Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2498

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-12-2013
Datum publicatie
11-02-2014
Zaaknummer
13/02515
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:297, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/02515

Mr. Vegter

Zitting 10 december 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Bij arrest van 6 november 2012 heeft het Hof te Amsterdam de verdachte wegens ‘poging tot doodslag’, ‘afpersing, meermalen gepleegd’, ‘medeplegen van afpersing, meermalen gepleegd’ alsmede ‘medeplegen van afpersing’, veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren. Tevens heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 8.000,- in combinatie met de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr te vervangen door 85 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof beslist inzake een in beslag genomen personenauto.

2. Namens de verdachte heeft mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingediend houdende vijf middelen van cassatie.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof het verzoek getuigen te horen – gelet op HR 1 februari 1994, NJ 1994/427 m.nt. G.J.M. Corstens – op onjuiste gronden dan wel ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Als gevolg hiervan zou de verdachte geen eerlijk proces hebben gehad.

4. Het middel heeft betrekking op het verzoek om een viertal getuigen ter terechtzitting van het Hof te horen: [betrokkene 1]; [betrokkene 2]; [betrokkene 3] en [betrokkene 4].

5. Het hof heeft de verzoek om deze getuigen te horen, afgewezen en daartoe blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 5 maart 2012, het volgende overwogen:

- ‘dat het verzoek van de verdediging om [betrokkene 1] als getuige te horen wordt afgewezen omdat daartoe geen noodzaak bestaat, nu de door de verdediging gesignaleerde discrepanties tussen de verklaringen van de aangever bij de politie en diens verklaring bij de rechter-commissaris – zo daarvan al sprake is – niet van dien aard zijn dat het opnieuw horen van deze getuige ter opheldering daarvan noodzakelijk is;

- […]

- dat het verzoek van de verdediging om [betrokkene 2] als getuige te horen wordt afgewezen. Nu deze getuige bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat wat hij bij de politie heeft verklaard de waarheid is, is er - wat er overigens ook zij van de verklaring dat hij gedwongen zou zijn geweest om aangifte te doen – geen noodzaak voor het opnieuw horen van deze getuige;

- dat het verzoek van de verdediging om [betrokkene 3] als getuige te horen wordt afgewezen, nu het hof uit hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht de noodzaak voor het opnieuw horen van deze getuige niet heeft kunnen afleiden. Deze noodzaak is ook niet anderszins gebleken;

- dat het verzoek van de verdediging om [betrokkene 4] als getuige te horen wordt afgewezen omdat de noodzaak daartoe - mede tegen de achtergrond van de beslissing om [betrokkene 5], [betrokkene 6] en [betrokkene 7] als getuige te horen - niet is gebleken; de getuige is al eerder in aanwezigheid van de verdediging door de rechter-commissaris gehoord. Evenmin acht het hof het voor de waarheidsvinding noodzakelijk dat deze getuige nog wordt geconfronteerd met hetgeen naar aanleiding van zijn verklaring gehoorde getuigen hebben verklaard. Alle procespartijen kunnen op grond van de thans voorhanden zijnde verklaringen hun standpunt afdoende naar voren brengen en het hof is op dit punt voldoende voorgelicht om, na het horen van die standpunten zijn conclusies te trekken’.

6. In de kern behelst de toelichting de klacht dat het Hof de getuigen ter terechtzitting had moeten horen omdat zij hun voor de verdachte belastende verklaring hadden ingetrokken. Het beroep dat hiertoe wordt gedaan op HR 1 februari 1994, NJ 1994/427 m.nt. G.J.M. Corstens, ziet evenwel over het hoofd dat de daarin gegeven regel die hier van belang is, betrekking heeft op het geval waarin de getuige ‘door een rechter is gehoord en ten overstaan van deze die verklaring heeft ingetrokken of een op essentiële punten ontlastende nadere verklaring heeft afgelegd’.1

