Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2420

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-12-2013
Datum publicatie
27-01-2014
Zaaknummer
13/01250
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:173, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesreglement. De middelen, die klagen dat door het ontbreken van pagina’s van het p-v ttz in h.b. niet kan worden vastgesteld dat het Hof heeft beslist op de verzoeken van de verdediging en of het onderzoek al dan niet is hervat met instemming, moeten onbesproken blijven omdat niet is gebleken dat de raadsman met betrekking tot het hem door de griffie van de HR toegezonden, onvolledige afschrift van voormeld p-v zo een verzoek om aanvulling heeft ingediend bij de rolraadsheer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/01250

Mr. Harteveld

Zitting 17 december 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft op 20 september 2012 de verdachte ter zake zaak A: “doodslag” en zaak B: medeplegen van opzettelijk mondeling en bij geschrift zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om een verklaring naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet dat die verklaring zal worden afgelegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek als bedoeld in art. 37 Sr. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij], toegewezen tot een een bedrag van € 5.321,15 en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

2. Namens de verdachte heeft mr. D.P. Hein, advocaat te Amsterdam, cassatie ingesteld. Mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, heeft bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3.1. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof het verzoek van de verdediging, zoals gedaan op de terechtzitting 12 januari 2012 en zoals herhaald op de terechtzitting van 6 september 2012 tot het horen van een achttal getuigen onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen.

3.2. Ter terechtzitting in hoger beroep van 12 januari 2012 heeft de raadsman van de verdachte verzocht een achttal personen als getuige te horen, te weten: 1. [betrokkene 1], 2. [betrokkene 2], 3. [betrokkene 3], 4. [betrokkene 4], 5. [betrokkene 5], 6. [betrokkene 6], 7. [betrokkene 7], 8. [betrokkene 8]. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van deze terechtzitting heeft de raadsman dit verzoek als volgt toegelicht:

“Ter zake van zijn verzoek [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te horen voert de raadsman aan dat deze getuigen weliswaar reeds eerder door de rechter-commissaris verhoord, maar alleen terzake van het onder 1 tenlaste gelegde feit, terwijl de raadsman deze getuigen ook wenst te horen over het onder 2 tenlastegelegde feit. De raadsman stelt [betrokkene 3] eveneens over het laatst, genoemde feit te willen horen en [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6] over het agressieve gedrag van de Irakese jongens hij het BP station. Hij wenst [betrokkene 9] en [betrokkene 8], beiden woonachtig tegenover het BP station, te horen over hun waarneming van de groep jongens die zij, zoals zij tegenover de politie hebben verklaard, bij het BP-station hebben zien “dollen”.”

3.3. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 januari 2012 heeft het Hof het in het middel bedoelde verzoek als volgt samengevat en verworpen:

“Het hof wijst af de verzoeken tot het horen van getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] en [betrokkene 3], nu deze verzoeken onvoldoende zijn onderbouwd om tot de conclusie te komen dat de noodzaak daartoe aanwezig is en ook anderszins die noodzaak niet is gebleken.

Het hof wijst eveneens af de verdoeken [betrokkene 4], [betrokkene 5] [betrokkene 6], [betrokkene 7] en [betrokkene 8] als getuigen te horen, aangezien het dossier geen enkele aanwijzing inhoudt dat deze getuigen meer hebben waargenomen dan hetgeen waarover zij reeds hebben verklaard en een nadere onderbouwing van het verzoek ontbreekt, zodat de verzoeken onvoldoende zijn onderbouwd om de conclusie te rechtvaardigen dat de noodzaak daartoe aanwezig is.”

3.4. Bij brief van 1 augustus 2012 heeft de verdediging opnieuw verzocht tot het horen van voornoemde acht personen als getuige en tevens tot het houden van een reconstructie. Vervolgens heeft de verdediging, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 september 2012 het verzoek tot het horen van voornoemde verzoeken tot het horen van de acht personen als getuige herhaald, en dit verzoek als volgt nader toegelicht:

“Ik blijf bij mijn toelichting zoals gegeven ter terechtzitting van 12 januari 2012, aangevuld met mijn toelichting zoals vermeld in mijn brief van 1 augustus 2012. Het heeft mij buitengewoon verbaasd dat de verzoeken zijn afgewezen. De hoofdlijn van de afwijzing bestaat hierin dat uw hof het niet noodzakelijk acht de getuigen te horen omdat niet valt in te zien dat de getuigen nu anders of meer zouden verklaren. Dit valt nooit met zekerheid te zeggen. De politie neemt niet de letterlijke verklaring van de getuige op in het proces-verbaal, maar alleen hetgeen de desbetreffende verbalisant op dat moment relevant vindt om te vermelden. Niet uitgesloten kan dan ook worden dat de verbalisanten details hebben weggelaten, die op dat moment minder relevant leken maar dat nu wel kunnen zijn. Ook valt niet uit te sluiten dat de herinnering van de getuigen na verloop van tijd is 'getriggerd' waardoor zij nu meer kunnen verklaren.

Getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zijn alleen gehoord over feit 1, zij dienen gehoord te worden over het tweede feit. [betrokkene 3] moet opnieuw worden gehoord. Getuigen [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6] hebben bij het station dingen gezien, zij noemen de situatie angstig en bedreigend. Getuigen [betrokkene 7] en [betrokkene 8] hebben mogelijk meer gezien. Met betrekking tot de getuige [betrokkene 10] wil ik nog opmerken dat de verdediging in geen enkel stadium van het proces in de gelegenheid is geweest om de getuige te kunnen horen. Ik blijf bij mijn verzoek om de verklaringen van [betrokkene 11] te laten onderzoeken door de rechtspsycholoog professor P.J. van Koppen. Bij de reconstructie acht ik het van belang dat in elk geval de verdachte en de getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] meedoen. Ik acht dit de enige betrouwbare getuigen.”

