Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2412

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-12-2013
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
12/05238
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:143, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/05238

Zitting: 10 december 2013

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 19 september 2012 de verdachte ter zake van 1. primair “poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. Daarnaast heeft het hof de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast met bevel tot verpleging van overheidswege. Voorts bevat het arrest enkele bijkomende beslissingen.

2. Namens de verdachte heeft mr. J. Michels, advocaat te Amersfoort, beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende vijf middelen van cassatie.

3. Ik geef de voorkeur aan een afwijkende volgorde bij de bespreking van de middelen en begin bij het tweede middel. Dat klaagt erover dat het hof heeft verzuimd een beslissing te geven op het door de verdediging gedane aanhoudingsverzoek teneinde een maatregelenrapport te doen opstellen in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden.

4. Het middel heeft een punt daar waar het stelt dat het bestreden arrest als zodanig geen beslissing inhoudt op het ter zitting van 5 september 2012 subsidiair gedane verzoek om aanhouding van de behandeling ten behoeve van het opstellen van een maatregelenrapport. Tot cassatie behoeft dit verzuim evenwel niet te leiden, aangezien het hof onder het hoofd “oplegging van straf en/of maatregel” als zijn niet onbegrijpelijk oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat en waarom er bij het hof geen vertrouwen bestaat dat de verdachte zich – anders dan door dwang – zal onderwerpen aan een behandeling. Het middel faalt derhalve bij gebrek aan belang.

5. Het derde middel bevat de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer.

6. De gebezigde bewijsmiddelen houden in dat de verdachte het slachtoffer met een hard voorwerp meermalen tegen haar hoofd en lichaam heeft geslagen, dat hij haar meermalen harde vuistslagen in het gezicht heeft gegeven en dat hij haar met een schroevendraaier meermalen (tot aan het heft) in de armen, de heupen en de benen heeft gestoken, waarbij de verdachte steeds riep “Ik maak je dood”. Gelet hierop heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat verdachtes opzet, in onvoorwaardelijke zin, was gericht op het van het leven beroven van het slachtoffer.

7. Gezien het voorgaande behoeft de klacht dat het hof nader had moeten motiveren dat het toegebrachte letsel een aanmerkelijke kans op de dood rechtvaardigde en dat de verdachte die kans ook heeft aanvaard geen bespreking.

8. Het middel faalt.

9. Het vierde middel klaagt dat het hof heeft verzuimd te reageren op een gevoerd verweer inhoudende dat de verdachte handelde uit noodweer.

10. Het hof heeft hetgeen door de raadsman ter zitting van 2 december 2011 is aangevoerd kennelijk niet opgevat als een beroep op noodweer. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de raadsman slechts heeft aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard dat hij heeft gehandeld uit noodweer, terwijl de raadsman aan dit beoogde verweer geen enkele (juridische) onderbouwing ten grondslag heeft gelegd en hieraan evenmin een conclusie heeft verbonden.

11. Het middel faalt.

12. Het eerste middel klaagt dat het hof in de strafmotivering rekening heeft gehouden met gedragingen waarvan de verdachte is vrijgesproken.

13. Het hof heeft in zijn strafmotivering betrokken dat de verdachte met een mes stukken van hoofdhaar van het slachtoffer heeft afgesneden en in haar oor heeft gesneden, terwijl het hof de verdachte daarvan blijkens de bewezenverklaring heeft vrijgesproken. Het middel miskent echter dat de vrijspraak van deze onderdelen niet uitwijst dat de betreffende gedragingen naar ’s hofs oordeel niet zijn komen vast te staan. Het hof heeft kennelijk (en niet-onbegrijpelijk) slechts niet bewezen geacht dat deze gedragingen hebben plaatsgehad met het opzet van levensberoving.

14. Het middel faalt.

15. Het vijfde middel klaagt dat het hof in strijd met art. 359 lid 6 Sv ten onrechte, althans in strijd met beginselen van een zorgvuldige sanctietoepassing, dan wel onvoldoende gemotiveerd de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging van overheidswege heeft opgelegd.

16. Het middel faalt, nu het door de steller van het middel ingeroepen HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9407 de rechter niet dwingt tot een verderstrekkende motivering dan welke het hof in de onderhavige zaak aan de oplegging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging ten grondslag heeft gelegd en de strafmotivering, ook in het licht van art. 359, lid 6 Sv, toereikend is gemotiveerd. Ten slotte stond het het hof vrij, gelet op de vrijheid die de rechter toekomt bij de selectie en waardering van factoren die van belang zijn bij de sanctietoemeting, om het PBC-rapport inhoudelijk te verkiezen boven het door de verdediging overgelegde pro justitia rapport.

17. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

18. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG