Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2481

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-12-2013
Datum publicatie
11-02-2014
Zaaknummer
12/04424
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:301, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO. Ambtshalve: overschrijding redelijke termijn in cassatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/04424

Zitting: 10 december 2013

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 30 augustus 2012 de verdachte veroordeeld wegens een drietal misdrijven, waaronder 1. subsidiair “medeplegen van doodslag” (parketnummer 05-901175-08) tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren. Voorts bevat het arrest nog enkele bijkomende beslissingen.

2. Deze zaak hangt samen met zaaknummer 12/04201. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens de verdachte heeft mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel dat zich richt tegen de motivering van de bewezenverklaring bevat de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer.

5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 26 september 2008 te Arnhem tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachtes mededader opzettelijk met een vuurwapen projectielen heeft afgevuurd op voornoemde [slachtoffer], welke projectielen voornoemde [slachtoffer] hebben getroffen, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden.”

6. Met betrekking tot deze bewezenverklaring heeft het hof, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

“Het hof acht bewezen dat sprake is geweest van medeplegen van doodslag. Medeplegen vereist een nauwe en bewuste samenwerking die kan bestaan uit het gezamenlijk maken van een plan en/of het gezamenlijk verrichten van uitvoeringshandelingen. [betrokkene 1] en [verdachte] hebben een drugsdeal gesloten waarna zij, beiden gewapend, naar Arnhem zijn gegaan. Volgens [betrokkene 2] is [verdachte] in de woning van [betrokkene 2] als eerste begonnen met het bedreigen en uitoefenen van geweld in de richting van [betrokkene 2], waarna [betrokkene 1] de confrontatie met [slachtoffer] zocht, die is uitgemond in het neerschieten van [slachtoffer]. [betrokkene 1] heeft met een vuurwapen geschoten op [slachtoffer], waaruit reeds volgt dat hij opzet had op de dood van [slachtoffer]. Daarnaast is het hof van oordeel dat reeds vóór het overhalen van de trekker [betrokkene 1] en [verdachte] de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat er één of meer doden zouden vallen. Er is gekozen voor een overval waarbij gebruik zou worden gemaakt van tenminste één geladen vuurwapen (waarschijnlijk een UZI). In geval mensen worden gedwongen waardevolle spullen af te staan, kan dit voorzienbaar leiden tot (gewelddadig) verzet met als gevolg dat het geladen vuurwapen waarmee wordt gedreigd daadwerkelijk wordt gebruikt. Als er met een vuurwapen (in dit geval waarschijnlijk een UZI) op het slachtoffer wordt geschoten, is de kans vervolgens groot dat het getroffen slachtoffer komt te overlijden.

Deze stappen - dreigen met een geladen vuurwapen om het slachtoffer te dwingen waardevolle spullen af te geven, (gewelddadig) verzet van het slachtoffer, schieten met het wapen en overlijden van het slachtoffer - zijn zodanig voorzienbaar dat het uitvoeren van een overval met een geladen wapen naar het oordeel van het hof impliceert dat de uitvoerders van die gewapende overval de aanmerkelijke kans aanvaarden dat een slachtoffer ten gevolge van vuurwapengebruik komt te overlijden.”

7. Het middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte gekozen heeft voor een overval waarbij gebruik zou worden gemaakt van ten minste één geladen vuurwapen. Evenmin volgt hieruit dat de verdachte met de medeverdachte van tevoren hadden afgesproken dat bij verzet het (geladen) vuurwapen daadwerkelijk zou worden gebruikt, aldus de steller van het middel.

8. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden in dat de verdachte en zijn medeverdachte, beiden gewapend, naar het huis van [betrokkene 2] zijn gegaan in verband met een drugsdeal, dat de verdachte op enig moment [betrokkene 2] heeft bedreigd door hem bij de keel vast te pakken en een vuurwapen op zijn hoofd te richten, dat de medeverdachte op dat moment een pistool op het bovenlichaam van het slachtoffer [slachtoffer] zette, dat door één van verdachten werd gezegd dat ze hun zakken moesten leeg halen, dat er vervolgens een worsteling is ontstaan tussen [slachtoffer] en de medeverdachte, dat er door de medeverdachte meermalen op [slachtoffer] is geschoten als gevolg waarvan die [slachtoffer] is komen te overlijden, en dat de verdachte en zijn medeverdachte vervolgens uit de woning zijn vertrokken.

9. Voor zover de beschouwingen in de toelichting op het middel veronderstellen dat voor het bewijs van medeplegen is vereist dat bewijsmateriaal uitwijst dat de beide verdachten vooraf uitdrukkelijke afspraken hebben gemaakt over de overval en de gewelddadige en noodlottige wijze waarop die zou worden uitgevoerd, getuigen die beschouwingen van een onjuiste rechtsopvatting. Het primaire doel van de twee daders was mogelijk niet het doden van de beoogde slachtoffers van de overval, maar het gebruik van grof geweld was wel in hun gezamenlijke plan begrepen, aldus kan uit de gecoördineerde actie van de verdachten worden afgeleid. Ik meen daarom dat staande kan worden gehouden dat het door de medeverdachte toegepaste geweld werd aangewend in het kader van de uitvoering van het gezamenlijke plan en dat dit – naar blijkt: fatale – geweld kan gelden als te zijn begaan in nauwe samenwerking met de verdachte.1

10. Gelet hierop is het oordeel van het hof dat het dreigen met een geladen vuurwapen om het slachtoffer te dwingen waardevolle spullen af te geven, het (gewelddadige) verzet van het slachtoffer en het schieten op het slachtoffer een zodanig voorzienbaar gevolg was van het gezamenlijke plan dat de uitvoerders van deze overval welbewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat een slachtoffer ten gevolge van vuurwapengebruik zou komen te overlijden, niet onbegrijpelijk. Dat oordeel is bovendien toereikend gemotiveerd. Daaraan doet, zoals gezegd, niet af dat niet is gebleken dat door de verdachte en zijn medeverdachte van tevoren is afgesproken of, en zo ja onder welke omstandigheden en op welke wijze het vuurwapen zou worden gebruikt.

11. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

12. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verdachte, die gedetineerd is, heeft op 30 augustus 2012 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan zestien maanden zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.

13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Zie de lezenswaardige conclusie van mijn ambtgenoot Knigge van 29 oktober 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1081. Vgl. voorts HR 9 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9190; HR 14 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1396.