3.5. In (de toelichting op) het middel wordt vervolgens geconstateerd dat van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2012 pagina 7 ontbreekt. Daardoor kan niet worden vastgesteld of het Hof op die terechtzitting heeft beslist op het verzoek om de in het middel bedoelde personen als getuige te horen, hetgeen nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting tengevolge heeft. Indien en voor zover alsnog uit het proces-verbaal blijkt dat het Hof de verzoeken heeft afgewezen op de gronden zoals voorgesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof, is die motivering andermaal ontoereikend nu de verdediging uiteen heeft gezet dat het horen van de in het middel bedoelde personen als getuige noodzakelijk is ter onderbouwing van het beroep op noodweer/exces, aldus de steller van het middel. Door deze personen niet als getuige te horen zou de rechter immers vooruitlopen op wat getuigen zouden kunnen verklaren, waarbij wordt verwezen naar onder meer HR 8 april 2008, LJN BC5966.

3.6. Alvorens op dit middel in te gaan wijs ik er op dat het tweede middel ook verband houdt met onvolledigheid van het door het Hof in cassatie ingezonden proces-verbaal van de zitting van 6 september 2012. In dit tweede middel wordt er over geklaagd dat niet kan blijken dat het Hof op de terechtzitting van 6 september 2012, terwijl de samenstelling van het Hof was gewijzigd ten opzichte van de vorige zittingen, met instemming van de verdediging en het openbaar ministerie het onderzoek heeft voortgezet in de stand waarop het zich ten tijde van de schorsing van het onderzoek bevond. Evenmin kan blijken dat de behandeling van de zaak door het Hof opnieuw is aangevangen. Een en ander is in strijd met art. 322 Sv en dient nietigheid met zich mee te brengen. Ook hier verwijst de steller van het middel naar de onvolledigheid van het door het Hof van de terechtzitting van 6 september 2012 ingezonden proces-verbaal, waar (ook) de pagina’s 2 en 3 ontbreken.

3.7. De strekking van het eerste en tweede middel in aanmerking nemende zie ik aanleiding nog eens stil te staan bij de vraag in hoeverre de indiening van deze middelen verenigbaar is met het Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad (Stcrt. 2008, 147).

3.8. Art. IV Procesreglement luidt als volgt:

"Toezending en inzage stukken

1. Aan de raadsman van degene die beroep in cassatie heeft ingesteld of een ingesteld beroep wil tegenspreken, wordt op diens schriftelijk verzoek door de griffier een afschrift gezonden van de kernstukken - dat zijn de uitspraken en de processen-verbaal van de zittingen in de feitelijke instantie(s) - alsmede van andere afzonderlijk gevraagde processtukken behoudens indien (a) hij daarvan reeds in het bezit is, of (b) de omvang van het gevraagde zich verzet tegen het vervaardigen en verzenden van afschriften. In dat laatste geval wordt de raadsman gewezen op zijn bevoegdheid tot het nemen van inzage in de stukken ter griffie.

2. Een raadsman die ingevolge de wet bevoegd is kennis te nemen van de processtukken, wordt daartoe - op zijn verzoek - de gelegenheid geboden ter griffie.

3. Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet - voordat hij in een middel over die onvolledigheid wenst te klagen - binnen de in art. 437, tweede lid, Sv genoemde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer (vgl. HR 14 november 2000, LJN AA8296).

4. Als raadsman in de zin van de voorgaande bepalingen wordt uitsluitend aangemerkt de advocaat die op de voet van art. 39 Sv van zijn optreden schriftelijk kennis heeft gegeven aan de griffier, dan wel aan de griffier heeft medegedeeld dat hij als toegevoegd raadsman optreedt."

In zijn arrest van 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO67041 heeft de Hoge Raad zijn hantering van dit Procesreglement nog eens verduidelijkt. De ratio van de regeling is het bevorderen van een voortvarende behandeling van het cassatieberoep. De Hoge Raad overweegt hieromtrent in het genoemde arrest, onder 3.3.:

“De in deze bepaling neergelegde regeling strekt onder meer tot een voortvarende behandeling van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat ingeval hetzij de griffie van het gerecht dat de bestreden uitspraak heeft gewezen, heeft verzuimd het volledige procesdossier aan de Hoge Raad te zenden, hetzij de strafadministratie van de Hoge Raad heeft verzuimd om tijdig een afschrift van de in art. IV lid 1 bedoelde stukken aan de raadsman toe te sturen (vgl. HR 15 juni 2004, LJN AO8819, NJ 2004/465), zo een verzuim zo spoedig mogelijk aan het licht dient te komen zodat alsdan de gelegenheid kan worden geboden tot onverwijld herstel van het verzuim. Van de raadsman mag worden verlangd dat hij tijdig zo een tekortkoming ontdekt in de aan hem toegezonden afschriften (vgl. HR 14 november 2000, LJN AA8296).”

Het rechtsgevolg van het niet tijdig aan de rolraadsheer verzoeken om completering van het dossier geeft de Hoge Raad aan onder 3.5.1.:

"De hoofdregel van art. IV lid 3 is dat een raadsman die constateert dat de hem toegezonden (afschriften van de) processtukken niet volledig zijn, binnen de termijn van art. 437, tweede lid, Sv aan de rolraadsheer dient te verzoeken om een afschrift van dat ontbrekende stuk. Dat brengt mee dat een middel dat enkel klaagt dat een processtuk ontbreekt zonder dat de raadsman eerst aan de rolraadsheer om aanvulling heeft verzocht, niet tot cassatie kan leiden.”