7. Niet is aangevoerd noch aannemelijk is dat de getuigen ten overstaan van een rechter hun verklaring hebben ingetrokken.2 Met betrekking tot de getuige [betrokkene 1] heeft het Hof overwogen dat de door de verdediging gesignaleerde discrepanties ‘niet van dien aard zijn dat het opnieuw horen van deze getuige ter opheldering daarvan noodzakelijk is.’ Hieruit volgt dat, naar het oordeel van het Hof, geen sprake is van een op essentiële punten ontlastende nadere verklaring. In cassatie wordt niet aangevoerd dat het oordeel van het Hof dienaangaande onbegrijpelijk is maar dat ‘de getuigen zelf ook volgens het hof ten overstaan van de rechter-commissaris op essentiële punten andersluidende verklaringen hebben afgelegd die geheel of deels ontlastend zijn’. Dit onderdeel van de klacht mist feitelijke grondslag gelet op de overwegingen van het Hof zoals die hierboven zijn weergegeven.

8. Dit onderdeel van het middel faalt.

9. Het feit dat het op 18 juni 2010 opgemaakte proces-verbaal – zoals in de toelichting wordt aangevoerd – in strijd met de verbaliseringsplicht een jaar na de mutatie zou zijn opgemaakt, doet aan een en ander niet af zodat ook dit onderdeel van het middel faalt.

10. Het middel faalt in alle onderdelen.

11. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte poging tot doodslag bewezen heeft verklaard.

12. Onder 1 primair heeft het Hof ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat

‘hij op 8 september 2009 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [betrokkene 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [betrokkene 1] met een schroevendraaier in zijn nek heeft gestoken’.

13. In de toelichting op het middel wordt onder meer aangevoerd dat de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd is doordat enkele door Hof tot bewijs gebezigde verklaringen onbetrouwbaar zijn zoals ter terechtzitting van het Hof is aangevoerd. In zijn arrest heeft het Hof evenwel overwogen dat en waarom hij de betreffende verklaringen wel degelijk betrouwbaar acht. Dat is bij uitstek een feitelijk oordeel van de feitenrechter dat in cassatie niet kan worden getoetst. Dit geldt ook voor het oordeel van het Hof dat de in de garage aangetroffen schroevendraaier de schroevendraaier is waarmee de verdachte het slachtoffer heeft gestoken. Anders dan in de toelichting wordt aangevoerd, maakt het feit dat een en ander zich in een garage heeft afgespeeld het juist des te aannemelijker dat met een daar voorhanden zijnde schroevendraaier is gestoken. In een kapperszaak had het steken met een schroevendraaier vragen naar de herkomst van de schroevendraaier opgeroepen.

14. De klacht dat ‘door geen enkel bewijsmiddel ondersteund [wordt] dat sprake zou zijn van een met stekende kracht een beweging maken in de richting van de zijkant van de nek’ wordt weerlegd door de – door het Hof tot bewijs gebezigde – verklaring van het slachtoffer, dat hij met een schroevendraaier in de nek is gestoken, de verklaring van getuige [betrokkene 13] dat een steekbeweging werd gemaakt en de (de auditu) verklaring van de verdachte dat hij iemand met een schroevendraaier had gestoken.

15. Met betrekking tot het voorwaardelijk opzet om [betrokkene 1] van het leven te beroven, heeft het Hof in zijn arrest het volgende overwogen:

‘Naar het oordeel van het hof wijst het met zekere kracht met een schroevendraaier een stekende beweging maken in de richting van de zijkant van de nek van een persoon ten minste op voorwaardelijk opzet op de dood van die persoon, al was het maar omdat - naar algemeen bekend is - zich op die plaats de halsslagader bevindt. Dat de verdachte zich daarvan bewust is geweest, leidt het hof af uit de verklaring van [betrokkene 1], die de verdachte heeft horen zeggen dat hij hem dood zou maken.’

16. Anders dan in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, heeft het Hof voorwaardelijk opzet niet gebaseerd op de ‘enkele omstandigheid dat de halsslagader zich in de nek bevindt en de oppervlakkige schaafwond daar is waargenomen’. Het Hof wijst ook op de verklaring van de verdachte dat hij de verdachte dood zou maken.

