Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2543

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-12-2013
Datum publicatie
18-02-2014
Zaaknummer
12/04859
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:347
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Moord. Voorbedachte raad. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:963. Gelet op hetgeen is vooropgesteld m.b.t. mogelijke contra-indicaties is ’s Hofs oordeel dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen hetgeen het Hof in bewijsmiddel 5 heeft vastgesteld over het verloop van de avond en het gewicht dat het Hof kennelijk heeft toegekend aan de gelegenheid tot beraad tijdens de uitvoering van het besluit, in welk verband het Hof echter tevens heeft vastgesteld dat niet is uitgesloten dat verdachte tijdens die uitvoering handelde in ‘grote opwinding’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/04859

Zitting: 3 december 2013

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 15 oktober 2012 – na vernietiging in cassatie van het bij vervroeging gewezen arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 8 oktober 2008 – verdachte wegens primair “moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren. Voorts heeft het Hof een beslissing genomen inzake de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, personenauto, een en ander op de wijze vermeld in het arrest.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, drie middelen van cassatie voorgesteld.

4 Het eerste middel

4.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, ontoereikend is gemotiveerd.

4.2.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder primair bewezenverklaard dat:

“hij op 15 maart 2006 in de gemeente Venray, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer], meermalen, met een mes en/of een schroevendraaier, in de keel althans hals en het lichaam gestoken en gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”

4.3.

Deze bewezenverklaring steunt op bewijsmiddelen die voor een belangrijk deel betrekking hebben op de vraag of de verdachte het slachtoffer niet alleen met een balk heeft geslagen en met een schroevendraaier heeft gestoken, maar, anders dan hij verklaarde, ten slotte ook de keel heeft doorgesneden. Die vraag is door het Hof bevestigend beantwoord. Voor het bewijs van de voorbedachte raad zijn in het bijzonder de volgende bewijsmiddelen van belang:

1. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], inspecteur van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL2350/06-032280, gesloten en getekend op 16 maart 2006 te Horst, als bijlage (p. 636 e.v.) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant, - zakelijk weergegeven -:

Op woensdag 15 maart 2006 omstreeks 21:35 uur werd ik in mijn hoedanigheid van officier van dienst door het regionaal meldcentrum gestuurd naar Venray, [a-straat 1], waar een vrouw onder verdachte omstandigheden dood was aangetroffen. 

In de woning zag ik in de woonkamer een vrouw op haar rug op de grond liggen. Ik zag dat ze gewond was aan haar nek en in een plas bloed lag. Achter de poef zat een man op zijn knieën op de vloer en rustte met zijn hoofd in zijn handen op die poef. Ik zag dat de handen en de kleding van de man besmeurd waren met bloed. De kamervloer was over een groot oppervlak besmeurd met bloed, waarbij het opviel dat er al veel bloed was aangedroogd.

Het slachtoffer bleek later te zijn genaamd: 

[slachtoffer], geboren op [geboortedatum]-1975. 

De man bleek later te zijn genaamd: 

[verdachte], geboren op [geboortedatum]-1970. 

(…)

4. Het deskundigenrapport, genummerd 2006.03.16.104, opgemaakt door H.A. Tromp, arts en patholoog, werkzaam als vast gerechtelijk deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, gesloten en getekend op 21 augustus 2006, voor zover inhoudende, - zakelijk weergegeven -: 

Pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood 

Op 17 maart 2006, heeft ondergetekende, H.A. Tromp, arts en patholoog, de uit- en inwendige schouwing verricht op het lijk van 

[slachtoffer] 

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, gewoond hebbende te Venray, [a-straat 1] en dood aangetroffen te Venray op 15 maart 2006 te omstreeks 21:30 uur, teneinde na te gaan de oorzaak van diens dood en hetgeen verder van belang mocht blijken. 

Bij de sectie op het lijk van [slachtoffer], geboren [geboortedatum] 1975, is het navolgende gebleken: 

A

1. In de hals meerdere snij- en steekletsels met onderliggende doorsnijding van het strottenhoofd en perforatie van de linker halsader (1x) de halsslagaders (3x). 

2. In de rug (bovenzijde links en rechts), de borstkas links, de linkerflank, de hals, de nek en de armen vele (ca. 70) kleine en grotere scherprandige huidperforaties en snijletsels, deels met kneuzing van de wondranden met onderliggend oppervlakkige steekkanalen tot in de weke delen. 

3. Uitgaande van perforaties op rug en borst meerdere perforaties van de borstvliezen links en rechts met perforaties van de linkerlong (4x) met gedeeltelijk samenvallen van de linkerlong. 

4. Uitgaande van één van de perforaties op de borstwand en borst links een onderliggend steekkanaal met perforatie van het hartzakje (1x) en de voorzijde van de rechter hartkamer (1x) met in het hartzakje ca. 50 cc bloed. Lengte Steekkanaal ca. 6 cm, verlopend naar rechts, naar achter en iets naar onder. 

5. Uitgaande van één van de perforaties in de linkerflank was er perforatie van het buikvlies (1x) met omgevende bloeduitstorting. 

6. Op de linker- en rechterhand enkele kleine scherprandige huidsnedes.

7. Op het behaarde hoofd enkele bloeduitstortingen in de schedelhuid en een ruwrandige huidperforatie met weefselbruggen en bloeduitstorting. 

8. Verspreid op het lichaam meerdere oudere en recente huidkneuzingen en oppervlakkige huidbeschadigingen. 

Lengte en richting steekkanalen gemeten aan het gestrekte lichaam. Rond de steekkanalen bloeduitstorting (in iets wisselende mate). 

B

1. In de borstholten ca. 370 cc bloed. 

2. Bleke inwendige organen en tekenen van inademing van bloed. 

C

Geen ziekelijke orgaanafwijkingen van betekenis voor het intreden van de dood. 

D

Bij toxicologisch onderzoek werden in het lichaamsmateriaal geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van alcohol, opiaten, cocaïne-metaboliet, amfetamine-achtige stoffen, methadon, benzodiazepines, cannabinoiden en lichaamsvreemde vluchtige stoffen. Een beïnvloeding op het moment van overlijden werd niet aangetoond. 

Epicrise

Bij sectie bleken vele steek- en snijverwondingen (A1 t/m 5), waarvan de meest ernstige verwondingen A1 en A4 waren met perforatie van o.a. het hart en halsvaten. 

Alle letsels zijn bij het leven opgelopen en waren het gevolg van de inwerking van uitwending mechanisch perforerend en snijdend geweld, zoals door bijvoorbeeld het gebruik van één of meerdere messen. Zij verklaren het overlijden volledig door verbloeding en weefselschade.

De letsels in de hals en het hart zouden tevens op zichzelf het overlijden kunnen verklaren. 

Bevindingen B passen bij verbloeding. 

Letsels A6 zouden kunnen passen bij afweerletsels

Letsels A7 en A8 waren het gevolg van de inwerking van uitwendig mechanisch botsend en/of stomp geweld, zoals door bijvoorbeeld vallen of zich stoten.

Er waren geen ziekelijke orgaanafwijkingen van betekenis voor het intreden van de dood (C). 

Toxicologisch onderzoek (D) was negatief. 

Conclusie

Bij [slachtoffer], oud 30 jaren, is de dood ingetreden door verbloeding en weefselschade ten gevolge van vele steek- en snijletsels. 

5. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 20 september 2011, voor zover inhoudende, - zakelijk weergegeven -: 

De voorzitter vraagt mij of ik vanaf het begin af aan wil vertellen wat er de avond van 15 maart 2006 is gebeurd. Ik was de kinderen naar bed aan het brengen. [slachtoffer] wilde dat ik zou stoppen met het bouwen van kasten. [slachtoffer] dreigde nu bij mij weg te gaan als ik door zou gaan met dit soort dingen. [slachtoffer] en ik kregen hier een woordenwisseling over. Ik ben naar de garage gelopen. Ik heb een houten balk gepakt. Ik heb [slachtoffer] daarmee geslagen. [slachtoffer] stond in de kamer ter hoogte van de keuken. Wij waren met elkaar in gevecht. lk had een schroevendraaier in mijn handen. Ik heb haar toen met de schroevendraaier gestoken. Ik weet niet hoe lang het heeft geduurd. Zij bleef zich verweren. [slachtoffer] mocht niet bij mij weggaan. Niemand gaat weg bij mij en zeker niet met de kinderen. Op een gegeven moment is zij gevallen. Ik heb ook op de grond met haar gevochten. Ik had die schroevendraaier toen nog vast. Bij mijn weten heb ik ook gestoken toen zij op de grond lag. 

Ik ben toen naar buiten gegaan en ik ben in de auto gestapt. Mijn vrouw lag in de kamer. Mijn kinderen lagen in bed. Ik ben van Venray naar Meerlo gereden. Toen kwam ik in Meerlo aan. Ik ben via de achterdeur binnengekomen. Nadat ik had gezien dat ik bloed aan mijn handen had, ben ik mijn handen gaan wassen. Ik heb bij [betrokkene 1] wat gewerkt aan de stroomkabels bij het stopcontact. 

Ik zat bovenop [slachtoffer]. Ik ben rechtshandig. 

(…)

10. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2], brigadier van politie, en [verbalisant 3], agent van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL2350/06-032280, gesloten en getekend op 16 maart 2006 te Venray, als bijlage gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende de verklaring van [betrokkene 2], - zakelijk weergegeven -: 

Gisteravond, woensdag 15 maart 2006, is [verdachte] nog bij mij thuis geweest. Hij was om 20:00 uur bij mij. U vraagt mij of mij gisteravond iets bijzonders is opgevallen aan [verdachte]. [verdachte] was nogal gehaast, maar dat is hij eigenlijk altijd wel. U vraagt mij of mij verder nog iets bijzonders is opgevallen. Nee, ik heb niets bijzonders opgemerkt.”

4.4.

Voorts heeft het Hof, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende overwogen:

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat de door en namens verdachte gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde worden weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. 

(…)

Standpunt van de verdediging 

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen verklaard kan worden dat verdachte met voorbedachte raad het slachtoffer heeft gedood en moord derhalve niet bewezen kan worden verklaard. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld in een blinde razernij, in een hoge mate van opwinding en in een kort tijdsbestek, waarbij geen plaats was voor een mogelijkheid tot bezinning. Verdachte dient derhalve van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsman. (…)

Oordeel van het hof

(…)

Voorbedachte raad

Het hof heeft thans nog de vraag te beantwoorden of verdachte zijn vrouw met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd. Verdachte ontkent dat; de advocaat-generaal acht moord bewezen.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van voorbedachte raad bij verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op de overwegingen van de Hoge Raad in zijn arrest van 28 februari 2012, LJN: BR2342 (overweging 2.7.2.) (1)1:

“Voor een bewezenverklaring van dit bestanddeel moet (...) komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. Mede met het oog op het hierboven aangeduide strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten - anders dan wel uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad wordt afgeleid - aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.” 

Het hof is van oordeel dat verdachte de gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op zijn daad en tot het maken van keuzes gericht op de dood van het slachtoffer. 

Verdachte is op enig moment vanuit de woonkamer naar de garage gelopen en hij heeft daar een houten balk gepakt. Hij is terug gelopen, heeft zijn vrouw van achteren op het hoofd geslagen en daarna nog enkele keren geslagen. Daarna is hij van wapen gewisseld en heeft hij zijn vrouw zeventig steken met een schroevendraaier toegebracht. Hierna is hij weer van wapen gewisseld en heeft hij haar keel/hals doorgesneden. Verdachte heeft zich dus voorafgaand aan, of wat betreft de schroevendraaier en het mes tijdens zijn handelen (daarover bestaat geen duidelijkheid), voorzien van de verschillende wapens en heeft bovendien (tot twee keer toe) tijdens zijn handelen het besluit genomen om een ander, zwaarder wapen ter hand te nemen. Deze handelswijze impliceert bovendien een zeker tijdsverloop, dat ook tussen de verschillende uitvoeringshandelingen de gelegenheid bood tot bezinning, tot het overzien van de reikwijdte van zijn handelen en tot het terugkomen op zijn voornemen. Deze gang van zaken wijst niet op het in het heetst van een twist impulsief aanvallen van het slachtoffer. Dat verdachte zich ook daadwerkelijk bewust is geweest van de reikwijdte van zijn handelen, leidt het hof ook af uit het gegeven dat hij een steeds zwaarder, effectiever wapen ter hand heeft genomen. 

Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van de door de verdediging genoemde contra-indicaties die in de weg zouden staan aan een bewezenverklaring van voorbedachte raad. De raadsman heeft gesteld dat verdachte heeft gehandeld in een blinde razernij en in een hoge mate van opwinding.

Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij kwaad en woest was en in een waas heeft gehandeld, maar op zichzelf staat kwaadheid en boosheid niet in de weg aan de omstandigheid dat het besluit – in juridische zin – in kalm beraad en rustig overleg is genomen. Buiten verdachtes laatste verklaring die het hof alleen geloofwaardig acht voor zover die door objectieve bewijsmiddelen wordt geschraagd, wordt alleen in het rapport van de deskundige Eikelenboom-Schieveld d.d. 1 september 2011 (p. 42) in verband met het grote aantal steken met de schroevendraaier gemeld dat dit wijst op een grote opwinding, maar, als daar al sprake van was, dan kan uit dat rapport niet meer worden afgeleid dan dat die opwinding er (pas) was toen hij al met zijn handelen was begonnen en nadat hij al een keer van wapen was gewisseld.

Verdachtes stelling dat het allemaal in een waas is gebeurd, acht het hof niet te rijmen met de hierboven geschetste feitelijke gang van zaken, die het hof brengt tot de conclusie dat verdachte de gelegenheid heeft gehad zich te beraden en keuzes te maken. De veelheid van handelingen en de beslissingen die verdachte daarbij heeft moeten nemen, maken handelen in een waas niet aannemelijk. Bovendien wijst het gedrag van verdachte na het doden van het slachtoffer niet op een hoge mate van opwinding of emotie of een waas. Verdachte heeft zijn kinderen slapend achtergelaten, heeft het huis te Venray verlaten en is gaan klussen bij een vriend. Die vriend heeft verklaard dat hij niets bijzonders aan verdachte heeft gemerkt.

Al met al is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte in opwelling van boosheid of in een waas heeft gehandeld, maar dat verdachte gelet op zijn handelswijze, voor zover die objectief valt vast te stellen, en het tijdsverloop, over zijn daad en de uitkomst daarvan heeft nagedacht. Het hof acht voorbedachte raad dan ook bewezen.

(1) Nader HR 9 oktober 2012, LJN BX8087.”

4.5.

In zijn overwegingen met betrekking tot het bewijs, waarnaar ik hier kortheidshalve verwijs, wijst het Hof op recente jurisprudentie waaruit volgt dat de Hoge Raad de eisen waaraan het bewijs van de voorbedachte raad moet voldoen, heeft aangescherpt. 2 Onlangs, in HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, heeft de Hoge Raad deze jurisprudentie verduidelijkt. Hij overwoog:

“De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.”

4.6.

Ik stel voorop dat, zoals door de slotopmerking van de zojuist aangehaalde overweging wordt onderstreept, voorbedachte raad een strafverzwaringsgrond is die bewezen moet worden. Het is niet aan de verdachte om aannemelijk te doen worden dat hij in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld, het Hof moet bewijzen, niet alleen dat er gelegenheid tot bezinning is geweest, maar ook dat die gelegenheid daadwerkelijk door de verdachte is benut.

4.7.

Het Hof heeft niet aannemelijk geacht dat de verdachte in een opwelling van boosheid of in een waas heeft gehandeld, nu de verdachte gelet op zijn handelwijze en het tijdsverloop gelegenheid heeft gehad over zijn daad en de uitkomst daarvan na te denken. De conclusie dat de verdachte die gelegenheid ook daadwerkelijk heeft benut, trekt het hof niet, althans niet met zoveel woorden. Wel leidt het Hof uit de omstandigheid dat de verdachte een steeds zwaarder en effectiever wapen ter hand heeft genomen, af dat hij “zich ook daadwerkelijk bewust is geweest van de reikwijdte van zijn handelen”. Die bewustheid is echter niet typerend voor de voorbedachte raad. Als het de verdachte aan het bedoelde bewustzijn had ontbroken, is de vraag of bewezen kon worden dat hij opzet had.

4.8.

Het oordeel van het Hof dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, acht ik niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit bewijsmiddel 5 volgt dat een ruzie, waarbij zijn vrouw dreigde bij hem weg te gaan en de kinderen mee te nemen, de directe aanleiding vormde van de door verdachte tegen zijn vrouw gerichte geweldshandelingen. Van een vooropgezet plan was derhalve geen sprake. Dat wijst op de aanwezigheid van een of meer van de door de Hoge Raad genoemde contra-indicaties. Voor zover het Hof heeft geoordeeld dat er gelegenheid tot bezinning is geweest toen de verdachte naar de schuur liep en met een houten balk terugkwam – waarbij het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat het besluit om zijn vrouw te doden toen al was genomen – lijkt te gelden “dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering”. Voor zover het Hof heeft aangenomen dat de gelegenheid tot bezinning zich voordeed op de momenten waarop de verdachte van wapen wisselde, geldt als contra-indicatie “dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat”. Dat dit, om met het Hof te spreken, niet een door de verdediging (expliciet) genoemde contra-indicatie is, maakt dat niet anders. Bovendien komt ook ’s Hofs oordeel dat geen sprake was van de wel door de verdediging genoemde contra-indicatie, namelijk dat de verdachte handelde in blinde drift, mij niet overtuigend voor. Het Hof sluit blijkens zijn overwegingen bepaald niet uit dat het steken met de schroevendraaier in grote opwinding geschiedde. Dat er geen “objectieve bewijsmiddelen” zijn waaruit blijkt dat ook het doorsnijden van de keel in grote opwinding geschiedde, moge zo zijn, maar daaruit kan niet het tegendeel worden afgeleid, namelijk dat de verdachte inmiddels tot bedaren was gekomen. Dat, zoals het Hof overweegt, met de feitelijke gang van zaken “niet te rijmen” is dat de verdachte in een waas heeft gehandeld, vermag ik dan ook niet in te zien. Het lijkt mij eerlijk gezegd waarschijnlijker dan niet dat al het handelen van de verdachte in grote opwinding geschiedde.

4.9.

Voorbedachte raad moet zoals gezegd bewezen worden. Van belang is dat de bewijsoverwegingen van het Hof noch de gebezigde bewijsmiddelen positieve aanwijzingen bevatten waaruit voorbedachte raad kan worden afgeleid. Van een vooropgezet plan blijkt als gezegd niet.3 De vele verwondingen bij het slachtoffer – zeker negen stompe trauma’s als gevolg van het slaan met een stuk hout, ongeveer zeventig steek- en kraswonden als gevolg van het steken met een schroevendraaier en minimaal vier snijwonden in de hals als gevolg van het snijden met een mes (bewijsmiddel 6) – wijzen voorts bepaald niet op planmatig of koelbloedig handelen.4 Eerder het tegendeel zou ik zeggen.

4.10.

Tot slot merk ik nog op dat ook het door het Hof beschreven gedrag van verdachte na het doden van zijn vrouw naar mijn mening geen sterke aanwijzing vormt dat met voorbedachte raad is gehandeld. Dat verdachte zijn kinderen slapend heeft achtergelaten in het huis waar hij zojuist hun moeder met veel geweld om het leven heeft gebracht en waar haar ontzielde lichaam zich op dat moment nog bevindt om vervolgens te gaan klussen bij een vriend, is niet direct gedrag dat men verwacht van iemand die de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en die zich daarvan ook daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. Dat gedrag past in elk geval ook bij iemand die heeft gehandeld in een hoge mate van opwinding of emotie of een waas.

4.11.

Het middel slaagt.

5 Het tweede en het derde middel

5.1.

Nu het eerste middel slaagt, behoeven het tweede en het derde middel, die uitsluitend zien op de strafmotivering en de strafoplegging door het Hof, geen bespreking. Uiteraard ben ik, indien de Hoge Raad over het eerste middel anders zou oordelen, tot een aanvullende conclusie bereid.

6. Het eerste middel slaagt. Dat brengt mee dat het tweede en het derde middel buiten bespreking kunnen blijven.

7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 De door het Hof gebruikte voetnoot heb ik onder het citaat weergegeven.

2 O.m. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518.

3 Daarin verschilt de zaak van die in HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1113.

4 Daarin verschilt de zaak van die in HR 15 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5679.