Waar het dus om gaat is dat middelen die “enkel” klagen over het ontbreken van stukken niet tot cassatie kunnen leiden. Even later herhaalt en benadrukt de Hoge Raad dit uitgangspunt nog eens:

“3.7. Opmerking verdient voorts nog het volgende.

a. (….)

b. Art. IV lid 3 beoogt middelen te weren die neerkomen op klachten over het ontbreken van processtukken. Art. IV lid 3 staat dus niet in de weg aan de indiening van een middel waarin wordt geklaagd over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen, terwijl de gegrondheid van deze klacht niet kan worden onderzocht wegens het ontbreken van het daarvoor relevante processtuk in het op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden procesdossier. In zo een geval zal de Hoge Raad of zijn Parket trachten alsnog de beschikking te krijgen over het ontbrekende stuk. Als dit niet tot resultaat leidt, is de Hoge Raad niet in staat de klacht te onderzoeken en kan dit leiden tot gegrondverklaring van het middel (vgl. HR 13 juli 2010, LJN BJ8676). Ingeval het ontbrekende processtuk alsnog ter beschikking komt, zal de Hoge Raad mede aan de hand van dat stuk de gegrondheid van het middel onderzoeken.

c. (….)”

De resultante is dat, zoals de Hoge Raad het ziet, ‘inhoudelijke klachten’ nog wel mogen worden geuit, als de beoordeling er van samenhangt met een ontbrekend stuk dan hoeft dat niet tevoren te worden aangegeven bij de rolraadsheer. ‘Helder’, zo zegt men tegenwoordig. Maar is daarmee de hele problematiek nu afgezegeld? Is soms het formuleren van een inhoudelijke klacht in wezen niets anders dan het omzeilen van de voor de hand liggende – en door de Hoge Raad terecht vooropgestelde - verplichting om eerst maar eens het ontbrekende stuk boven water te doen halen? Mijn ambtgenoot Knigge wees er in zijn conclusie voorafgaand aan het genoemde arrest, te vinden onder ECLI:NL:PHR:2011:BO6704 op dat er (zij het in een iets ander verband) iets onbevredigends inzit dat de raadsman die enkel wijst op het ontbrekende stuk ‘bot’ vangt en de raadsman die doet alsof zijn neus bloedt en een inhoudelijke klacht formuleert ‘spekkoper’ is. Ook annotator M.J. Borgers2 acht het - zij het tussen haakjes gesteld in zijn noot - niet onmogelijk dat de inhoudelijke klacht in wezen neerkomt op een klacht over het ontbreken van het stuk:

“(Dat zou mogelijk alleen anders liggen — zo geeft A-G Knigge in onderdeel 4.9 van zijn conclusie in de hierboven afgedrukte zaak aan — indien het evident is dat die ‘inhoudelijke’ klacht uit de lucht is gegrepen en geen ander doel heeft dan het aan de orde stellen van het ontbreken van een processtuk. Het komt mij voor dat men niet eenvoudig kan vaststellen dat van een dergelijke schijnconstructie sprake is.)”

Met die opmerkingen van Knigge en Borgers voor ogen terugkerend naar de eerste twee middelen die in de onderhavige zaak zijn geformuleerd acht ik beide klachten toch in doorslaggevende mate te zijn gebaseerd op het enkele feit dat - door een evidente administratieve misslag - enkele pagina’s ontbreken uit het door het Hof ingezonden proces-verbaal van de terechtzitting. De klachten zijn wat mij betreft in wezen op het ontbreken van het (volledige) stuk gericht. Dat is in strijd met de door de Hoge Raad geformuleerde ratio van het Procesreglement dat een dergelijk verzuim in een zo vroeg stadium dient te worden hersteld. Daaraan voeg ik toe dat met het toelaten van klachten van deze aard de procedure in cassatie – die toch al een hoog formeel karakter heeft – doorschiet tot uitsluitend een debat over abstracte formaliteiten die geen verbinding meer hebben met een onderliggende werkelijkheid. En overal in het recht dienen de werkelijke of ‘echte’ belangen maatgevend te zijn en dat geldt dus ook voor de procedure in cassatie. Daarbij komt dat het hier door de steller van de middelen vragen naar de bekende weg is: op de bewuste terechtzitting van het Hof was dezelfde raadsman aanwezig die thans, als advocaat in cassatie, de middelen heeft geformuleerd. Uiteraard is het zo dat het toerekenen van de processuele kennis van de raadsman uit de procedure in feitelijke aanleg aan de advocaat die in cassatie optreedt problematisch is – het proces-verbaal van de zitting is nu eenmaal de ‘enige kenbron’ omtrent de ter terechtzitting in acht genomen vormen en het is de vraag of de kennis over hetgeen zich op de terechtzitting heeft afgespeeld op een andere wijze overgedragen zou dienen te worden van de ene rolfunctionaris aan de andere. Maar in het onderhavige geval speelt dat laatste in ieder geval niet. Het thans in cassatie als veronderstelling uiten dat (i) niet is beslist op een herhaald verzoek en (ii) niet blijkt op welke wijze het onderzoek ter terechtzitting is hervat, dit alles in het licht van het ontbreken van enkele pagina’s in het toegezonden proces-verbaal van de zitting, terwijl de advocaat van hetgeen zich daadwerkelijk op de terechtzitting heeft afgespeeld op de hoogte geacht kan worden te zijn gaat mij eerlijk gezegd een beetje te ver, alle beperkingen in cassatie daarbij wellicht negerend.

3.9. Primair stel ik mij op het standpunt dat het voor de advocaat in cassatie aangewezen was eerst de rolraadsheer te benaderen met het verzoek om completering van de stukken alvorens zijn middelen te formuleren en dat, aangezien dat verzoek aan de rolraadsheer niet tijdig is gedaan, het eerste en tweede middel buiten bespreking dienen te blijven.

4.1 Voor het geval de Hoge Raad de eerste twee middelen niet aanmerkt als enkel neerkomend op klachten omtrent het ontbreken van stukken heb ik de ontbrekende pagina’s uit het proces-verbaal van ’s Hofs terechtzitting van 12 september 2012 doen opvragen. Als voor de beoordeling van de klachten in de middelen de kennisneming van dat stuk is vereist, is immers, zoals de Hoge Raad in het eerder genoemde arrest van 28 juni 2011 ECLI:NL:HR:2011:BO6704 onder 3.7 sub b. overwoog, ook voor het Parket van de Hoge Raad de mogelijkheid aanwezig om de beschikking trachten te krijgen over het ontbrekende stuk. Inmiddels is het volledige proces-verbaal aan het dossier in cassatie toegevoegd en aan de hand daarvan zal ik - subsidiair - de middelen bespreken.