17. Het oordeel van de arts dat sprake is van een oppervlakkige schaafwond maakt het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk. Daarmee is niet gezegd dat het irrelevant letsel is, maar dat de geconstateerde verwonding niet door de huid is gegaan. Uit de eveneens in de bewijsvoering gebruikte verklaringen van een ambulancebroeder (‘dat [betrokkene 1] geluk heeft gehad; als de schroevendraaier door de nek was gegaan, was het bloed eruit gespoten’) en de (eveneens de auditu) verklaring van een ziekenhuismedewerker (‘dat het heel gevaarlijk was geweest en dat als het iets dieper was geweest, het voorwerp in zijn keel was gegaan’) heeft het Hof kunnen opmaken dat indien de schroevendraaier door de huid was gegaan een voor het slachtoffer levensbedreigende situatie was ontstaan.

18. Het middel faalt in alle onderdelen.

19. Het derde middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk is nu een tweetal door het Hof ten laste van de verdachte bewezen verklaarde uitlatingen geen bedreiging met geweld opleveren terwijl het bewijs van een andere uitlating slechts berust op de verklaring van één getuige welke niet door ander bewijs wordt ondersteund.

20. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 3 bewezen verklaard dat

‘hij op tijdstippen gelegen in de periode van 5 november 2008 tot en met 23 juni 2010 te Amsterdam telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [betrokkene 2] heeft gedwongen tot de afgifte van geld bedragen (van in totaal ongeveer € 4.000,-), toebehorende aan die [betrokkene 2], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte:
- tegen die [betrokkene 2] heeft gezegd: "Je moet gewoon betalen, anders heb je een probleem" en
- terwijl hij, verdachte, die [betrokkene 2] vast had gepakt tegen die [betrokkene 2] heeft gezegd: "Waar is mijn geld?" en
- tegen de moeder van die [betrokkene 2], [betrokkene 3], heeft gezegd: “Ik maak je zoon dood" en "Ik trapje deur in” en "Ik gooi die ramen van je in".’

21. Het dreigende karakter van de uitlating ‘Je moet gewoon betalen, anders heb je een probleem’ is gelegen in het door de verdachte voorgehouden ‘probleem’ die het slachtoffer en het Hof kennelijk hebben verstaan als een geweld gerelateerd probleem. Die uitleg is feitelijk en niet onbegrijpelijk. Het dreigende karakter van de uitlating ‘waar is mijn geld’ volgt uit de context waarin deze is gedaan nu de verdachte het slachtoffer daarbij had vast gepakt.3

22. De klacht dat de aan het adres van de moeder geuite bedreigingen slechts op de verklaring van de moeder zelf berust, mist feitelijke grondslag. In zijn bewijsvoering heeft het Hof gebruik gemaakt van een verklaring van [betrokkene 4], het slachtoffer van het onder 4 door het Hof ten laste van de verdachte bewezen verklaarde feit, met betrekking tot de bedreiging door de verdachte van de moeder van een Portugese jongen, waarvan het Hof (bepaald niet onbegrijpelijk) heeft aangenomen dat het de moeder van het slachtoffer betreft, terwijl het Hof in zijn nadere bewijsoverwegingen heeft aangegeven dat ook de verdachte niet betwist dat hij bij de moeder van het slachtoffer een papiertje heeft achtergelaten met zijn naam en telefoonnummer.

23. In de genoemde nadere bewijsoverweging heeft het Hof uiteen gezet dat en waarom voldoende steunbewijs voor de belastende verklaring van de moeder, [betrokkene 3], is te vinden in de verklaringen van haar zoon (het slachtoffer) en [betrokkene 4]. Mede gelet op deze nadere motivering kan niet worden gezegd dat de tot bewijs gebezigde verklaring van de moeder onvoldoende steun vindt in het overige bewijsmateriaal zodat geen sprake is van schending van het in art. 342, tweede lid, Sv vereiste bewijsminimum.4

24. Het middel faalt in alle onderdelen.

25. Het vierde middel richt zich tegen het door het Hof onder 4 ten laste van de verdachte bewezen verklaarde ‘medeplegen van afpersing, meermalen gepleegd’. De bewezenverklaring zou onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd zijn.

