Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2421

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-12-2013
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
13/03081
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:177, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WOTS-zaak. Strafoplegging. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2004:AO6410. De Rb heeft bij de strafoplegging tot uitgangspunt genomen dat de ernst van het gepleegde feit beoordeeld dient te worden naar de normen welke gelden in het land waar dat feit is begaan. Aldus heeft de Rb hetgeen is vooropgesteld miskend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

S 13/03081

Mr. Aben

Zitting 10 december 2013

Conclusie inzake:

[veroordeelde]

1. De rechtbank Midden-Nederland heeft op 13 juni 2013 de tenuitvoerlegging in Nederland van de in Zweden gewezen rechterlijke beslissing van het “Svea Hovrätt te Stockholm” van 31 augustus 2012 toelaatbaar verklaard en verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van die beslissing waarbij de veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf. De rechtbank heeft de veroordeelde ter zake het in die rechterlijke beslissing ten laste van hem bewezenverklaarde feit een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren opgelegd, met aftrek van de tijd gedurende welke de veroordeelde in Zweden en in Nederland van zijn vrijheid beroofd is geweest, één en ander zoals omschreven in de bestreden uitspraak.

2. Namens de veroordeelde heeft mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht, beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Haarlem, heeft namens veroordeelde een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3. Het middel klaagt dat de rechtbank bij de omzetting van de door de Zweedse rechtbank opgelegde straf art. 31 WOTS heeft geschonden, doordat de straf niet begrijpelijk, althans niet voldoende gemotiveerd is.

4. Ter zitting van 30 mei 2013 heeft de raadsman van de veroordeelde onder meer bepleit aan de veroordeelde een lagere straf op te leggen dan in Zweden aan hem is opgelegd.

5. De rechtbank heeft met betrekking tot de door haar opgelegde straf overwogen:

De strafoplegging

De omstandigheid dat de tenuitvoerlegging toelaatbaar wordt geacht brengt ingevolge artikel 31, eerste lid van de Wet juncto artikel 9. eerste lid sub b van het Verdrag mee dat de rechtbank voor de straf die Zweden aan de veroordeelde heeft opgelegd een sanctie in de plaats dient te stellen, welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld.

Ten laste van veroordeelde is bij meergenoemd vonnis bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde drugssmokkel.

Dit feit is strafbaar gesteld bij § 3 lid 1 en § 6 lid 3 van de Wet (2000:1255) betreffende de straf voor smokkel.

Het overeenkomstige feit is naar Nederlands recht strafbaar gesteld in de artikelen 10 en 11 van de Opiumwet.

Ter zake van dit feit kan een maximum straf van 12 jaren of een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd. Bij samenloop kan het strafmaximum met een derde worden verhoogd.

De rechtbank acht de veroordeelde ter zake van dit strafbare feit strafbaar, nu niet is gebleken van feiten of omstandigheden die deze strafbaarheid zouden kunnen verminderen of opheffen.

Bij het bepalen van de sanctie heeft de rechtbank in aanmerking genomen hetgeen daaromtrent is voorgeschreven in artikel 11 van het Verdrag.

De rechtbank meent dat de ernst van het gepleegde feit beoordeeld dient te worden naar de normen welke gelden in het land waar dat feit is begaan. De rechtbank houdt derhalve rekening met het feit dat ook in Zweden het invoeren van grote hoeveelheden harddrugs en softdrugs als een ernstige inbreuk op de rechtsorde aldaar geldt. Voorts meent de rechtbank dat veroordeelde, door zich in Zweden schuldig te maken aan voornoemd delict, het risico heeft genomen daarvoor zwaarder te worden gestraft dan in Nederland gebruikelijk is.

De rechtbank, eveneens van oordeel dat van een ernstig vergrijp sprake is, is van oordeel dat de in Zweden aan de veroordeelde opgelegde straf, in aanmerking genomen de maximumstraf die naar Nederlands recht op het feit is gesteld en mede in aanmerking genomen de persoon en de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde, in redelijkheid verantwoord is.

Op vorenstaande gronden is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren gerechtvaardigd is en zal zij geen lagere straf opleggen dan door het Svea Hövratt in Stockholm (Zweden) is opgelegd.”

6. Het middel klaagt dat de rechtbank in strijd met art. 31, eerste lid, WOTS de ernst van het gepleegde feit heeft beoordeeld naar de normen welke gelden in het land waar dat feit is begaan in plaats van naar de Nederlandse maatstaven en opvattingen. Anders dan in HR 8 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8390, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden omdat de rechtbank de ernst van het in het buitenland gepleegde feit mede had beoordeeld naar de normen die gelden in het land waar het misdrijf is gepleegd, zo stelt het middel, heeft de rechtbank in onderhavige zaak de ernst van het gepleegde feit kennelijk uitsluitend beoordeeld naar de normen welke gelden in het land waar het feit is begaan. Dat is een onjuist uitgangspunt, aldus de steller van het middel.

7. Voorts klaagt het middel blijkens de toelichting over de motivering. De gevangenisstraf voor de duur van negen jaren wegens de invoer van 97 kg cannabis en 49 kg amfetamine is naar Nederlandse maatstaven een volstrekt onbegrijpelijke en zelfs buitensporig hoge straf. Aan de motivering van de aan de veroordeelde opgelegde zeer hoge gevangenisstraf dienen immers bepaaldelijk eisen te worden gesteld, waarbij de steller van het middel refereert aan de conclusie van Jörg voor de al genoemde uitspraak van 8 juni 2004. De steller van het middel wijst erop dat de rechtbank in de bestreden uitspraak niet is ingegaan op hetgeen ter zitting is aangevoerd over de rol van de veroordeelde, de detentie in Zweden, de hoogte van de opgelegde en omgezette gevangenisstraf van een medeverdachte, het geringe aantal noemenswaardige antecedenten, alsmede zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn thuissituatie en ten slotte de lange duur van zijn ‘terugkeerprocedure’. Daarenboven stelt het middel dat de rechtbank het ter zitting gevoerde verweer met betrekking tot de lange duur van de terugkeerprocedure van veroordeelde had dienen moeten opvatten als een beroep op strafvermindering, waarop de rechtbank gehouden was te responderen, hetgeen de rechtbank niet heeft gedaan. Het vorenstaande leidt volgens de steller van het middel dat de strafoplegging niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd en niet in stand kan blijven.

8. Het te dezen toepasselijke art. 31, eerste lid, WOTS dient aldus te worden verstaan, dat de rechter, bij het opleggen van de straf of maatregel welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld, de in het buitenland opgelegde sanctie, zonder de duur of de omvang daarvan te overschrijden, in beginsel dient te vervangen door een straf of maatregel die naar Nederlandse maatstaven en opvattingen geacht wordt te beantwoorden aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de dader, zij het dat de rechter bij die vervanging tevens rekening dient te houden met internationale gevoeligheden.1

9. Het oordeel van de rechtbank dat de ernst van het gepleegde feit dient te worden beoordeeld naar de maatstaven van het land waar dat feit is begaan, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 31, eerste lid WOTS. Weliswaar heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het misdrijf – ik begrijp: niet alleen in Nederland, doch – “ook in Zweden” als een ernstige inbreuk op de rechtsorde heeft te gelden, maar dat neemt niet weg dat de rechtbank de in het buitenland opgelegde sanctie in beginsel dient te vervangen door een straf of maatregel die naar Nederlandse maatstaven en opvattingen geacht wordt te beantwoorden aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de dader. Dat de veroordeelde, door zich in Zweden schuldig te maken aan voornoemd delict, het risico heeft genomen daarvoor zwaarder te worden gestraft dan in Nederland gebruikelijk is, betreft een omstandigheid waarmee de exequaturrechter met het oog op internationale gevoeligheden rekening dient te houden. Dat is echter niet het primaire uitgangspunt bij het bepalen van de strafmaat. De motivering van de straf voldoet dus niet aan de in art. 31, eerste lid, WOTS gestelde eisen. Het middel slaagt in zoverre.

10. Voor zover het middel voorts nog klaagt over de motivering van de aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf, wordt miskend dat de keuze van de factoren welke voor de strafoplegging van belang zijn te achten is voorbehouden aan de exequaturrechter en dat die keuze geen motivering behoeft.2 Tenslotte kan in cassatie niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren.

11. Het middel slaagt.

12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing naar de rechtbank Midden-Nederland teneinde teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden afgedaan.3

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 21 december 193, NJ 1995/199.

2 Vgl. bijv. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805, HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9353 en HR 25 november 2003, NS 2004, 18

3 Art. 32, negende lid, WOTS. Zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2012, p. 151.