4.2 Voor zover het eerste middel erover klaagt dat het Hof niet heeft beslist op het verzoek om de in het middel bedoelde personen als getuige te horen, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. De opgevraagde ontbrekende pagina van het proces-verbaal, bevat een uitdrukkelijke afwijzing van dit verzoek.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2012 heeft het Hof dit verzoek als volgt samengevat en verworpen:

(p. 7)

“de verzoeken tot het horen van de getuigen [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6], [betrokkene 7] en [betrokkene 8] worden afgewezen. De raadsman heeft te weinig concreet gesteld op welke punten hij deze getuigen wenst te ondervragen, waardoor het verzoek onvoldoende is onderbouwd om tot de conclusie te komen dat de noodzaak daartoe aanwezig is en ook anderszins die noodzaak niet is gebleken.”

Voor zover het middel er voorts over klaagt dat dat het horen van de acht personen als getuige noodzakelijk is en dat, indien deze niet zouden worden gehoord, de rechter vooruit zou lopen op wat getuigen zouden kunnen verklaren, faalt het eveneens. Uit de schriftelijke en mondelinge toelichtingen op het door de verdediging ingediende verzoek om de getuigen te horen blijkt niet dat de raadsman dit verzoek heeft onderbouwd met een beroep op noodweer en/of noodweerexces. Het Hof was evenmin gehouden de enkele door de verdediging ingenomen stelling ‘dat de getuigen bij het station dingen hebben gezien, en dat zij de situatie angstig en bedreigend noemen’ als een dergelijk beroep aan te merken. In aanmerking nemende hetgeen namens de verdediging is aangevoerd, is ’s Hofs afwijzing van het in het middel bedoelde verzoek dan ook voldoende gemotiveerd en ook niet onbegrijpelijk.

4.3 Het middel faalt.

5.1. Het tweede middel klaagt erover dat het Hof het onderzoek ter terechtzitting van 6 september 2012 opnieuw had moeten aanvangen nu het Hof anders was samengesteld dan de daaraan voorafgegane zitting van 12 januari 2012 op welke zitting sprake is geweest van enig onderzoek. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 september 2012 blijkt evenmin dat het Hof het geschorste onderzoek opnieuw is aangevangen. Aldus zou het arrest niet zijn gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting.

5.2. Het middel – daargelaten dat het belang erbij ontbreekt, aangezien de eerdere behandelingen op de terechtzitting door het Hof niet aan de inhoud van de zaak waren gewijd – mist feitelijke grondslag aangezien p. 2 van voormeld proces-verbaal inhoudt dat zowel de advocaat-generaal hebben ingestemd met hervatting van het onderzoek in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing bevond.

5.3. Ook dit middel faalt.

6.1. Het derde middel klaagt over de bewezenverklaring van feit B. Nu die bewezenverklaring uitsluitend berust op de verklaringen van [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] (voetnoten 33 tot en met 38) zoals afgelegd tegenover de verbalisanten, terwijl de verdediging desgevraagd niet de gelegenheid heeft gehad deze personen te ondervragen, heeft het Hof in strijd met art. 6, eerste lid en 3 EVRM de bewezenverklaring doen steunen op verklaringen die de verdediging niet heeft kunnen toetsen, aldus de steller van het middel. Gesteld wordt derhalve dat de bewijsmiddelen onvoldoende redengevend althans ontoereikend zijn voor de bewezenverklaring.

6.2. Ten laste van de verdachte is onder zaak B bewezenverklaard dat:

“hij op 26 juni 2010 te Bussum, gezamenlijk en in vereniging met een ander zich opzettelijk mondeling en bij geschrift jegens [betrokkene 1] heeft geuit, kennelijk om haar vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van de rechter-commissaris in strafzaken in het arrondissement Amsterdam een verklaring af te leggen, te beïnvloeden, terwijl hij, verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, hebbende hij, verdachte, met zijn mededader,

- [betrokkene 1] een brief overhandigd en laten lezen, met de strekking - zakelijk weergegeven

- dat [betrokkene 1] en haar zus [betrokkene 2] hun verklaringen moesten bijstellen en dat zij moesten zeggen dat verdachte het slachtoffer, zijnde [slachtoffer], uit zelfverdediging had neergestoken en als zij dat niet zouden doen, dan zou verdachte achter het BSN, burger service nummer van [betrokkene 1] komen en dan zou hij achterhalen waar zij was en dan zou verdachte niet rusten voordat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en hun familie uit de weg geruimd zouden zijn en dat [betrokkene 1] de brief heel serieus moest nemen, omdat verdachte vrienden had die haar wel wilden aanpakken en dat deze brief nooit had plaatsgevonden en dat ze het nooit aan iemand mocht vertellen en als ze dat wel zou doen, dat er dan iets met [betrokkene 1] zou gebeuren en die [betrokkene 1] gezegd dat zij beter kon doen wat haar gevraagd werd, omdat hij anders niet wist hoe het met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zou aflopen.”

