Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2550

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-12-2013
Datum publicatie
18-02-2014
Zaaknummer
13/00294
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:362, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Opzettelijke schending van een ambtsgeheim, art. 272 Sr. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/00294

Mr. Harteveld

Zitting 17 december 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch bij arrest van 16 oktober 2012 wegens “enig geheim waarvan hij weet dat hij uit hoofde van zijn ambt verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden” veroordeeld tot een geldboete van € 500,--, te vervangen door tien dagen hechtenis.

2. De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. I. van Straalen, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3. De vijf middelen keren zich alle tegen de motivering van ’s Hofs verwerping van verschillende verweren, die er kortgezegd op neerkomen dat de door de verdachte bekend gemaakte informatie niet geheim was in de zin van artikel 272 Sr althans dat de verdachte die informatie vanwege een mondeling door hem gedaan beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) ter beschikking had gekregen. De middelen zullen achtereenvolgens worden besproken.

4.1. Het eerste middel klaagt erover dat het Hof het door de verdachte – die niet werd bijgestaan door een raadsman – ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer aangaande de Wet openbaarheid van bestuur had moeten opvatten als een verzoek om “onderzoek te doen verrichten in de vorm van een getuigenverhoor van de bij de afspraken met verzoeker en/of de bij de opstelling of uitvoering van de schriftelijk vastgelegde afspraken betrokken personen” naar de stelling dat de verdachte mondeling een beroep had gedaan op de Wet openbaarheid van bestuur.

4.2. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij, verdachte, in de periode van 21 september 2009 tot en met 12 december 2009, te Bergen op Zoom, een geheim waarvan hij wist dat hij het uit hoofde van ambt, te weten gemeenteraadslid van de gemeente Bergen op Zoom, verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, immers heeft verdachte, toen aldaar opzettelijk vertrouwelijke/geheime informatie, te weten financiële informatie en/of gegevens van de grondexploitaties (zoals percentages en bedragen/tekorten) van het project Bergse Haven, opgenomen in de notitie 'Risicoprofiel Bergse Haven' d.d. 21 maart 2007, die hem, verdachte, als raadslid ter beschikking waren gesteld en ter inzage waren gegeven door middel van afschriften van betreffende stukken

- overgenomen en verwerkt in een document en in bijlage 1 bij een openbare brief d.d. 21 september 2009, via de raadsgriffier aan het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bergen op Zoom gemaild en

- overgenomen en verwerkt in een open brief/verklaring d.d. 12 december 2009 en op zijn, verdachtes, website geplaatst.”

4.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 oktober 2012 noch de daaraan gehechte pleitnota houden in dat de verdachte een verzoek om “onderzoek te doen verrichten in de vorm van een getuigenverhoor van de bij de afspraken met verzoeker en/of de bij de opstelling of uitvoering van de schriftelijk vastgelegde afspraken betrokken personen” heeft ingediend. Uit voornoemd proces-verbaal blijkt slechts dat de verdachte aldaar heeft betoogd dat hij op grond van de Wob na afloop van de raadsvergadering van 25 juni 2009 bij de burgemeester mondeling een verzoek tot inzage in de stukken over het project Bergse Haven heeft gedaan ten behoeve van dossieronderzoek. Daaruit blijkt niet dat de verdachte heeft verzocht om een nader onderzoek in de vorm van een getuigenverhoor, laat staan dat hij de ‘betrokken personen’ die dan gehoord zouden moeten worden nader heeft aangeduid. De klacht dat het Hof dit pleidooi vanwege de omstandigheid dat de verdachte in eerste aanleg noch in hoger beroep werd bijgestaan door een raadsman niettemin als een uitdrukkelijk verzoek tot het doen van nader onderzoek in de vorm van een getuigenverhoor had moeten opvatten faalt. Uit het proces-verbaal van de (regie) terechtzitting in hoger beroep van 19 juli 2012 blijkt dat de Voorzitter namens het Hof de verdachte heeft voorgehouden: “nu u geen rechtskundig raadsman heeft, dat zaken in het strafrecht anders kunnen worden benaderd dan bijvoorbeeld in het bestuursrecht of administratief recht”. Ook de Advocaat-Generaal bij het Hof heeft blijkens dat proces-verbaal de verdachte geadviseerd dat het wenselijk is dat de verdachte zich laat bijstaan door een advocaat. Het onderzoek is vervolgens geschorst tot de inhoudelijke behandeling op 2 oktober 2012. Vervolgens heeft de verdachte zoals blijkt uit zijn aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 oktober 2012 gehechte pleitaantekeningen het Hof laten weten dat hij zelf zijn verdediging voert omdat hij als politicus zelf politieke verantwoording dient af te leggen. Deze procesgang in aanmerking nemende, kan in cassatie niet met vrucht worden geklaagd dat het Hof een door de verdachte ter terechtzitting gevoerd verweer dat niet een verzoek tot het doen van nader onderzoek in de vorm van een getuigenverhoor inhield niettemin als zodanig had moeten opvatten.

