Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2435

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-12-2013
Datum publicatie
04-02-2014
Zaaknummer
12/04883
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:227, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, artt. 552a en 552p Sv. I.h.k.v. de uitvoering van een Brits rechtshulpverzoek zijn voorwerpen in beslag genomen. N.a.v. een “Klaagschrift over inbeslagneming (Art. 552a&552p Sv.)” van o.a. klaagster heeft de Rb ex art. 552a.1 Sv bij beschikking met nr. 12/1316 “het beklag ongegrond” verklaard. Daarnaast heeft de Rb ex art. 552p.2 Sv op vordering van de OvJ bij beschikking met nrs. 12/1177 en 12/1180 verlof verleend aan de OvJ om het inbeslaggenomene – onder voorbehoud - ter beschikking te stellen aan de Britse autoriteiten. Tegen de beschikking van de Rb waarbij het in art. 552p.2 Sv bedoelde verlof is verleend, hebben de in die beschikking vermelde partijen geen beroep in cassatie ingesteld, terwijl ook in de namens klaagster in de onderhavige zaak ingediende schriftuur n.a.v. haar afgewezen klaagschrift geen klachten zijn geformuleerd m.b.t. het in die beschikking gegeven verlof en de gronden waarop dat berust. Aldus moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat die beschikking onherroepelijk is geworden. Vernietiging van de onderhavige beschikking kan daarin geen verandering brengen. Dit betekent dat klaagster geen belang meer heeft bij het beroep tegen de onderhavige beschikking van de Rb, zodat zij daarin n-o moet worden verklaard. De HR herhaalt zijn opmerking uit ECLI:NL:HR:2012:BT8757.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/04883 B

Zitting: 3 december 2013

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[klaagster]

1. De Rechtbank te Rotterdam heeft bij beschikking van 4 september 2012 het beklag van klaagster ex 552a Sv ongegrond verklaard.

2. Tegen deze uitspraak is namens klaagster cassatieberoep ingesteld.1

3. Namens klaagster heeft mr. T.M.D. Buruma, advocate te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

4 Ontvankelijkheid

4.1.

In de onderhavige zaak zijn op 6 juli 2012 in het kader van de uitvoering van een Brits rechtshulpverzoek op het woonadres van klaagster en haar medeklagers een aantal voorwerpen inbeslaggenomen. Voorts heeft de officier van justitie bij het Landelijk Parket op 12 juli 2012 op de voet van art. 552p Sv bij de Rechtbank een vordering tot het verlenen van verlof tot terbeschikkingstelling van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de Britse justitiële autoriteiten ingediend. Bij gezamenlijk klaagschrift ex “Art. 552a & 552p Sv” van 8 augustus 2012 is namens klaagster en haar medeklagers aan de Rechtbank verzocht om het in art. 552p Sv bedoelde verlof niet te verlenen, het gelegde beslag op te heffen en de teruggave c.q. vernietiging te gelasten van de inbeslaggenomen voorwerpen. Hoewel de vordering ex art. 552p Sv en het klaagschrift tijdens de openbare raadkamer van de Rechtbank van 17 augustus 2012 gelijktijdig lijken te zijn behandeld,2 heeft de Rechtbank haar beslissing op de genoemde vordering en haar beslissing op het genoemde klaagschrift in twee separate beschikkingen neergelegd. De beschikking op de vordering van de officier van justitie vermeldt daarbij als raadkamernummers: 12/1177 en 12/1180. De beschikking op het gezamenlijke klaagschrift (dat in die beschikking wordt aangemerkt als een klaagschrift ex art. 552a Sv) vermeldt als raadkamernummers: 12/1316, 12/1317, 12/1318, 12/1319 en, 12/1320.

4.2.

De zich bij de stukken bevindende akte rechtsmiddel van 14 september 2012 vermeldt ter aanduiding van de beschikking waartegen het cassatieberoep zich richt als zaaknummer (enkel) RK 12/1316. Gelet hierop rijst de vraag of het cassatieberoep van klaagster ontvankelijk kan worden geacht. Als het er op grond van de cassatieakte voor moet worden gehouden dat het namens klaagster ingediende cassatieberoep niet tevens is ingesteld tegen de beschikking van de Rechtbank met betrekking tot de vordering ex 552p Sv (de beschikking met zaaknummers 12/1177 en 12/1180), heeft immers te gelden dat deze laatste beschikking inmiddels onherroepelijk is geworden.

4.3.

Zoals ik al eens eerder heb betoogd, vormen in het geval van de uitvoering van een rechtshulpverzoek de vraag of het belang van strafvordering zich tegen teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen verzet en de vraag of het in art. 552p Sv bedoelde verlof moet worden verleend twee kanten van dezelfde medaille.3 Het bedoelde verlof impliceert, nu aan rechtshulpverzoeken zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven, dat de officier van justitie niet alleen bevoegd, maar ook gehouden is de hem ter beschikking gestelde stukken van overtuiging en gegevensdragers over te dragen aan de autoriteiten van de verzoekende staat. Dat betekent dat het belang van de strafvordering zich tegen teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de beslagenen verzet en dus dat een ex art. 552a Sv ingediend klaagschrift tot mislukken is gedoemd. Het lijkt er dan ook op dat klaagster bij het ingestelde cassatieberoep geen belang meer heeft en dat het beroep om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het behoeft geen betoog dat dit een uiterst onbevredigende uitkomst is, die in de hand is gewerkt doordat de Rechtbank de beslissingen op het klaagschrift en de vordering zonder goede reden in twee afzonderlijke beschikkingen heeft neergelegd.4

4.4.

Klaagster zal enkel in haar beroep kunnen worden ontvangen indien de Hoge Raad bereid is tot een welwillende lezing van de cassatieakte en hij het beroep dientengevolge wil opvatten als mede te zijn gericht tegen de beschikking van de Rechtbank met betrekking tot de vordering ex 552p Sv. In gevallen waarin twee belanghebbenden beiden een klaagschrift hadden ingediend met betrekking tot hetzelfde inbeslaggenomen voorwerp, bleek de Hoge Raad niet tot een dergelijke welwillende lezing bereid.5 Relevante verschillen zie ik niet.6 Mijn conclusie is dan ook dat klaagster niet in haar beroep kan worden ontvangen.

4.5.

Voor het geval de Hoge Raad in de onderhavige zaak wel tot een welwillende lezing van de akte rechtsmiddel bereid is, bespreek ik hieronder kort de voorgestelde middelen.

5 Het eerste middel

5.1.

Het middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank ten aanzien van de rechtmatigheid van de doorzoeking en inbeslagneming op het woonadres van klaagster en haar medeklagers.

5.2.

De bestreden beschikking met betrekking tot het klaagschrift ex 552a Sv houdt, voor zover hier van belang, het volgende in.

“Inhoud klaagschrift en standpunt officier van justitie

Standpunt klagers

De klagers stellen zich op het standpunt dat de doorzoeking in hun woningen onrechtmatig is geweest zodat reeds daarom het aldaar in beslag genomene aan hen dient te worden teruggegeven. Dat geldt met name ook voor de forensische kopieën/images die van de zin beslag genomen computers zijn gemaakt. Zij stellen dat er een onvoldoende verband bestaat tussen hen en de verdachten om een doorzoeking en inbeslagneming in de woningen van de klagers te rechtvaardigen. De klagers wonen weliswaar in hetzelfde pand als waar het kantoor van RvD is gevestigd, doch op een andere etage met een apart af te sluiten voordeur.

Het enkele feit dat de klagers hun internetverbinding delen met RvD levert een onvoldoende rechtvaardiging op tot doorzoeking van hun woningen.

(…)

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de beslagen op goede gronden en op de juiste wijze zijn gelegd en heeft geconcludeerd tot ongegrond verklaring van het beklag.

Beoordeling

In de inbeslagneming van voorwerpen door een justitiële autoriteit ligt besloten het oordeel van die autoriteit dat de voorwerpen in kwestie vatbaar zijn voor inbeslagneming en dat de inbeslagneming rechtmatig is. Artikel 552a Sv voorziet in de mogelijkheid de (rechtmatigheid van de inbeslagneming te doen toetsen door de rechter (vgl. HR 20 juni 1988, NJ 1989/213). Dit geldt ook als de inbeslagneming is verricht door de rechter-commissaris teneinde te voldoen aan een verzoek tot rechtshulp.

Blijkens de beschikking van de rechter-commissaris van 25 juni 2012, op de vordering van de officier van justitie naar aanleiding van een rechtshulpverzoek door de Engelse autoriteiten een doorzoeking te verrichten, heeft de rechter-commissaris bepaald dat de doorzoeking plaats zou vinden in de woning op het adres [a-straat 1] te Amsterdam. Dat klagers leefruimten hebben op de eerste etage van dat pand, met een apart af te sluiten voordeur, doet daar niet aan af, nu het woongedeelte van de klagers ook onder ‘de woning op het adres [a-straat 1] te Amsterdam’ zoals genoemd in de beschikking valt. Bovendien heeft de rechter-commissaris tijdens de doorzoeking ter inbeslagneming expliciet toestemming gegeven tot het ‘zoekend rondkijken’ in de leefruimten van klagers naar eventueel aanwezige computers en gegevensdragers. De rechter-commissaris heeft in redelijkheid tot die beslissing kunnen komen nu gebleken is dat de klagers en belanghebbenden een internetverbinding, en eventueel dus ook gegevens, met elkaar delen. De doorzoeking ter inbeslagneming in de leefruimten van klagers is rechtmatig geweest.”