6.3. Die bewezenverklaring rust op de navolgende bewijsmiddelen:3

“Op 26 november 2010 heeft [betrokkene 1] een afspraak met [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3]) gehad bij het station Naarden-Bussum. Tijdens deze afspraak heeft [betrokkene 3] aan [betrokkene 1] een papiertje met een samenvatting van wat er op de dag van de steekpartij in juni 2010 was gebeurd, overhandigd. Dit papiertje leek op een politierapport of een proces-verbaal. Ook heeft [betrokkene 3] aan [betrokkene 1] een getuigenverklaring van haar zus laten zien, die afkomstig leek uit het proces-verbaal van politie en haar wat foto's getoond. [betrokkene 1] had deze foto's nog niet eerder gezien. Op deze foto's was onder meer een arm bij een put te zien met daarbij bloed. Onder deze arm lag een schroevendraaier. Verder heeft [betrokkene 3] een brief van de verdachte aan [betrokkene 1] gegeven. [betrokkene 3] verklaarde dat hij alle papieren van [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) heeft gekregen om aan [betrokkene 1] te laten zien. De inhoud van de brief was ongeveer als volgt. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] moesten hun verklaringen bijstellen en zeggen dat hij het slachtoffer uit zelfverdediging heeft neergestoken. Als ze dit niet zouden doen, zouden [betrokkene 1], [betrokkene 2] en hun familie uit de weg geruimd worden. Er zouden mensen zijn die dit wilden doen. Ook zou hij achter haar BSN nummer komen en dan zou hij achterhalen waar ze was. Hij zou niet rusten voordat hij haar en haar familie uit de weg had geruimd. [betrokkene 1] moest de brief heel serieus nemen omdat er vrienden van hem zijn die haar zouden willen aanpakken. Verder had de verdachte geschreven dat deze brief nooit had plaatsgevonden en dat zij het nooit aan iemand moest vertellen en als ze dat wel zou doen dat er iets met haar zou gebeuren. [betrokkene 3] heeft vervolgens [betrokkene 1] verder aangeraden om te doen wat haar gevraagd werd, namelijk het bijstellen van verklaringen. Hij wist anders niet hoe het met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zou aflopen. De verdachte heeft tegen [betrokkene 3] gezegd dat [betrokkene 1] binnenkort moest voorkomen.

Nadere overwegingen ten aanzien van het bewijs in zaak B.

De verdachte heeft verklaard dat hij geen getuigen heeft beïnvloed en dat hij niets weet van een brief. Hij stelt dat [betrokkene 3] op eigen initiatief [betrokkene 1] heeft benaderd, gezien hun goede vriendschap. Het hof acht deze verklaring van de verdachte ongeloofwaardig, nu er in het dossier geen aanknopingspunten zijn te vinden die de lezing van de verdachte ondersteunen. Het hof acht het niet aannemelijk dat [betrokkene 3] op eigen initiatief heeft gehandeld, nu van enig belang dat hij hierbij zou hebben niet is gebleken.

Daarbij beschikte [betrokkene 3] over stukken uit het strafdossier van zaak A, waaronder foto's van het slachtoffer. Hieraan kan geen andere uitleg worden gegeven dan dat [betrokkene 3] deze stukken van de verdachte heeft gekregen. Het hof acht het van belang dat de verdachte vooraf contact heeft opgenomen met [betrokkene 1] en [betrokkene 2], waardoor hij wist dat zij in de veronderstelling waren dat het slachtoffer geen schroevendraaier in zijn hand had gehad. Daarbij wist [betrokkene 3], nog voordat [betrokkene 1] hiervan zelf op de hoogte was, dat [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris zou worden opgeroepen. Ook dit kan niet anders worden begrepen dan dat [betrokkene 3] dit van de verdachte heeft gehoord, die daarvan op de hoogte is gebracht door zijn raadsman.”

6.4. In het licht van het EVRM is het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal voor zover inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring niet zonder meer ongeoorloofd en in het bijzonder niet onverenigbaar met art. 6, eerste lid en derde lid, aanhef en onder d, EVRM. Van die ongeoorloofdheid is geen sprake indien de verdachte niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen, doch die verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dit laatste moet aldus worden begrepen dat reeds voldoende is als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs zal dan betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist (vgl. HR 29 januari 2013, LJN BX5539).

6.5. In het licht van hetgeen uit de hiervoor onder 5.3. weergegeven gebezigde bewijsmiddelen blijkt, in het bijzonder met betrekking tot de verklaring van [betrokkene 3] dat hij de papieren van de verdachte heeft gekregen om aan [betrokkene 1] te laten zien en hetgeen vervolgens door de getuige [betrokkene 1] is verklaard met betrekking tot de brief en met betrekking tot de omstandigheid dat de getuige [betrokkene 3] over het strafdossier van de verdachte beschikte, geeft het oordeel van het Hof dat het ongeloofwaardig is dat de verdachte heeft verklaard dat hij geen getuigen heeft beïnvloed en dat hij niets weet van een brief niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

De klacht dat de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om de verklaringen van [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zoals afgelegd tegenover de verbalisanten op hun betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door hen als getuige te (doen) ondervragen faalt. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld berust de bewezenverklaring van feit B immers niet alleen op de verklaringen van [betrokkene 1] (voetnoten 33, 34 en 36, 39 en 40), [betrokkene 2] (voetnoot 39) en [betrokkene 3] (voetnoten 36 en 38), maar ook op die van de verbalisant (voetnoot 33, 35 en 37). Aldus heeft het Hof geen inbreuk heeft gemaakt op het recht van de verdachte op een eerlijk proces en diens ondervragingsrecht in de zin van art. 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder d, EVRM.

6.6. Het middel faalt.

7.1. Het vierde middel klaagt over ’s Hofs verwerping van het beroep op noodweer.

7.2. Het bestreden arrest bevat – voor zover daarnaar in de cassatieschriftuur wordt verwezen – de volgende overwegingen ten aanzien van de feiten:

“(p. 3)

De feiten waarvan het hof uitgaat op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en de inhoud van het dossier.