26. In de toelichting op het middel wordt een vijftal klachten aangedragen op basis waarvan de bewezenverklaring onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd zou zijn. Hieronder worden deze puntsgewijs samengevat en besproken.

27. Uit de op het lichaam van het slachtoffer aanwezige littekens die niet door medici zijn waargenomen, zouden geen conclusies getrokken mogen worden ‘over de oudheid van het letsel en wanneer het letsel is ontstaan’. Deze klacht heeft, blijkens de toelichting, betrekking op de door verbalisant [betrokkene 5] op 11 mei 2010 op de borst van het slachtoffer waargenomen littekens. Klaarblijkelijk zijn dit dezelfde littekens als de tweede en derdegraads brandwonden op de borstkas die zijn geconstateerd door de arts I.M. Aazami in het kader van een letselverklaring, gedateerd 6 april 2010, welke het Hof voor zijn bewijsvoering heeft gebruikt. De klacht mist in zoverre feitelijke grondslag nu een medicus de littekens eveneens heeft waargenomen.

28. Voor zover in verband met het geconstateerde letsel als afzonderlijke klacht nog wordt aangevoerd dat niet is uitgesloten dat het letsel buiten Nederland is toegebracht, stuit het af op de bewezenverklaring en de bewijsvoering dat het letsel in Nederland is toegebracht alsmede op de ‘nadere bewijsoverwegingen en bespreking verweren’ waarbij het Hof heeft overwogen dat het dossier ‘ook overigens geen enkele aanwijzing [bevat] dat de verwondingen zijn toegebracht gedurende enige detentieperiode van [betrokkene 4] [het slachtoffer, PCV] in het buitenland’.

29. Dan de klacht dat de verklaringen waarin wordt aangegeven dat het slachtoffer letsel had nadat hij in Amsterdam was opgehaald en weer was thuisgebracht, niet uitsluiten dat het letsel op een ander moment en op een andere plaats is ontstaan. De bewijsvoering houdt onder meer in: ‘De verdachte zei tegen haar [de getuige, PCV] dat als [betrokkene 4] mee zou gaan, de schuld zo voorbij zou zijn en het allemaal weg zou gaan. De verdachte haalde [betrokkene 4] op en bracht hem gehavend weer terug.’ Als het slachtoffer reeds gehavend met de verdachte was meegegaan, dan zou de getuige niet hebben verklaard dat de verdachte hem ‘gehavend weer terug’ bracht. Uit de voor de bewijsvoering gebezigde getuigenverklaring heeft het Hof kunnen opmaken dat het letsel is toegebracht tussen het moment waarop de verdachte het slachtoffer heeft opgehaald en heeft teruggebracht. Voor het overige stuit de klacht af op de bewezenverklaring dat het feit is begaan in Amsterdam en Alkmaar.

30. Ook de behoedzaamheid waarmee het Hof de verklaringen van het slachtoffer heeft gebruikt, zou de bewezenverklaring onbegrijpelijk maken althans onvoldoende gemotiveerd ‘nu deze behoedzaamheid niet leidt tot bewijsuitsluiting en de verklaringen van [betrokkene 4] meermalen in de bewijsvoering zijn gebruikt’ zodat niet blijkt waaruit deze behoedzaamheid bestaat.

31. In zijn nadere bewijsoverwegingen en bespreking van verweren heeft het Hof in zijn arrest met betrekking tot de verklaringen van [betrokkene 4], het slachtoffer, onder meer het volgende overwogen:

‘Bij de afpersingen is bruut geweld gebruikt tegen [betrokkene 4], die hierdoor ongetwijfeld getraumatiseerd is geraakt. Tegen deze achtergrond is begrijpelijk dat [diens] verklaringen soms op onderdelen niet altijd even consistent zijn.
Het hof heeft deze verklaringen dan ook met de nodige behoedzaamheid gebruikt, maar ziet geen aanleiding deze voor het bewijs buiten beschouwing te laten.’