5.3.

Indien in een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv de teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen wordt verzocht met een beroep op feiten en omstandigheden op grond waarvan de doorzoeking en inbeslagneming zelf onrechtmatig moeten worden geacht, zal de rechter moeten onderzoeken of hij de feitelijke grondslag van dat beklag voldoende aannemelijk acht en of die onregelmatigheid bij de beslaglegging tot gegrondverklaring van het klaagschrift dient te leiden.7 Dat laatste is niet zonder meer het geval. Uit HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8735, NJ 2013/128 m.nt. Keulen en HR 4 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2818 blijkt dat een onrechtmatige inbeslagneming niet zonder meer tot gegrondbevinding van het beklag leidt. Annotator Keulen concludeert dat de Hoge Raad de vraag of de inbeslagneming rechtmatig was plaatst in de sleutel van de vraag of het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Dientengevolge heeft te gelden dat de onregelmatige beslaglegging moet worden opgevat als een verzuim in de zin van art. 359a Sv, op de toepassing van welk artikel de beklagrechter niet (te ver) mag vooruitlopen. Dat klagers die geen verdachten zijn (zoals het geval is in de onderhavige zaak), die met de eventuele toepassing van art. 359a Sv niets opschieten, daardoor in het strafproces niet meer beschermd worden tegen willekeurige beslaglegging, lijkt niet van belang te zijn. Er is ook geen reden om aan te nemen dat het anders ligt bij vormverzuimen die zijn begaan in het kader van de uitvoering van een rechtshulpverzoek. Een belemmering van wezenlijke aard die voortvloeit uit het toepasselijke verdrag, de wet of fundamentele rechtsbeginselen zal zo’n vormverzuim niet snel opleveren.8

5.4.

Maar ook om andere reden zal het middel niet kunnen slagen. Klaagster en haar medeklagers hebben ter onderbouwing van hun stelling dat de doorzoeking en inbeslagneming onrechtmatig zijn geweest aangevoerd (i) dat voor deze doorzoeking en inbeslagneming ‘onvoldoende verband’ aanwezig was tussen klaagster en haar medeklagers enerzijds, en de verdachten in de onderhavige zaak en de in het rechtshulpverzoek bedoelde kantoorruimten van Respect voor Dieren, anderzijds, en (ii) dat dit niet anders wordt door de omstandigheid dat de woning van klaagster en haar medeklagers met de kantoorruimten van respect voor Dieren een internetverbinding deelde. Het gaat in dat verweer in wezen om de uitleg die door de rechter-commissaris aan het rechtshulpverzoek is gegeven. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat rechtshulpverzoeken als grondslag voor de uitoefening van de bevoegdheden van doorzoeking en inbeslagneming niet al te rigide moeten worden uitgelegd.9

5.5.

Naar aanleiding van het door klaagster en haar medeklagers aangevoerde heeft de Rechtbank onder meer vastgesteld dat de rechter-commissaris tijdens de doorzoeking ter inbeslagneming in het pand met adres [a-straat 1] te Amsterdam toestemming heeft gegeven voor het zoekend rondkijken in de leefruimten van klaagster en haar medeklagers en overwogen dat de rechter-commissaris deze toestemming gelet op de geconstateerde gedeelde internetverbinding van Respect voor Dieren en klaagster en haar medeklagers in redelijkheid heeft kunnen geven. Het in deze overweging besloten liggende oordeel van de Rechtbank dat dit onderzoek en de daaruit voortvloeiende inbeslagneming hun grond vonden in het rechtshulpverzoek, getuigt gelet op het genoemde uitgangspunt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.

5.6.

Het middel kan niet slagen.

6 Het tweede middel

6.1.

Het middel richt zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen verzet omdat het in art. 552p Sv bedoelde verlof dient te worden verleend.

6.2.

De bestreden beschikking met betrekking tot het klaagschrift ex 552a Sv houdt, voor zover hier van belang, het volgende in.

“Inhoud klaagschrift en standpunt officier van justitie

Standpunt klagers

(…)

Tot slot dient de voortdurende inbeslagname en eventuele overdracht naar het Verenigd Koninkrijk disproportioneel te worden geacht, nu de in beslag genomen voorwerpen niet kunnen dienen tot waarheidsvinding aldaar, terwijl zij een grote inbreuk vormen op het privéleven van de klagers.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de beslagen op goede gronden en op de juiste wijze zijn gelegd en heeft geconcludeerd tot ongegrond verklaring van het beklag.

Beoordeling

(…)

In een geval als het onderhavige, waarin inbeslagneming naar aanleiding van een rechtshulpverzoek heeft plaatsgehad, dient voorts beoordeeld te worden of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen, waarvoor de inbeslagneming is geschied, het voortduren van het beslag nodig maakt. Nu beslag is gelegd op de voet van artikel 94 Sv is daarbij in dit geval van belang of het voortduren van het beslag nodig is voor het aan de dag brengen van de waarheid in een in het Verenigd Koninkrijk aanhangige strafzaak.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat, nu het rechtshulpverzoek is gegrond op een verdrag, op grond van artikel 552k, eerste lid, Sv, aan het verzoek zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven. Van inwilliging van het verzoek kan slechts worden afgezien, indien zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen, die voortvloeien uit het toepasselijke verdrag of de wet dan wel indien door de inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht (Vgl. HR 22 mei 2012, LJN BV9212).

In het onderhavige geval acht de rechtbank geen belemmeringen van wezenlijke aard aanwezig. De in beslag genomen stukken van overtuiging dienen uitsluitend ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek waartoe het rechtshulpverzoek zich richt en de stukken worden op grond van artikel 552p, derde lid, Sv na het verlenen van verlof slechts overgedragen onder het voorbehoud dat de stukken zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering noodzakelijke gebruik is gemaakt. Dit geldt ook t.a.v. de images die zijn gemaakt van de harde schijven van de computers, welke in beslag zijn genomen en inmiddels (na het maken van images) weer aan de eigenaren zijn teruggegeven.

Met name gelet op het feit dat de betreffende computers deel uitmaakten van een netwerkwerk waarin zich ook een computer bevond die in de benedenruimte stond en in beslag is genomen, maakt dat er mogelijk voor het Britse onderzoek gegevens op kunnen voorkomen die van belang zijn voor het onderzoek aldaar.

Het vooraangaande dient tot de conclusie te leiden dat het beklag van de klagers ongegrond dient te worden verklaard.”

6.3.

Omdat in de onderhavige zaak op grond van het Britse rechtshulpverzoek bij klaagster en haar medeklagers voorwerpen inbeslaggenomen zijn op de voet van art. 94 lid 1 Sv, diende de Rechtbank onder meer te beoordelen of de inbeslaggenomen voorwerpen van belang kunnen zijn voor de waarheidsvinding in de strafzaak waarop het verzoek betrekking heeft. Daarbij kan in het algemeen met een globale beoordeling worden volstaan. Indien echter de klager deugdelijk onderbouwd beargumenteert dat bepaalde, nauwkeurig aangeduide voorwerpen of bestanden voor de waarheidsvinding van geen belang kunnen zijn, geldt dat een nadere motivering is vereist. 10 Volgens de steller van het middel is het oordeel van de Rechtbank in dezen onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd, gelet op hetgeen door de klagers in het klaagschrift is aangevoerd.

6.4.

In de punten 18-20 van het klaagschrift wordt met een verwijzing naar een bijgevoegde verklaring van klagers aangevoerd dat in het bedoelde pand zich op de begane grond ateliers, een kinderopvang, een sportzaal en het kantoor van Respect voor Dieren bevonden, terwijl de woongroep van klagers zich op de eerste etage bevond, achter een apart af te sluiten voordeur. De verschillende gebruikers van het pand delen gezamenlijk gas, water en licht, maar zouden verder niets met elkaar te maken hebben. Weliswaar beschikken de bewoners over de sleutels van alle ruimtes op de begane grond, maar dat was met het oog op calamiteiten en omdat de gas- en waterafsluiting en de brandmeldinstallatie zich daar bevonden. Van een gedeeld netwerk of intranet tussen de computers van de bewoners en die in het kantoor van Respect voor Dieren was voorts geen sprake. Daarbij wordt uiteengezet waarom tussen het sub-netwerk van het kantoor en dat van de bewoners geen contact mogelijk is. Onder de punten 26-31wordt voorts nog ten aanzien van een aantal voorwerpen (een boekje met vlinder, een papieren boek met snoer, een oude mobiele telefoon, printers en harde schijven) uiteengezet waarom deze niets met Respect van Dieren van doen hebben.

6.5.

