Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2505

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-12-2013
Datum publicatie
11-02-2014
Zaaknummer
12/05353
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:299, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Grondslagverlating. Art. 312.1 Sr. De opvatting dat in geval diefstal is voorafgegaan door of vergezeld van geweld a.b.i. art. 312.1 Sr geen sprake kan zijn van het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, is gelet op de strekking van deze bepaling om diefstal onder verzwarende omstandigheden strafbaar te stellen onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/05353

Zitting: 3 december 2013

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 25 oktober 2012 verdachte wegens 1. “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen”, 2. primair “medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden” en 4. eerste cumulatief/alternatief “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Hof de gevangenneming van de verdachte bevolen. Ten slotte heeft het Hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij tot € 390,00 toegewezen en de verdachte een schadevergoedingsmaatregel terzake opgelegd, een en ander als omschreven in het bestreden arrest.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4 Het eerste middel

4.1.

Het middel klaagt dat het Hof, door onder 4 bewezen te verklaren dat de verdachte medepleger is van een diefstal die is voorafgegaan en vergezeld van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, het wettelijk kader van art. 312 Sr heeft miskend en de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, althans heeft het Hof daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

4.2.

Aan de verdachte is onder 4 (parketnummer 09-607963-10) primair1 tenlastegelegd dat:

“hij op of omstreeks 10 september 2010 te Noordwijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op de Schoolstraat, althans op een openbare weg, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee, althans een of meer, (geld)koffer(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- slaan/stompen in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd en/of tegen het lichaam van [slachtoffer] en/of

- sprayen van een bijtende/prikkelende substantie in het gezicht van [slachtoffer] en/of

- rukken/trekken aan een/de arm(en) van [slachtoffer] en/of aan die koffer(s), die door [slachtoffer] vastgehouden werd(en);”

4.3.

Daarvan heeft het Hof bewezenverklaard dat:

“hij op 10 september 2010 te Noordwijk tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, op de Schoolstraat, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (geld)koffer toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld bestond uit het

- slaan in/tegen het gezicht en tegen het hoofd en tegen het lichaam van [slachtoffer] en

- sprayen van een bijtende/prikkelende substantie in het gezicht van [slachtoffer] en

- rukken/trekken aan een arm van [slachtoffer] en/of aan die koffer, die door [slachtoffer] vastgehouden werd.”

4.4.

De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 312 lid 1 Sr. Dat artikellid luidt:

“Met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.”

4.5.

Het middel berust in de eerste plaats op de opvatting dat geweld dat is voorafgegaan aan de diefstal slechts kan worden gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden. Voorts berust het middel op de opvatting dat geweld dat is gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad van de diefstal aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, slechts kan zien op geweld dat op de diefstal is gevolgd. Ter onderbouwing van die opvattingen wordt aangevoerd dat in de rechtspraak “voortdurend, enkele uitzonderingen daargelaten” het bestanddeel “voorafgegaan van geweld” wordt gekoppeld aan het oogmerk om de diefstal voor te bereiden, dat het bestanddeel “vergezeld van geweld” wordt gekoppeld aan het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en dat het bestanddeel “gevolgd van geweld” wordt gekoppeld aan het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf (en aan zijn mededaders) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

4.6.

Ik merk op dat het mij niet bevreemdt als het (inderdaad) zo zou zijn dat in de rechtspraak de hiervoor bedoelde “koppelingen” het meeste voorkomen. Het ligt immers voor de hand dat bijvoorbeeld geweld dat voorafgaat aan een diefstal wordt gepleegd met het oogmerk om iemand te kúnnen bestelen en derhalve die diefstal voor te bereiden. Dat neemt niet weg dat aan de enkele omstandigheid dat bepaalde koppelingen vaak voorkomen niet de conclusie kan worden verbonden dat andere koppelingen niet rechtens zouden zijn. De werkelijkheid, waarmee het recht rekening heeft te houden, is nu eenmaal dat de dader met het geweld dat hij pleegt meer oogmerken tegelijk kan hebben. Zo is het bij bijvoorbeeld een overval op een bank ‘handig’ om eerst de bewakers uit te schakelen (bijvoorbeeld door ze vast te binden). Dat is niet alleen een voorbereiding op de diefstal, het maakt die diefstal ook gemakkelijk en het maakt bovendien dat de daders er ongestoord met de buit vandoor kunnen gaan.2 Dat alles zal bij een beetje dader ook precies de bedoeling zijn. Bij dit alles komt dat de ratio legis bepaald niet dwingt tot de gewrongen onderscheidingen die het middel voorstaat. Het in art. 312 Sr bedoelde geweld (of de bedreiging daarmee) wordt niet op zichzelf bestraft, maar omdat het de aard van de diefstal ernstiger maakt. Het artikel is dus als één geheel gedacht, als een diefstal onder verzwarende omstandigheden.3 Voor het rechtsgevolg maakt het derhalve niet uit of het geweld is gepleegd voorafgaande, tijdens of na de diefstal en met welk van de in art. 312 Sr bedoelde oogmerken dat geweld is gepleegd.