32. Met het behoedzaam gebruiken van de verklaringen heeft het Hof bedoeld dat hij zich bewust is geweest van het feit dat de getuigenis afkomstig is van een getraumatiseerde getuige.5 De klacht faalt.

33. De bewezenverklaring zou onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd in het licht van het alternatief scenario dat door de verdediging is aangedragen waarin het slachtoffer niet door de verdachte maar door ‘kolonel’ is afgeperst. De redenering van het Hof zou onbegrijpelijk zijn in het licht van hetgeen het slachtoffer zelf heeft verklaard en de ‘diverse verklaringen van andere getuigen zoals [betrokkene 8] en [betrokkene 9]’.

34. In zijn arrest heeft het Hof overwogen dat het alternatieve scenario in strijd is met ‘diverse, elkaar ondersteunende bewijsmiddelen’ en voorts door de verdediging niet is onderbouwd.6 Dat oordeel is feitelijk en kan als zodanig in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Het oordeel is niet onbegrijpelijk. Overigens is in de toelichting niet aangegeven welke onderdelen van de verklaringen van [betrokkene 4], [betrokkene 8] en [betrokkene 9] de overweging van het Hof onbegrijpelijk doen zijn.

35. Ook deze klacht faalt.

36. Het slot van de toelichting op het middel behelst nog de klacht dat de bewezenverklaring van medeplegen niet althans onvoldoende is gemotiveerd doordat het Hof niet althans onvoldoende heeft gemotiveerd ‘met wie, waaruit en wanneer de nauwe en bewuste samenwerking tussen rekwirant en anderen zou bestaan’. Dergelijke eisen vinden geen enkele steun in het recht,7 zodat de klacht faalt.

37. Het middel faalt in alle onderdelen.

38. Het vijfde middel richt zich tegen het onder 5 ten laste van de verdachte bewezen verklaarde feit. De bewijsconstructie zou ontoereikend zijn omdat uitsluitend de verklaring van [betrokkene 10], het slachtoffer, onvoldoende bewijs oplevert voor nauwe en bewuste samenwerking tussen [betrokkene 11] en rekwirant.

39. Onder 5 heeft het Hof ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

‘hij op 6 maart 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [betrokkene 10] heeft gedwongen tot de afgifte van € 300,-, toebehorende aan die [betrokkene 10], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat zijn mededader die [betrokkene 10], toen hij bij verdachte in de auto stapte, met pen stoel heeft klem gezet zodat hij niet meer uit de auto kon komen en de verdachte die [betrokkene 10] vervolgens dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Ik ga je martelen. Ik breng je naar een kelder en daar ga ik je martelen", en zijn mededader die [betrokkene 10] met een vlakke hand in zijn gezicht heeft geslagen.’

40. In verband met de nauwe en bewuste samenwerking heeft het Hof in zijn arrest nog het volgende overwogen:

‘Dat de verdachte niet zelf heeft geslagen omdat hij de bestuurder van de auto was, doet aan zijn betrokkenheid bij wat er in de Renault is gebeurd niet af. Er is sprake van medeplegen gelet op de nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [betrokkene 11], die het geld bestemd voor de verdachte mocht innen, terwijI ook de anderen in de auto zich niet afzijdig hebben gehouden, nu de bijrijder meteen de bijrijdersstoel naar achteren schoof zodat de aangever klem zat en uit de aangifte naar voren komt dat zij hem begonnen te bedreigen.’