Op 23 juni 2010 was de verdachte met [betrokkene 12] (hierna: [betrokkene 12]), de zusjes [betrokkene 1] (hierna- [betrokkene 1]) en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) bij het NS-station Naarden-Bussum. Op een gegeven moment is een zekere [betrokkene 13] (hierna: [betrokkene 13]) op het station gearriveerd. [betrokkene 13] heeft het groepje van de verdachte aangekeken. [betrokkene 13] heeft het station verlaten en hij heeft zijn broer [betrokkene 14] (hierna-[betrokkene 14]) gebeld om te vragen of [betrokkene 14] met het groepje van de verdachte wilde gaan praten. Kort daarop is [betrokkene 14] samen met [betrokkene 15] (hierna: [betrokkene 15]) op het station gearriveerd en vond er een confrontatie plaats tussen de verdachte en [betrokkene 12] enerzijds en [betrokkene 14] en [betrokkene 15] anderzijds. [betrokkene 14] is daarbij op de verdachte afgelopen en heeft hem gevraagd wat de verdachte met zijn broer had gedaan [betrokkene 14] wilde de verdachte gaan slaan. Op dat moment heeft de verdachte [betrokkene 14] een schop gegeven. [betrokkene 12] heeft geprobeerd hen uit elkaar te houden en heeft de verdachte geduwd, waardoor de verdachte is gevallen. Daarna heeft de verdachte een mes uit zijn broekzak gepakt. [betrokkene 14] en [betrokkene 15] hebben het station verlaten en zij hebben daarbij bedreigingen jegens de verdachte geuit. Zij riepen- 'Wacht maar kankerturk, onze vrienden zijn onderweg', of woorden van die strekking.

Vervolgens is de verdachte met zijn vriendin [betrokkene 1], haar zusje [betrokkene 2] en [betrokkene 12] in de richting van het BP-tankstation aan de Lambertus Hortensiuslaan te Naarden (hierna: het BP-station) gelopen. Enkele minuten daarna is er ter hoogte van de ingang van het BP-station een witte auto aan komen rijden Deze auto is abrupt met piepende banden tot stilstand gekomen. De bestuurder van de auto was [betrokkene 14] en op de passagiersstoel zat [slachtoffer] (het latere slachtoffer). [betrokkene 15] zat op de achterbank. Nadat de auto tot stilstand was gekomen, zijn de passagier, [slachtoffer], en de bestuurder, [betrokkene 14], uitgestapt. [betrokkene 15] is nog even achterin blijven zitten, omdat hij zijn gordel niet open kon maken. Nadat [slachtoffer] en [betrokkene 14] zijn uitgestapt is [slachtoffer] direct rennend, dan wel met stevige pas, op de verdachte afgelopen. Hierbij heeft hij [betrokkene 2] opzij geduwd, die hem probeerde tegen te houden. De verdachte had op dat moment het opengeklapte mes in zijn hand en stak daarmee direct naar voren in de hartstreek van het slachtoffer. De verdachte liep toen met het mes in zijn hand om [slachtoffer], [betrokkene 14] en [betrokkene 15] weg te jagen. Daarna is het slachtoffer voorover op de grond gevallen en heeft de groep van de verdachte het BP-station verlaten.

(…)

(p. 5)

Nadere overwegingen met betrekking tot de feiten.

De aard van de op het NS-station jegens de verdachte geuite bedreigingen.

Het hof acht aannemelijk dat er van de zijde van [betrokkene 14] en [betrokkene 15] op het NS-station bedreigingen jegens de verdachte zijn geuit, toen zij daar wegliepen, maar niet dat [betrokkene 14] en [betrokkene 15] de verdachte met de dood hebben bedreigd, zoals de raadsman heeft aangevoerd. In de schriftelijke verklaring van de verdachte door hem overgelegd bij zijn verhoor bij de politie van 27 september 2010, verklaart de verdachte dat zij riepen: 'Wacht maar kankerturk, onze vrienden zijn onderweg' of woorden van die strekking. [betrokkene 2] heeft in haar eerste verklaring bij de politie op 23 juni 2010 verklaard: 'Ze zeiden dat [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna: de verdachte) daar moest wachten en dat ze terug zouden komen. Ze zeiden dat ze [verdachte] nog wel zouden krijgen’. In haar tweede verklaring bij de politie op 5 augustus 2010 verklaart zij dat ze zeiden: 'Kankerturk, we pakken je nog wel. We komen nog wel terug. Wacht jij maar’, of woorden van gelijke strekking. [betrokkene 1] verklaart in haar eerste verhoor bij de politie op 23 jun, 2010 dat zij riepen: 'Wacht maar hier klootzakken, mijn vrienden zijn al onderweg'. Het hof acht deze eerste verklaringen betrouwbaar en gaat er dan ook vanuit dat er bedreigingen met deze strekking zijn geuit.

(…)

(p. 7)

Het hof acht het niet aannemelijk dat het slachtoffer zowel een schroevendraaier als een aansteker in zijn hand heeft gehad terwijl hij de verdachte aanviel. In die openstaande broekzak bevond zich nog een pakje sigaretten. Het hof acht het - gelet op de afmetingen en de aard van het materiaal - zeer wel mogelijk dat een aansteker en het metalen deel van een schroevendraaier uit een broekzak van een joggingbroek vallen en een pakje sigaretten daarin achterblijft. De aanwezigheid van een metalen gedeelte van een schroevendraaier onder de arm van het slachtoffer geeft dan ook niet zonder meer steun aan de verklaring van de verdachte.

(…)

(p. 10)

Noodweer

Ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf

Het hof overweegt dat op grond van de hiervoor weergegeven vaststaande feiten aannemelijk is dat de verdachte zich op 23 juni 2010 bij het BP-tankstation in een bedreigende situatie heeft bevonden.

(…)

Onder deze omstandigheden was er sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval, dan wel een dreiging daarvan die een handeling ter verdediging rechtvaardigt.”