4.4. Het middel faalt.

5.1. Het tweede middel klaagt over de motivering van ’s Hofs afwijzing van het door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 2 oktober 2012 gevoerde verweer dat de door hem geopenbaarde informatie niet onder enige geheimhoudingsplicht viel omdat de verdachte die informatie had verkregen naar aanleiding van een mondeling beroep op de Wob.

5.2. Het bestreden arrest houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:

“Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De verdachte heeft bepleit dat hij van het hem ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

(…)

III. dat de door hem geciteerde documenten ten tijde van het stellen van zijn vragen op 21 september 2009 in de zin van de wet geen geheime of vertrouwelijke documenten waren; dat hij met zijn vragen of publicaties niet uit andere bronnen heeft geput dan uit documenten die hem met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) ter beschikking waren gesteld; dat hij zich daarom niet bewust kon zijn van het geheim of vertrouwelijk zijn van stukken, die overigens niet de uiterlijke kenmerken droegen van een eventueel opgelegde geheimhouding.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Ad. III.

(…)

De verklaring van de verdachte dat hij de informatie ingevolge een mondeling door hem gedaan beroep op de Wet openbaarheid van bestuur ter beschikking kreeg, wordt door het hof als ongeloofwaardig verworpen.

Van een dergelijk beroep, dat zou zijn gedaan na afloop van de raadsvergadering van 25 juni 2009, blijkt niets; bovendien deed de verdachte eerdere beroepen op de Wet openbaarheid van bestuur steeds schriftelijk. Een reden waarom dit nu anders zou zijn geweest, heeft hij niet opgegeven.

In de afsprakenlijst, die werd gemaakt in verband met de inzage van het dossier Bergse Haven door de verdachte, komt de aantekening voor: 'Controle: is het dossier compleet en voldoet het aan de eisen van de WOB?'. Ook hieraan heeft de verdachte, gelet op de inhoud van hetgeen hem ter inzage werd gegeven, naar het oordeel van het hof niet kunnen afleiden dat hem alleen openbare stukken werden verstrekt.”

5.3.

Blijkens de toelichting op het middel had het Hof het in het middel bedoelde verweer– mede tegen de achtergrond van het feit dat de verdachte niet werd bijgestaan door een rechtsgeleerd raadsman –, dienen op te vatten als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid, Sv waarop het Hof onvoldoende gemotiveerd heeft gerespondeerd. Geklaagd wordt dat het Hof aan die verwerping (mede) ten grondslag heeft gelegd dat de verdachte niet heeft uitgelegd waarom hij mondeling in plaats van schriftelijk een beroep heeft gedaan op de Wob, terwijl de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk heeft uitgelegd waarom hij een mondeling beroep heeft gedaan op de Wob en hij voorts naar stukken uit het dossier heeft verwezen, waaruit zou blijken dat de aan de verdachte ter inzage te verstrekken stukken gecontroleerd dienden te worden aan de hand van de eisen van de Wob. Het betoog van de verdachte zou bovendien worden ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige]. Door niet in te gaan op deze door de verdachte ter terechtzitting aangevoerde argumenten, heeft het Hof het verweer onvoldoende gemotiveerd verworpen.

5.4.

Ingevolge art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv dient een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat door de rechter niet is aanvaard, in de uitspraak beargumenteerd te worden weerlegd. Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat voorts niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.1

5.5.

Het Hof heeft, in afwijking van hetgeen door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 2 oktober 2012 is aangevoerd, het betoog van de verdachte dat hij de informatie ingevolge een mondeling door hem gedaan beroep op de Wob ter beschikking kreeg, verworpen omdat het Hof die stelling ongeloofwaardig acht. Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat van een dergelijk beroep op de Wob niet blijkt, dat de verdachte eerdere beroepen steeds schriftelijk deed en dat dat de verdachte voorts uit de aantekening in de afsprakenlijst niet heeft kunnen afleiden dat hem alleen openbare stukken werden verstrekt. Daarin ligt als (gemotiveerd) oordeel van het Hof besloten dat de door de verdachte geopenbaarde informatie wel onder enige geheimhoudingsplicht viel en dat de door de verdachte genoemde stukken uit het dossier en de verklaring van de getuige [getuige] (gemeenteambtenaar) hier niet aan af doen. Het Hof heeft in het bestreden arrest onder het kopje ‘vastgestelde feiten en omstandigheden’2 de verklaring van deze getuige tot het bewijs gebezigd, inhoudende onder meer dat door de verdachte is toegezegd dat hij pas iets met de informatie zou doen en verdere stappen zou ondernemen nadat hij dit met de gemeentelijke organisatie had terug gekoppeld en dat de teneur van het hele gesprek was dat de verdachte op basis van vertrouwen alles zou inzien. Aldus heeft het Hof ook ten aanzien van het in het middel bedoelde onderdeel van het door de verdachte naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt de redenen opgegeven, als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv die ertoe hebben geleid dat dit standpunt niet door het Hof is aanvaard. Mede gelet op het hiervoor onder 4.4. vooropgestelde behoefde het Hof niet nader in te gaan op hetgeen door de raadsman overigens met betrekking tot de door de verdachte genoemde stukken uit het dossier en de verklaring van de verklaring van de getuige [getuige] is aangevoerd.

5.6.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

6.1.

Het derde middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de door de verdachte in de vragen 52 en 53 van bijlage 1 bij de brief van 21 september 2009 bekend gemaakte informatie niet geheim was omdat niet een geheimhoudingsplicht ex art. 25 Gemeentewet tot stand was gekomen, althans de verdachte niet bewust kon zijn van het geheime dan wel vertrouwelijke karakter van deze stukken.

6.2.

Het bestreden arrest houdt – voor wat betreft het in het middel bedoelde verweer – het volgende in:

“Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De verdachte heeft bepleit dat hij van het hem ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Daartoe heeft hij -zakelijk weergegeven- aangevoerd:

(…)

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

(…)

Ad III.

De door de verdachte in de vragen 52 en 53 van bijlage 1 bij de brief van 21 september 2009 bekend gemaakte informatie was naar het oordeel van het hof wel degelijk geheim. Dit blijkt niet alleen uit de mededelingen, die de voorzitter van de gemeenteraad in de vergadering van 25 juni 2009 heeft gedaan, maar ook uit de aard van de documenten, waaraan verdachte deze informatie ontleende, in het bijzonder de notitie "Risicoprofiel Bergse Haven" d.d. 21 maart 2007. Deze notitie bevatte financiële informatie en gegevens van de grondexploitaties en begrotingen, alsmede gevoelige en vertrouwelijke informatie met betrekking tot een project waarmee grote financiële belangen waren gemoeid. Met bekendmaking zouden betrokken marktpartijen hun voordeel kunnen doen, waardoor de belangen van de gemeente konden worden geschaad. Van zo oude informatie, dat openbaarmaking niet meer zou kunnen schaden, was geen sprake. Ook verdachte zelf heeft verklaard dat deze informatie van belang was in verband met onteigening door de gemeente, die op 21 september 2009, in elk geval formeel gezien, nog niet volledig was gestopt.

Dat het vertrouwelijke informatie betrof moet de verdachte, gelet op zijn jarenlange raadservaring en ervaring in rekenkamercommissies, en gelet op de in verband daarmee tijdens de vergaderingen van 23 januari en 25 juni 2009 gedane mededelingen en de bespreking van 15 juli 2009, duidelijk zijn geweest. Het enkele feit dat de meergenoemde notitie niet voorzien was van een stempel "geheim" of "vertrouwelijk", doet hieraan niets af, en evenmin het feit dat de betreffende informatie, naar de verdachte stelt, al eerder, geheel of gedeeltelijk, in een gerechtelijke procedure aan de orde was gekomen en daardoor bij een of meer belanghebbenden bekend was geworden. Wat tegenover de één geen geheim meer is, kan dat tegenover anderen nog steeds zijn.

(…)

In de afsprakenlijst, die werd gemaakt in verband met de inzage van het dossier Bergse Haven door de verdachte, komt de aantekening voor: 'Controle: is het dossier compleet en voldoet: het aan de eisen van de WOB?'. Ook hieraan heeft de verdachte, gelet op de inhoud van hetgeen hem ter inzage werd gegeven, naar het oordeel van het hof niet kunnen afleiden dat hem alleen openbare stukken werden verstrekt.”

6.3. Blijkens de toelichting daarop klaagt het middel erover dat op geen enkele van de (ter inzage) verstrekte stukken was aangetekend dat zij geheim c.q. vertrouwelijk waren zodat, met verwijzing naar HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7668, het “voor de geadresseerde niet kenbaar is dat er een geheimhoudingsplicht is opgelegd en ten aanzien van welke stukken deze geheimhoudingplicht geldt”. Aldus zou niet zijn voldaan aan art. 25, tweede lid, Gemeentewet. Daartoe wijst de steller van het middel op de tot het bewijs gebezigde verklaring van [getuige], waarin deze verklaarde dat het 'de bedoeling was dat het dossier tevoren werd gescreend op de aanwezigheid van vertrouwelijke stukken'. Ook zou dit blijken uit de opmerking van de voorzitter van de gemeenteraadsvergadering dat de gemeenteraad "alle informatie met betrekking tot het project Bergse Haven, ook vertrouwelijke en geheime informatie, mocht inzien”, waardoor het – zo klaagt het middel – temeer van belang is aan te geven welke van de verstrekte stukken onder een geheimhoudingsplicht vallen. Ten slotte wordt gesteld dat de verdachte er tevens op heeft gewezen dat de informatie die hij in zijn vraagstelling had verwerkt, al was ingebracht in een gerechtelijke procedure bij de Raad van State.

6.4. Uit HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7668, waaraan de steller van het middel refereert, maak ik op dat de strekking van art. 25, tweede lid, Gemeentewet is dat van meet af aan duidelijk is dat het om stukken gaat waarvan de inhoud geheim moet blijven en voorts dat die vermelding niet een voorwaarde is voor het ontstaan van de geheimhoudingsverplichting. Het Hof heeft het verweer dat de verdachte niet wist dat de bedoelde bekend gemaakte informatie geheim was, verworpen op de grond dat het voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest dat het vertrouwelijke informatie betrof vanwege – kort samengevat – verdachtes jarenlange raadservaring en ervaring in rekenkamercommissies en de in verband met het karakter van de stukken tijdens de vergaderingen van 23 januari en 25 juni 2009 gedane mededelingen en de bespreking van 15 juli 2009. Daaraan doet naar het oordeel van het Hof niet af dat de betreffende informatie niet was voorzien van een stempel "geheim" of "vertrouwelijk", en evenmin dat die informatie (beweerdelijk) in een gerechtelijke procedure aan de orde was gekomen en daardoor bij een of meer belanghebbenden bekend was geworden. Uit ’s Hofs overwegingen blijkt dat het voor de verdachte “van meet af aan” duidelijk was dat het stukken betrof waarvan de inhoud geheim moest blijven, zodat aan het voorschrift van art. 25, tweede lid, Gemeentewet is voldaan. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ten overvloede merk ik op dat de thans in cassatie geponeerde stelling mij wel bevreemdt, nu de verdachte blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 oktober 2012 verklaarde dat totdat deze kwestie speelde in de gemeente Bergen op Zoom stukken die vertrouwelijk waren nooit werden gekenmerkt met een stempel “vertrouwelijk”.3

6.5. Het middel faalt.

7.1. Het vierde middel klaagt over ’s Hofs verwerping van het verweer dat geen sprake was van een opgelegde geheimhoudingsplicht omdat de gemeenteraad deze nimmer had bekrachtigd ex art. 25, derde lid, Gemeentewet.

7.2. Het bestreden arrest houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:

“De verdachte heeft bepleit dat hij van het hem ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Daartoe heeft hij -zakelijk weergegeven- aangevoerd:

II. dat hij door het opleggen van geheimhouding wordt beperkt in zijn recht van vrijheid van meningsuiting zoals opgenomen in artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens (EVRM); de daarin gestelde regels zijn door middel van artikel 25 van de Gemeentewet vormgegeven;

ingevolge artikel 25 lid 3 van de Gemeentewet dient een eerder door het college van Burgemeester en Wethouders of een commissie opgelegde geheimhouding door de gemeenteraad te worden bekrachtigd, welke situatie zich in Bergen op Zoom tot en met 2009 nooit heeft voorgedaan;

(…)

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

(…)

Ad II.

(…)

Het onderhavige geval bracht een plicht tot geheimhouding mee van aan verdachte als lid van de raad overgelegde stukken, onder welke de notitie "Risicoprofiel Bergse Haven" d.d. 21 maart 2007, zoals bedoeld in artikel 25 lid 4 van de Gemeentewet, en niet, zoals de verdachte stelt, van aan de gemeenteraad zelf overgelegde stukken. Anders dan verdachte meent is artikel 25 lid 3 van de Gemeentewet hier dan ook niet van toepassing, zodat de daarin genoemde procedure ook niet behoefde te worden gevolgd.”

7.3.

Het middel stelt in de toelichting dat sprake was van aan de gemeenteraad overgelegde (c.q. ter inzage aangeboden) stukken, waaronder het stuk waarop de tenlastelegging ziet, en niet slechts aan individuele leden van de raad overgelegde stukken. Dit zou blijken uit het woordelijk verslag van de raadsvergadering van de gemeenteraad van Bergen op Zoom van 25 juni 2009, onder meer inhoudende de zinsnede “u als raad”. Nu deze inzage is aangeboden aan de raad als zodanig had – anders dan het Hof heeft overwogen – de procedure van art. 25, derde lid, Gemeentewet wel gevolgd dienen te worden, en aangezien dat kennelijk nimmer is gebeurd, is de opgelegde geheimhouding van rechtswege vervallen, aldus de steller van het middel.

7.4.

Hetgeen thans in cassatie wordt gesteld is een herhaling van hetgeen door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep wordt aangevoerd. Op dat verweer heeft het Hof in het bestreden arrest reeds voldoende gemotiveerd gerespondeerd. Voor een feitelijk onderzoek is in cassatie geen plaats. Dat in bedoeld woordelijk verslag van de raadsvergadering is opgenomen de zinsnede “u als raad” doet aan het oordeel van het Hof niet af; het in de cassatieschriftuur geciteerde verslag bevat immers eveneens de zinsnede “u” en “uw controlerende taak”. Daaruit zou evengoed kunnen worden opgemaakt dat de geheimhouding juist aan individuele leden van de raad is opgelegd.4

7.5.

Het middel faalt.

8.1.

Het vijfde en tevens laatste middel klaagt dat art. 10 Wob en art. 10 EVRM zijn geschonden, nu de door de verdachte geopenbaarde informatie waarop de tenlastelegging ziet geen informatie is, waarvan de bescherming zodanig noodzakelijk is in een democratische rechtstaat dat het recht op vrije meningsuiting daarvoor kan worden beperkt.

8.2.

Het bestreden arrest houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:

“Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De verdachte heeft bepleit dat hij van het hem ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Daartoe heeft hij -zakelijk weergegeven- aangevoerd:

(..)

II. dat hij door het opleggen van geheimhouding wordt beperkt in zijn recht van vrijheid van meningsuiting zoals opgenomen in artikel 7 van de Grondwet en artikel

10

van het Europees Verdrag van de rechten van de mens (EVRM);

(…)

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

(…)

Ad II.

Ingevolge artikel 10 lid 2 EVRM kan men worden beperkt in zijn grondwettelijk recht van vrijheid van meningsuiting. Dit kan op velerlei manieren, onder meer door een op artikel 25 Gemeentewet gebaseerde geheimhoudingsplicht. De wet biedt de leden van de gemeenteraad voldoende mogelijkheid om tegen een hen opgelegde plicht tot geheimhouding van bepaalde informatie op te komen. Van een onredelijke beperking is op zichzelf geen sprake.

(…).

Ad III. (…) Deze notitie bevatte financiële informatie en gegevens van de grondexploitaties en begrotingen, alsmede gevoelige en vertrouwelijke informatie met betrekking tot een project waarmee grote financiële belangen waren gemoeid. Met bekendmaking zouden betrokken marktpartijen hun voordeel kunnen doen, waardoor de belangen van de gemeente konden worden geschaad. Van zo oude informatie, dat openbaarmaking niet meer zou kunnen schaden, was geen sprake. Ook verdachte zelf heeft verklaard dat deze informatie van belang was in verband met onteigening door de gemeente, die op 21 september 2009, in elk geval formeel gezien, nog niet volledig was gestopt.

8.3.

Het middel klaagt blijkens de toelichting daarop erover dat in de door het Hof aangelegde toets de vraag of de in casu aan verzoeker opgelegde beperking noodzakelijk was in een democratische samenleving "in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen", zoals art. 10 EVRM bepaalt. Tevens zou binnen die toets de vraag naar de proportionaliteit van de opgelegde beperking aan de orde dienen te komen, aldus de steller van het middel. Voorts stelt het middel dat de aard van de informatie niet zodanig is dat de afscherming ervan door geheimhouding noodzakelijk is in een democratische samenleving, nu het gaat om de marktwaarde van percelen die de gemeente wil onteigenen en informatie omtrent mogelijk risicovol financieel beleid aangaande de begroting van een gemeente. Gezien de aard van de informatie, het stadium waarin het project zich bevond en de rol die verzoeker als gemeenteraadslid vervult, wordt bovendien gesteld dat het opleggen van een geheimhoudingsplicht disproportioneel is.

8.4.

Het Hof heeft tot uitdrukking gebracht dat de inbreuk op verdachtes grondwettelijke recht van vrijheid van meningsuiting zoals opgenomen in art. 10 EVRM kan worden beperkt door een op art. 25 Gemeentewet gebaseerde geheimhoudingsplicht. In 's Hofs overweging dat van een onredelijke beperking op zichzelf geen sprake is, nu de wet de leden van de gemeenteraad voldoende mogelijkheid biedt om tegen een hen opgelegde plicht tot geheimhouding van bepaalde informatie op te komen, ligt als zijn oordeel besloten dat het opleggen van een geheimhoudingsplicht de toets aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit kan doorstaan. Voorts is het Hof wel degelijk ingegaan op de stelling dat de aard van de informatie niet zodanig is dat de afscherming ervan door geheimhouding noodzakelijk is in een democratische samenleving en dat sprake was van oude informatie. Het Hof heeft deze verweren verworpen op de grond dat door bekendmaking van de informatie de belangen van de gemeente konden worden geschaad en dat voorts de informatie in verband met onteigening door de gemeente van belang was. Een en ander geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvattingen is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Het middel, waarin wordt miskend dat 's Hofs oordelen in cassatie niet met vrucht kunnen worden bestreden met een herhaling van in hoger beroep gehouden betogen van feitelijke aard, faalt dus.

9.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.

10.

De middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen.

11.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130.

2 Zie voetnoot 13 in het bestreden arrest.

3 Zie het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 oktober 2012, p. 5.

4 Dit nog los van de consequentie die de steller van het middel aan het onderscheid verbindt: Art. 25 lid 4 Gemeentewet houdt in: “De krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding met betrekking tot aan leden van de raad overgelegde stukken wordt in acht genomen totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel, indien het stuk waaromtrent geheimhouding is opgelegd aan de raad is voorgelegd, totdat de raad haar opheft.” Hieruit leid ik af dat bij het uitblijven van bekrachtiging de geheimhoudingsplicht niet zonder meer vervalt. Vgl. CAG voor HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM2422 (81 RO).