41. Het oordeel van het Hof, dat sprake was van nauwe en bewuste samenwerking geeft geen blijk van een juiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk nu uit de bewijsvoering in samenhang met de nadere bewijsoverweging volgt dat de verdachte de bestuurder was van de auto waarmee het slachtoffer werd opgehaald in verband met een afspraak met [betrokkene 11]. Het slachtoffer moest mee van de verdachte. Meteen nadat het slachtoffer was ingestapt is de bijrijder stoel zo naar achteren geschoven dat het slachtoffer klem kwam te zitten en hij geen kant meer op kon. Vervolgens is de verdachte weggereden met het slachtoffer erin. In die auto is het slachtoffer vervolgens door [betrokkene 11] mishandeld en door de verdachte verbaal bedreigd. Vanzelfsprekend heeft de verdachte, als bestuurder van de auto, gezien wat er met het slachtoffer is gebeurd. De verdachte heeft zelf bedreigingen geuit terwijl het slachtoffer ondertussen werd mishandeld. Het Hof gebruikt in zijn bewijsvoering onder meer de verklaring van het slachtoffer dat de verdachte onderweg tegen hem heeft gezegd dat de verdachte hem ging ‘martelen. Hij zou mij naar een kelder brengen en daar gaan martelen.’ In zoverre mist de klacht, dat uit de verklaring van [betrokkene 10] ‘niet blijkt van enige feitelijke bedreiging […] door rekwirant’, feitelijke grondslag.

42. Ik kan niet inzien waarom het oordeel van het Hof onbegrijpelijk zou worden ‘aanzien ook [betrokkene 10] zelf heeft verklaard dat hij geen aangifte wilde doen, dat hij met rekwirant naar [betrokkene 11] is gegaan, dat [betrokkene 11] hem weliswaar een klap wilde geven maar dat hij dat heeft afgeweerd en dat hij vervolgens geld in de auto aan [betrokkene 11] heeft gegeven en dat het daarmee klaar was.’ De waardering van de verklaringen die het slachtoffer heeft afgelegd is immers aan het Hof voorbehouden. Die waardering wordt in ieder geval niet onbegrijpelijk doordat, zoals in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, zowel de verdachte als [betrokkene 11] ‘elke vorm van afpersing en bedreiging met geweld [hebben] ontkend.

43. Het middel faalt in alle onderdelen.

44. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

45. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden


A-G

1 HR 1 februari 1994, NJ 1994/427 m.nt. G.J.M. Corstens r.o. 6.3.3. onder (iii-2).

2 Vgl. HR 18 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4559 r.o. 2.3; HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6567 r.o. 2.4. ‘terwijl die verklaringen op dat punt bij een rechter zijn ingetrokken’.

3 HR 17 november 1992, NJ 1993/292 met betrekking tot ‘geweld’ in art. 141 Sr: ‘het dreigend omhoog heffen van bedoeld wapen gepaard ging met het in een groep schoppende, slaande en schietende personen opdringen tegen anderen’.

4 HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, NJ 2013/515 r.o. 3.2 en 3.3 m.nt. J.M. Reijntjes. Zie ook HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515 r.o. 2.4 m.nt. M.J. Borgers.

5 Ontleend aan Th.W. van Veen in zijn noot sub 2 onder HR 2 juli 1990, NJ 1990/692.

6 Het Hof overwoog in zijn arrest: ‘Uit het dossier blijkt onvoldoende van enige afpersing door Kolonel, wie dat ook moge zijn, terwijl een dergelijk scenario bovendien in strijd is met diverse, elkaar ondersteunende bewijsmiddelen zoals hiervoor vermeld. Daarnaast is het alternatieve scenario door de verdediging niet onderbouwd. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte wel gezegd te vermoeden wie verantwoordelijk is voor de feiten, maar hij heeft daarover verder niets willen of kunnen zeggen. De verdachte heeft in eerste aanleg verklaard dat hij niet het risico wil lopen 'kogels in zijn kop' te krijgen. In hoger beroep heeft hij gezegd het niet belangrijk te vinden namen van daders - die hij volgens zijn' zeggen wel zou kennen - te noemen omdat hij weet dat hij er zelf niets mee te maken heeft. Gezien de| verklaringen - ook van de verdachte zelf - waaruit het bestaan van de schuld aan de verdachte blijkt, het opjagen van [betrokkene 4] door verdachte, het telkens ophalen en vervolgens 'afleveren' van een toegetakelde [betrokkene 4] en de verklaring van [betrokkene 12] met betrekking tot hetgeen de verdachte hem heeft gezegd, acht het hof deze uitleg van de verdachte ontoereikend.’

7 Arendse/Dolman 2012, (T&C Sr), art. 47, aant. 6 sub i.