7.3. Het middel klaagt blijkens de toelichting daarover dat ’s Hofs vaststelling ten aanzien van de aanwezigheid van een schroevendraaier (en aansteker) in de hand van het slachtoffer onvoldoende is gemotiveerd. Zo wordt niet nader gemotiveerd waarom het Hof het aannemelijk acht dat het slachtoffer zowel een aansteker als een schroevendraaier in zijn hand heeft gehad toen hij de verdachte aanviel. De lezing van de verdediging dat het slachtoffer toen deze de verdachte aanviel al de aansteker en de schroevendraaier in zijn hand had wordt immers ondersteund door de vondst van de schroevendraaier en de aansteker naast het lichaam van het het slachtoffer. De verwerping van het beroep op noodweer waarvan deze aanname een onderdeel vormt is volgens de steller van het middel dan ook onbegrijpelijk. Gesteld wordt dat uit de jurisprudentie blijkt dat een schroevendraaier een dodelijk wapen kan zijn, zodat niet valt in te zien dat verweer daartegen met een mes niet-proportioneel zou zijn. De overweging van het Hof dat sprake was van een noodweersituatie, maar dat het beroep op noodweer vervolgens niet wordt gehonoreerd, omdat – kortgezegd – het vooruitsteken met een mes in de hartstreek van het slachtoffer onevenredig is geweest, zodat niet is voldaan aan het vereiste van proportionaliteit, is dan ook onbegrijpelijk, aldus de steller van het middel.

7.4. Het Hof heeft ten aanzien van het beroep op noodweer het volgende overwogen:

“Noodweer

Ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf

Het hof overweegt dat op grond van de hiervoor weergegeven vaststaande feiten aannemelijk is dat de verdachte zich op 23 juni 2010 bij het BP-tankstation in een bedreigende situatie heeft bevonden. De verdachte stond op het BP-terrein toen er een auto aan is komen rijden die abrupt en met piepende banden tot stilstand is gekomen. Het slachtoffer is uit de auto gestapt en direct rennend, dan wel stevig doorlopend, op de verdachte afgekomen. Naar het oordeel van het hof was er op dat moment sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf, dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar hiertoe, mede gelet op het eerdere fysieke treffen bij het NS-station, de daar door [betrokkene 14] en [betrokkene 15] geuite bedreigingen, de wijze van aanrijden op het BP-station en de wijze waarop het slachtoffer de verdachte heeft benaderd, namelijk rennend, dan wel stevig doorlopend met twee vrienden in zijn kielzog. Onder deze omstandigheden was er sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval, dan wel een dreiging daarvan die een handeling ter verdediging rechtvaardigt.

Subsidiariteit en proportionaliteit

Vervolgens rijst de vraag of het handelen van de verdachte heeft voldaan aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, ofwel of de wijze van verdediging in redelijke verhouding heeft gestaan tot de ernst van de aanranding en of niet in plaats van de gekozen wijze van verdediging een andere uitweg had kunnen worden gevonden.

Subsidiariteit

De verdachte is zowel bij het NS-station als bij het BP-station niet degene geweest die de confrontatie heeft opgezocht. Bij het NS-station zijn [betrokkene 14] en [betrokkene 15] op de verdachte afgelopen, waarna er een incident plaatsvond. Vervolgens zijn [betrokkene 14] en [betrokkene 15] versterking gaan halen. Toen [betrokkene 14], [betrokkene 15] en [slachtoffer] langs het BP-station reden en de groep van de verdachte zagen, zijn zij gestopt. Het slachtoffer liep direct, rennend, dan wel stevig doorlopend, op de verdachte af. Van een voor de hand liggende mogelijkheid voor de verdachte om te vluchten in zo'n kort tijdsbestek is niet gebleken. Daarbij zou hij dan bovendien [betrokkene 12], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] achterlaten. De verdachte bevond zich aldus in een situatie waarin hij zich mocht verdedigen. Naar het oordeel van het hof is voldaan aan het vereiste van subsidiariteit.

Proportionaliteit

Het slachtoffer kwam rennend, dan wel stevig doorlopend, op de verdachte af. In het midden kan blijven of het slachtoffer hierbij een slaande beweging richting de verdachte heeft gemaakt, nu het hof in elk geval niet aannemelijk acht dat [slachtoffer] daarbij een metalen voorwerp in zijn hand had. De verdachte had het mes opengeklapt in zijn hand, en hij heeft vervolgens direct met het mes vooruit in de hartstreek van het slachtoffer gestoken. Het hof acht het handelen van de verdachte, gelet op de aanval van [slachtoffer] niet proportioneel. Gelet op de aard van de door [slachtoffer] ingezette aanval - dreigend maar ongewapend op de verdachte afrennen, dan wel lopen, en al dan niet een slaande beweging in zijn richting maken - acht het hof zowel het gekozen middel, als de wijze waarop de verdachte dit middel heeft gehanteerd, namelijk: het direct vooruitsteken met een mes in de hartstreek van het slachtoffer, onevenredig.

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt.

Nu er geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het in zaak A bewezen verklaarde uitsluit, is dit strafbaar.

het in zaak met A bewezen verklaarde levert op doodslag.”

7.5. In weerwil van hetgeen door de verdediging ter terechtzitting is aangevoerd en thans in cassatie wordt gesteld, heeft het Hof geoordeeld dat het in elk geval niet aannemelijk acht dat het slachtoffer daarbij een metalen voorwerp in zijn hand had. Die aanname heeft het Hof gebaseerd op de omstandigheid dat het - gelet op de afmetingen en de aard van het materiaal - zeer wel mogelijk is dat een aansteker en het metalen deel van een schroevendraaier uit een broekzak van een joggingbroek vallen en een pakje sigaretten daarin achterblijft en voorts dat de aanwezigheid van een metalen gedeelte van een schroevendraaier onder de arm van het slachtoffer niet zonder meer steun aan de verklaring van de verdachte geeft. Dat oordeel is, tegen de achtergrond van de in de gebezigde bewijsmiddelen vervatte vaststellingen omtrent de feitelijke toedracht, niet onbegrijpelijk, terwijl het in cassatie niet verder kan worden getoetst. Het Hof heeft de verwerping van het beroep op noodweer in zoverre toereikend gemotiveerd, zodat het middel faalt.

8.1. Het vijfde middel bevat de klacht dat het Hof het beroep op noodweerexces heeft verworpen, zonder dat deze verwerping naar de eis van de wet met redenen is omkleed.

