primair omdat er sprake is geweest van een onrechtmatige aanhouding en subsidiair het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

De advocaat-generaal concludeert - na lezing van de door de raadsman overgelegde schriftelijke verklaringen van [betrokkene 1 en 2] - dat de verklaringen van [betrokkene 1 en 2] in casu niet van belang zijn voor de bewijsvraag en dat het derhalve niet nodig is om hen alsnog als getuigen op te roepen.

Het hof verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van te 14:00 uur.”

5. Aan de verdachte moet op grond van art. 311, vierde lid Sv op straffe van nietigheid het recht wordt gelaten om het laatst te spreken. Dit betekent dat de verdachte als (aller)laatste in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over “inhoudelijke op de strafzaak tegen de verdachte betrekking hebbende argumenten”.1 De ratio van deze bepaling is ”dat geen onderdeel van het onderzoek hetwelk ten bezware van de verdachte zou kunnen strekken door deze onweersproken behoeft te blijven.”2

6. In de zaak die leidde tot HR 20 juni 1995, ECLI:NL:HR:ZD1069 (eveneens een zaak waar de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie nog had gesproken na het laatste woord van de verdachte) had de verdachte tijdens zijn ‘laatste woord’ verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis. De procureur-generaal verzocht om afwijzing van dat verzoek. Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis werd door het Hof afgewezen en vervolgens werd het onderzoek gesloten. In cassatie, waar onder meer werd geklaagd over schending van 311, vierde lid Sv, overwoog de Hoge Raad dat aan de strekking van art. 311 Sv niet tekort was gedaan waarbij hij van belang achtte dat de procureur-generaal zijn standpunt niet vergezeld had doen gaan van inhoudelijke op de strafzaak tegen de verdachte betrekking hebbende argumenten.

7. In onderhavige zaak blijkt dat de verdachte en de raadsman in de gelegenheid zijn gesteld het laatst te spreken. Door de raadsman zijn bij die gelegenheid verklaringen overlegd aan het hof. De advocaat-generaal heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting, na lezing van de overlegde verklaringen inhoudelijk gereageerd door te zeggen dat de verklaringen in casu niet van belang zijn voor de bewijsvraag. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat aan de verdachte daarna nog het recht is gelaten het laatst te spreken en zich uit te laten over deze inhoudelijke op de strafzaak betrekking hebbende argumenten. Daarom moet het ervoor gehouden worden dat het in art. 311 lid 4 Sv op straffe van nietigheid gegeven voorschrift niet in acht is genomen.3

8. Het middel is terecht voorgesteld.

9. Het tweede middel klaagt dat het arrest innerlijk tegenstrijdig is nu het Hof overweegt slechts van een deel van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf de tenuitvoerlegging te gelasten, terwijl uit het dictum blijkt dat de tenuitvoerlegging van de eerdere voorwaardelijk opgelegde straf in zijn geheel wordt gelast.

10. Het arrest van het Hof houdt onder meer het volgende in:

“Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 13 oktober 2009 opgelegde voorwaardelijke taakstraf, parketnummer 13-462509-06. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Het hof ziet aanleiding om dat slechts voor een gedeelte van die straf te doen.

(….)

BESLISSING

(…)

Gelast de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 13 oktober 2009, parketnummer 13-462509-06, te weten van:

een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.”

11.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat de korte inhoud van de stukken waaronder “de stukken betreffende de vordering van voorwaardelijke veroordeling van 18 mei 2010” mondeling is medegedeeld. Uit de hier bedoelde vordering en de daarbij gevoegde stukken blijkt dat de verdachte bij vonnis van de politierechter van 13 oktober 2009 is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaa.r

12.

Uit de overweging van het Hof in zijn arrest en ook uit het dictum blijkt mijns inziens duidelijk dat het Hof slechts van een deel van de voorwaardelijk opgelegde straf de tenuitvoerlegging heeft willen gelasten. Nu het Hof vervolgens van de volledige straf de tenuitvoerlegging gelast, is het arrest inderdaad tegenstrijdig.

13.

Het middel is terecht voorgesteld.

14.

Beide middelen slagen.

15.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

16.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 J. Wöretshofer, T&C Sv 2013, aant 4 en 5 bij art. 311 Sv.

2 HR 20 juni 1995, ECLI:NL:HR:ZD1069.

3 HR 14 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4131, rov. 3.2. Zie à contrario ook HR 12 april 2011 ECLI:NL:HR:2011:BP4660, rov. 2.3., waarin het ging om een onderbreking van het onderzoek na het laatste woord van verdachte. Omdat na de hervatting van het onderzoek op de nadere zitting geen enkele inhoudelijke behandeling had plaatsgevonden, maar alleen het onderzoek gesloten werd verklaard, hoefde de verdachte op deze nadere zitting het laatste woord niet meer te worden gegeven.