4.7.

Steun voor deze benadering is te vinden in HR 1 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:819. In die zaak was de verdachte veroordeeld voor gekwalificeerde doodslag (art. 288 Sr). De Hoge Raad oordeelde dat de opvatting onjuist is dat van het oogmerk om aan zichzelf of andere deelnemers het bezit van het wederrechtelijk “verkregene” te verzekeren, pas sprake kan zijn nadat het strafbare feit waarmee de doodslag samenhangt, is voltooid. Van een koppeling zoals in het middel wordt voorgestaan, wilde de Hoge Raad dus niet weten. Dit ondanks het taalkundige argument dat van het “verkregene” pas sprake kan zijn na de voltooiing van het misdrijf. Juist de wetsgeschiedenis – waaraan de steller van het middel een argument meent te kunnen ontlenen – wees in andere richting.4 Gelet op de overeenkomstige structuur van de artikelen 288 en 312 Sr is het oordeel van de Hoge Raad mijns inziens ook van toepassing op art. 312 Sr.

4.8.

Door bewezen te verklaren dat de verdachte medepleger is van een diefstal die is voorafgegaan en vergezeld van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, heeft het Hof de grondslag van de tenlastelegging dan ook niet verlaten en evenmin blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

4.9.

Het middel faalt.

5 Het tweede middel

5.1.

Het middel klaagt dat het onder 4 bewezenverklaarde onvoldoende met redenen is omkleed, nu uit de bewijsmiddelen niet kan blijken dat de diefstal is voorafgegaan van geweld en/of uit de bewijsmiddelen niet kan blijken dat het geweld is gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

5.2.

Het onder 4 bewezenverklaarde berust onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

2. Een proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 10 september 2010 van Politie Hollands Midden met nr. PL1612 2010139314-1 (blz. 28 tot en met 30 van dossiernummer PL1611/2010 139314). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als de op 10 september 2010 afgelegde verklaring – zakelijk weergegeven - van [slachtoffer]:

Op 10 september 2010 werd op de [a-straat 1] te Noordwijk een overval gepleegd. Ik ben eigenaar van "[A]" een bedrijf voor sport en feesten. Ik heb de weekopbrengst in een koffer gedaan. Ik had de administratie van die week in een andere koffer gedaan. Op 10 september 2010 omstreeks 03.30 uur kwam ik aan op de [a-straat] te Noordwijk. Ik liep naar mijn woning. Ik had de twee koffers bij mij. In mijn rechterhand de koffer met administratie en in mijn linkerhand de koffer met de weekopbrengst. Toen ik bij mijn woning aankwam, zag ik twee mannen op mij af komen rennen. De twee mannen kwamen vanaf een slopje ter hoogte van [a-straat 2]. Ze kwamen op mij afrennen en vlogen mij om mijn nek. Ik kreeg gelijk pepperspray in mijn gezicht gespoten. Ik hield mijn koffers stevig vast. De twee mannen begonnen mij te slaan. Ik heb de rechter koffer losgelaten. Ik voelde klappen op mijn romp en mijn gezicht. Ik heb door het slaan de andere koffer ook los moeten laten.

Ik zag dat de twee mannen richting de De Ruijterstraat renden. Ik zag op de kruising De Ruijterstraat met de Julianastraat een geparkeerd staan (het hof begrijpt: "een auto geparkeerd staan"). Ik zag dat een van de verdachten mijn koffer in die auto gooide. Ik heb samen met nog twee mannen een verdachte vastgepakt. Ik heb zijn bivakmuts van zijn hoofd getrokken. Ik heb die jongen eerder gezien, ik kende hem van gezicht. Ze hebben mij opgewacht en moesten hebben geweten dat ik met de weekopbrengst naar huis zou komen.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

3. Een proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 10 september 2010 van Politie Hollands Midden met nr. PL1614 2010139314-19 (blz. 33 tot en met 36 van dossiernummer PL1611/2010 139314). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als de op 10 september 2010 afgelegde verklaring – zakelijk weergegeven - van [slachtoffer]:

Op 9 september 2010 was ik aan het werk in party – en sportcentrum "[A]". Deze dag hebben wij de hoogste omzet ooit gedraaid. Iedereen wist dat de omzet hoog was, het was erg druk deze dag. Ik heb het geld in een koffer gedaan. Er zat ongeveer tussen de € 28.000,- en € 30.000,- in de koffer. Op 10 september 2010 ben ik naar mijn woning gelegen aan de [a-straat 1] te Noordwijk gereden. Ik liep met de twee koffers in mijn hand naar mijn woning. Opeens zag ik dat er twee personen op mij af kwamen rennen. Ik zag dat beide personen een bivakmuts op hadden. Ik zag en voelde dat beide personen op mij sprongen. Ik zag en voelde dat ze op mij in begonnen te beuken. Ik voelde meteen een vloeibare straal in mijn ogen die heel erg prikte. Ik wist dat dit pepperspray was. De straal pepperspray was zoveel dat ook mijn hele borst daarvan nat was. Ik liet de administratiekoffer los en ik hield de geldkoffer goed vast. Er zat zoveel geld in de koffer dat ik niet van plan was deze los te laten. Ik voelde dat ik aan de rechterkant van mijn hoofd ter hoogte van mijn slaap gestompt werd. Ik voelde dat ik aan de rechterzijde van mijn maag gestompt werd. Ik voelde dat er met kracht werd geslagen. Ik werd nog om mijn keel gepakt en heb nog meerdere klappen gehad. Ik voelde dat er aan mijn arm, waar ik de koffer met geld in vast had, getrokken en geslagen werd. Ik liet de koffer los en ik zag dat een van de mannen met de koffer wegrende richting de De Ruijterstraat. Ik noem deze persoon vanaf nu man 1. Ik lag op dat moment op de grond en ik had de andere man nog vast. Ik zag dat de andere man vervolgens los kwam en ook wegrende richting de De Ruijterstraat. Ik noem deze persoon vanaf nu man 2. Ik ben er meteen achteraan gerend. Ik zag dat man 1 een stuk voor man 2 rende. Ik zag dat beide mannen links afsloegen de De Ruijterstraat in. In de De Ruijterstraat zag ik dat man 1 op ongeveer een halve straatlengte afstand van mij af rende. Ik zag dat man 2 ongeveer 20 à 30 meter achter man 1 rende. Ik zag dat man 1 de koffer in zijn hand had.

Ik zag dat [betrokkene] in de De Ruijterstraat man 2 tegenhield en vervolgens ben ik er ook bij gekomen. Ik had geen zicht meer op man 1, ik had nog wel gezien dat man 1 rechtsaf de Julianastraat in gerend was.

Ik zag een auto geparkeerd staan. Ik zag dat het linker portier open stond. Ik zag dat mijn koffer op de achterbank stond.”

5.3.

Uit deze bewijsmiddelen blijkt dat de verdachten op het slachtoffer kwamen afrennen, hem om zijn nek vlogen, pepperspray in zijn gezicht spoten, hem begonnen te slaan en te stompen, hem om zijn keel pakten en aan zijn arm - waarmee hij de koffer met geld vasthield - trokken en sloegen waarna hij de koffer met geld losliet. Het Hof kon dan ook oordelen dat een deel van het geweld aan de diefstal voorafging. Overigens ontgaat mij het belang bij deze klacht, nu ook met weglating van het bewezenverklaarde “welke diefstal werd voorafgegaan van geweld” de strafverzwaringsgrond uit art. 312 Sr aanwezig blijft, nu het Hof immers tevens heeft bewezenverklaard dat de diefstal werd vergezeld van geweld.

5.4.

Gelet op de hiervoor onder 5.2 weergegeven bewijsmiddelen is ’s Hofs oordeel dat het bewezenverklaarde geweld werd gepleegd met onder meer het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren niet onbegrijpelijk. Ook hier geldt overigens dat het belang van de klacht mij ontgaat, nu het Hof immers eveneens “het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken” heeft bewezenverklaard.

5.5.

Het middel faalt.

6. De middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Het Hof spreekt van “onder 4 eerste cumulatief/alternatief”.

2 Bij diefstal met geweld wordt het feit per definitie op heterdaad ontdekt, namelijk door het slachtoffer van het geweld. Het slachtoffer ontleent daaraan de bevoegdheid de verdachte te achtervolgen en aan te houden (art. 53 Sv).

3 Machielse in Noyon Langemeijer Remmelink, aant. 2 bij art. 312 (bijgewerkt tot 1 augustus 2007).

4 Zie daarover de conclusie die aan het arrest voorafging (ECLI:NL:PHR:2013:842), waarnaar ik kortheidshalve verwijs.