Ik wil niet verhelen dat dit betoog mij plausibel voorkomt. De moeilijkheid is echter dat het gestelde enkel is onderbouwd met een op schrift gestelde verklaring van de klagers zelf. Een onderzoek naar de juistheid van het gestelde vergt daardoor al gauw dat vooruitgelopen moet worden op het door de Britse autoriteiten in te stellen onderzoek naar de waarheid met het oog waarop de inbeslagneming heeft plaatsgevonden. Gelet daarop acht ik, zij het met enige aarzeling, het summier gemotiveerde oordeel van de Rechtbank – inhoudende dat met name de omstandigheid dat de bij klaagster en haar medeklagers inbeslaggenomen computers deel uitmaakten van hetzelfde netwerk als een computer die zich in de kantoorruimte van Respect voor Dieren bevond, maakt dat de inbeslaggenomen computers voor de waarheidsvinding relevante gegevens kunnen bevatten – niet onbegrijpelijk. Ik lees daarin dat de Rechtbank het “met name” op grond van de door klaagster en haar medeklagers en Respect voor Dieren gedeelde internetaansluiting niet uitgesloten heeft geacht dat tussen beide partijen wel sprake was van enig relevant verband en dat daarom evenmin kan worden uitgesloten dat de inbeslaggenomen voorwerpen voor de waarheidsvinding in het Britse onderzoek van belang zijn. Het oordeel van de Rechtbank is zo gelezen niet ontoereikend gemotiveerd.

6.6.

Het middel kan niet slagen.

7 Het derde middel

7.1.

Voor zover het derde middel – dat betoogt dat met de in het kader van de uitvoering van het Britse rechtshulpverzoek verrichte doorzoeking en inbeslagneming een niet noodzakelijke en disproportionele inbreuk is gemaakt op het verdragsrechtelijk gewaarborgde huisrecht (art. 8 EVRM) en eigendomsrecht (art. 1 Eerste Protocol EVRM) van klaagster en haar medeklagers – ten opzichte van het eerste en het tweede middel nog zelfstandige betekenis toekomt, kan het reeds niet slagen omdat over de beweerdelijke schending van deze rechten niet voor het eerst in cassatie kan worden geklaagd.

8. Indien de Hoge Raad aan de bespreking van de middelen toekomt, geldt dat zij niet kunnen slagen en afgedaan kunnen worden met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

9. Deze conclusie strekt ertoe dat de klaagster niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaken met nrs. 12/04884 B, 12/04885 B, 12/04886 B en 04887 B, waarin ik vandaag eveneens concludeer.

2 Of van beide behandelingen afzonderlijke processen-verbaal zijn opgemaakt, is mij niet duidelijk kunnen worden. Bij de gedingstukken bevindt zich één proces-verbaal van behandeling in raadkamer. Dat proces-verbaal vermeldt enkel de RK-nummers die betrekking hebben op het ingediende klaagschrift. Dat proces-verbaal houdt in dat aanwezig is de officier van justitie mr. G. Visser “teneinde te worden gehoord op de vordering ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering (met bijlagen) van de officier van justitie (…), ingekomen ter griffie van de rechtbank Rotterdam d.d. 8 augustus 2012 inzake: [volgen de personalia van de indieners van het klaagschrift]”.

3 Zie mijn conclusie vóór HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN4301, NJ 2010/563 (onder nr. 5).

4 Vgl. de punten 5.7 en 5.11 van de conclusie die voorafging aan HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8757. Zie ook rov. 2.4 van genoemd arrest.

5 Zie o.m. HR 6 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8215 en HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8757.

6 In de in de vorige noot genoemde beschikking van 27 maart 2012 hanteerde de Hoge Raad als argument dat het beslag was geëindigd als gevolg van het onherroepelijk worden van de beschikking waarin de teruggave was gelast. Deze creatieve uitleg van art. 134 lid 2 Sv vloeit denk ik voort uit de gedachte dat het door de onherroepelijke beschikking verkregen recht van de andere klager op teruggave geëerbiedigd moet worden. Hoewel niet gezegd kan worden, ook niet met de meest creatieve uitleg van art. 134 lid 2 Sv, dat door een onherroepelijke verlofverlening ex art. 552p Sv aan het gelegde beslag een einde is gekomen, speelt de achterliggende gedachte hier wel: de verkregen bevoegdheid van de officier van justitie om de voorwerpen over te dragen aan de buitenlandse autoriteiten moet gerespecteerd worden.

7 Vgl. HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8735, NJ 2013/128.

8 Vgl. HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9212.

9 Kortheidshalve verwijs ik naar de conclusie vóór HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN4301 (onder nr. 21).

10 Vgl. HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN4301, NJ 2010/563 en HR 18 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO0087, NJ 2011/49.