8.2. Het Hof heeft het beroep op noodweerexces als volgt samengevat en verworpen:

“Strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak A bewezen verklaarde

De raadsman van de verdachte heeft subsidiair aangevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hem een beroep op noodweerexces toekomt. De overschrijding van de grenzen van een noodzakelijke verdediging is volgens de verdediging het gevolg van een hevige door de aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging.

De advocaat-generaal heeft betoogd dat de reactie van de verdachte disproportioneel was, terwijl van een hevige gemoedsbeweging die deze disproportionaliteit zou kunnen verklaren niet is gebleken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Niet aannemelijk is geworden dat de disproportionele reactie van de verdachte is veroorzaakt door een hevige door de aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging. Uit de hiervoor weergegeven vaststaande feiten komt naar voren dat het telkens de verdachte is geweest die geweld uit is gaan oefenen op het moment dat er een enigszins dreigende situatie ontstond. Dit was zowel het geval bij het NS-station, alwaar de verdachte een mes heeft getoond en een trap heeft gegeven, als bij het BP-station. Het hof acht voorts van belang dat de verdachte in zijn eerste verklaring bij de politie op 27 september 2010 heeft verklaard dat hij in een reflex handelde en dat hij niet zou weten wat hij anders zou moeten doen. Ook ter terechtzittingen van 3 maart 2011 en 6 september 2012 heeft de verdachte verklaard dat op het moment dat het slachtoffer op hem afkwam en hij het slachtoffer een beweging met zijn arm zag maken, hij automatisch als verdedigingsmanoeuvre het slachtoffer met het mes in zijn hand van hem afduwde. Hieruit blijkt niet dat de verdachte in een dusdanige gemoedsbeweging verkeerde dat hij enkel als gevolg daarvan de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreed. Ook de personen die tot de groep van de verdachte behoren spreken niet van een dusdanige gemoedsbeweging. Zo heeft [betrokkene 12] verklaard dat de verdachte nadat hij het slachtoffer had neergestoken, naar de overige jongens ([betrokkene 14] en [betrokkene 15]) is toegelopen met het mes in zijn hand en heeft geroepen 'Kom dan' of' Wat moet je dan'.

[betrokkene 1] heeft bij de politie verklaard dat zij zag dat [betrokkene 15] in paniek raakte, nadat hij [slachtoffer] had gestoken. Ook hieruit blijkt dat de verdachte op het moment dat hij stak niet handelde vanuit een hevige gemoedsbeweging door de aanranding veroorzaakt.

Gelet hierop komt de verdachte geen beroep op noodweerexces toe.

Nu er geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is de verdachte strafbaar.”

8.3. Het middel behelst blijkens de toelichting daarop de klacht dat de verwerping door het Hof van het beroep op noodweerexces onbegrijpelijk is, nu het Hof immers heeft aangenomen dat sprake was van een voor de verdachte dreigende situatie. Uit de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zou blijken dat de verdachte handelde vanuit een hevige gemoedsbeweging, welke was ontstaan vanuit de bedreigende situatie bij het NS-station en de kort daarna door het latere slachtoffer en zijn vrienden gezochte confrontatie bij het BP-station. Dat het de verdachte zelf is geweest die geweld uit is gaan oefenen op het moment dat er ‘een enigszins dreigende situatie ontstond’ wordt dan ook niet ondersteund door bewijsmiddelen en is in tegenspraak met de door het Hof vastgestelde feiten. Immers valt niet uit te sluiten dat de verdachte bang was en in paniek handelde, aldus de steller van het middel. Daarbij wordt onder meer gerefereerd aan HR 21 december 2010, LJN BN7732.

8.4. Het Hof heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat de door de eerdere (dreigende) aanranding tussen de verdachte en de (Turkse) personen die tot de groep van de verdachte behoren ([betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 12]) enerzijds en het slachtoffer [slachtoffer] en zijn Iraakse vrienden ([betrokkene 14] en [betrokkene 15]) anderzijds bij de verdachte veroorzaakte gemoedsbeweging zodanig heftig is geweest dat hij enkel als gevolg daarvan de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreed. Dit feitelijke oordeel is niet onbegrijpelijk en kan in cassatie niet verder worden getoetst.4 De in de toelichting op middel aangevoerde omstandigheden,5 die een herhaling behelzen van in feitelijke aanleg betrokken stellingen ten aanzien van het beroep op noodweer(exces), doen aan de begrijpelijkheid van dit oordeel niet af. In aanmerking genomen hetgeen de raadsman van de verdachte ter onderbouwing van het beroep op noodweerexces heeft aangevoerd, was het Hof niet gehouden tot een nadere motivering. Derhalve heeft het Hof het beroep op noodweerexces terecht en naar de eis der wet met redenen omkleed verworpen.6

8.5. Voor zover in de toelichting op het middel wordt gesteld dat de feiten en omstandigheden waarop het Hof zich heeft beroepen bij de weerlegging van het beroep op noodweer uit de bewijsmiddelen moeten volgen, vindt het middel geen steun in het recht.7

8.6. Het middel faalt.

9. Het eerste en tweede middel dienen primair buiten bespreking te blijven en kunnen, subsidiair, niet tot cassatie leiden. De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden en kunnen met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan.

10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Met noot van M.J. Borgers gepubliceerd in NJ 2011/495.

2 Zie de vorige voetnoot.

3 De in het promis-arrest opgenomen voetnoten zijn hier niet weergegeven.

4 Vgl. HR 12 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8831, rov. 2.7, HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4459, rov. 5.5 en HR 22 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2500, rov. 3.5.

5 De hevige gemoedsbeweging was ontstaan vanuit de bedreigende situatie bij het NS-station en de kort daarna door het latere slachtoffer en zijn vrienden gezochte confrontatie bij het BP-station. Daardoor valt niet uit te sluiten dat de verdachte bang was en in paniek handelde.

6 Vgl. de conclusie voor HR 12 juni 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BX0851.

7 Zie onder meer HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4459.