Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2502

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-12-2013
Datum publicatie
11-02-2014
Zaaknummer
13/02035
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:294, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Moord, voorbedachte raad. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:963. Het Hof heeft zijn oordeel in het licht van de vooropstellingen m.b.t. mogelijke contra-indicaties in voornoemd arrest ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat de gelegenheid voor de verdachte om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven, zich in het bijzonder voordeed “gedurende het tijdsbestek dat hij rechtstreeks na het slaan naar de keuken is gelopen om een mes te pakken en weer terug te lopen naar het slachtoffer”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/02035

Mr. Vegter

Zitting 3 december 2013 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 10 januari 20121 heeft het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch op 4 december 2012 de verdachte ter zake van primair “moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien jaren, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr. Voorts heeft het Hof de gevangenneming van de verdachte bevolen.



2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. G. Meijers en mr. K. Canatan, advocaten te Amsterdam, hebben een schriftuur ingezonden, houdende vijf middelen van cassatie.

3. Ik vang aan met de bespreking van het derde middel.

4.1. Het derde middel klaagt dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, omdat de bewezenverklaarde "voorbedachte raad" niet uit de bewijsvoering van het Hof kan worden afgeleid.

4.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

“op 06 april 2007 te Tilburg opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes negen maal in de rug van [slachtoffer] gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;”

4.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

“G2.1. Hoe en wanneer is [slachtoffer] om het leven gebracht?

a. Het slachtoffer, [slachtoffer], is op 6 april 2007 omstreeks 16 30 uur thuis gekomen in haar woning aan de [a-straat 1] te Tilburg (hierna: de woning) (zie o.a. bewijsmiddel D14)

b. Op enig moment daarna is de dader in de woning gekomen. De dader heeft slippers toebehorend aan verdachte, aangedaan, heeft een breekijzer ter hand genomen en heeft met het breekijzer (in de hal van de woning) [slachtoffer] enkele malen op haar hoofd geslagen ten gevolge waarvan zij hevig gewond is geraakt en is gaan bloeden. (zie o.a. bewijsmiddelen B2, C1, C2)

c. De dader is vervolgens op de slippers naar de keuken gelopen, heeft daar een mes gepakt en is vervolgens teruggelopen naar de hal en heeft daar [slachtoffer] negen maal in haar rug gestoken. (zie o.a. bewijsmiddelen A3, A4, B2, C1, C2, C3, C4, C9, C10)

d. De dader heeft na zijn daad de slippers in de hal, naast het slachtoffer dat op de grond lag, achtergelaten en is kennelijk naar boven gegaan om zich te ontdoen van de bloedsporen. De dader heeft vervolgens de woning verlaten. (zie o.a. bewijsmiddelen C1, C2, C5, C11, C14, C15)

e. Het slachtoffer [slachtoffer] wordt om 21.32 uur door de politie liggend in de hal van de woning met een mes in haar rug in een grote plas bloed aangetroffen. Zij blijkt negen maal in haar rug te zijn gestoken en is ten gevolge daarvan overleden (zie o.a. bewijsmiddelen A1, A2, A3, A4, B1, B2)

G2.2. Wie heeft [slachtoffer] om het leven gebracht?

(…)

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden stelt het hof allereerst vast dat [slachtoffer] op 6 april 2007 tussen ongeveer 16.30 en ongeveer 21.30 uur om het leven is gebracht.

Vaststaat dat verdachte in die periode enige tijd alleen met [slachtoffer] in de woning is geweest.

(…)

G2.2.5

Het vorenstaande dient naar het oordeel van het hof tot de conclusie te leiden dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de persoon is geweest die zijn echtgenote [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.

G2.3. Moord of doodslag?

G2.3.1

De raadsman heeft aangevoerd dat de aard en veelheid van de verwondingen van het slachtoffer veeleer duiden op een zeer emotionele dader en derhalve op een ogenblikkelijke gemoedsopwelling bij de dader zodat de feiten en omstandigheden veeleer duiden op doodslag dan op moord.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

G2.3.2

Voor een bewezenverklaring van moord is onder meer vereist dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Daarvan is sprake indien de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de beoordeling van dit criterium moet een weging en waardering worden gemaakt van de omstandigheden van het concrete geval, met dien verstande dat het gewicht moet worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van de voorbedachte raad pleiten.

G2.3.3

In het voorliggende geval kan aan de hand van de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat er zich een scenario heeft afgespeeld waarin verdachte zijn echtgenote in de hal van zijn woning enkele malen met een breekijzer op het hoofd heeft geslagen. [slachtoffer] is ten gevolge van deze slagen ernstig gewond geraakt op haar hoofd en hevig gaan bloeden. Niet kan worden uitgesloten dat zij hierdoor ook het bewustzijn heeft verloren. Op enig moment na het slaan met het breekijzer (ten minste voor zijn vertrek om ongeveer 18.30 uur, maar niet kan worden uitgesloten eerst na terugkomst om ongeveer 21.00 uur) is verdachte (op zijn slippers) naar de keuken gelopen, heeft het keukenmes gepakt, is terug gelopen naar de hal, en heeft vervolgens daar zijn echtgenote 9 maal met het mes in de rug gestoken ten gevolge waarvan zij is overleden.

G2.3.4

Het hof acht bewezen dat de verdachte tenminste gedurende het tijdsbestek dat hij rechtstreeks na het slaan naar de keuken is gelopen om een mes te pakken en weer terug te lopen naar het slachtoffer, tijd heeft gehad om zich te beraden op het besluit om zijn echtgenote van het leven te beroven; tijd die hij naar het oordeel van het hof ook daadwerkelijk voor een dergelijke bezinning heeft kunnen benutten. Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken van contra-indicaties die er op wijzen dat verdachte een dergelijke bezinning niet heeft kunnen maken, omdat hij in een drift of opwelling zou hebben gehandeld. Een weging en waardering van de omstandigheden van dit geval brengt het hof dan ook tot de conclusie dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, in die zin dat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Derhalve acht het hof het primair ten laste gelegde (moord) wettig en overtuigend bewezen.”

4.4. Uit recente jurisprudentie volgt dat de Hoge Raad de eisen waaraan het bewijs van de voorbedachte raad moet voldoen, heeft aangescherpt. In HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518 overwoog de Hoge Raad:

“Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.“

4.5. In aanvulling daarop overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963 het volgende:

“De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.”

4.6. Uit het bestreden arrest volgt dat het Hof bewezen acht dat de verdachte zijn echtgenote [slachtoffer] in de hal van hun huis enkele malen met een breekijzer op het hoofd heeft geslagen, zij ten gevolge van deze slagen ernstig gewond is geraakt op haar hoofd en hevig is gaan bloeden, de verdachte rechtstreeks na het slaan naar de keuken is gelopen om een keukenmes te pakken, hij weer is teruggelopen naar zijn echtgenote en haar vervolgens negen maal met het mes in de rug heeft gestoken ten gevolge waarvan zij is overleden.

4.7. Gelet op de recente jurisprudentie van de Hoge Raad omtrent “voorbedachte raad” is het oordeel van het Hof niet begrijpelijk. Het Hof heeft immers geoordeeld dat de gelegenheid voor de verdachte om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven, zich in het bijzonder voordeed “tenminste gedurende het tijdsbestek dat hij rechtstreeks na het slaan naar de keuken is gelopen om een mes te pakken en weer terug te lopen naar het slachtoffer”. De lengte van de tijdsspanne tussen besluit en uitvoering is mede bepalend voor de tijd die de verdachte heeft gehad om zich te beraden. Enkel een tijdsverloop is onvoldoende om te spreken van een moment tot bezinning. De vraag is of de verdachte in de onderhavige zaak de gelegenheid om zich te beraden werkelijk heeft gehad. Gelet hierop is het oordeel van het Hof dat sprake is geweest van “voorbedachte raad” niet begrijpelijk, zodat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

4.8. Het derde middel is terecht voorgesteld.

5. Aangezien daarvan het gevolg dient te zijn dat de bestreden uitspraak wordt vernietigd, kunnen de overige middelen mijns inziens onbesproken blijven. Mocht de Hoge Raad dit anders zien, dan ben ik uiteraard tot aanvullend concluderen bereid.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, tot verwijzing van de zaak naar een hof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie zaaknummer 10/01715.