Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2411

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-11-2013
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
12/04521
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:142, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO en strafvermindering i.v.m. de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/04521

Mr. Vegter

Zitting 19 november 2013 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 13 september 2012 de verdachte ter zake van “moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het Hof ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen de teruggave aan verdachte bevolen en daarnaast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende uitgesproken, een en ander zoals in het arrest vermeld.



Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt over de verwerping van het namens verdachte gevoerde verweer dat de voorbedachte raad niet kan worden bewezen.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 27 juni 2011 te Breda opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een mes in de rug van voornoemde [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”

3.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Door de raadsvrouwe is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen impliciet primair ten laste is gelegd, te weten moord. Haars inziens is er geen wettig, laat staan overtuigend, bewijs dat de verdachte zijn ex-echtgenote met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd. Ten aanzien van de vraag of de subsidiair ten laste gelegde doodslag kan worden bewezen heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zijn ex-echtgenote heeft vermoord en overweegt hieromtrent als volgt.

Voorop gesteld wordt het volgende.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

Vaststaat dat:

- verdachte op 27 juni 2011 zijn ex-echtgenote heeft gedood;

- dit is geschied door één messteek in haar rug;

- zij toen op haar buik lag in het bed van de verdachte;

- het mes op een nachtkastje naast het bed van verdachte lag;

- dat mes een totale lengte heeft van tenminste 27 cm en het lemmet een lengte van ongeveer 15 cm (dossierp. 369 en 370, foto heft en lemmet tezamen);

- verdachte op de ochtend van de dag waarop hij zijn ex-echtgenote heeft gedood tegen [getuige 1] heeft gezegd dat hij "haar" (het hof begrijpt: zijn ex-echtgenote) "af zou maken";

- hij zich eerder, te weten op 1 maart 2011, ook in die zin heeft uitgelaten. Daarover verklaart niet alleen [getuige 1] maar ook [getuige 2] en [getuige 3]. Zij hebben die uitlating van verdachte zo serieus genomen dat zij daar destijds de politie van in kennis hebben gesteld (dossierp. 166);

- verdachte zich ook in de periode gelegen tussen 1 maart 2011 en 27 juni 2011, aldus [getuige 1], meermalen in voormelde zin heeft uitgelaten.

Reeds uit de omstandigheid dat verdachte bij herhaling heeft gezegd, laatstelijk nog op de ochtend van de dag dat hij zijn ex-echtgenote heeft gedood, dat hij haar zal doden, in onderlinge samenhang bezien met de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het voorval een mes, qua formaat geschikt om een diepe steekwond te veroorzaken, onder handbereik had liggen, volgt verdachtes voorbedachte raad.

Gelet hierop schuift het hof verdachtes stelling dat hij in een opwelling heeft gestoken en dat er mitsdien geen sprake is geweest van voorbedachte raad, als hoogst onaannemelijk ter zijde.

Ten overvloede overweegt het hof voorts het volgende.

Vaststaat dat de opgestikte broekzak van de werkbroek waarin de verdachte dit mes beweerdelijk op 27 juni 201 1 heeft gedragen, maximaal 20 cm diep is (bijlage bij proces-verbaal PL202M 2011128840-119 (verhoor getuige [getuige 1]) d.d. 25 januari 2012 foto 2).

De verdachte heeft verklaard dat hij het mes regelmatig bij zich droeg en gebruikte om fruit te schillen. Het zou dan gaan om fruit dat hij op zijn werk nuttigde in de loop van de middag. Het mes zou hij op die dagen bij zich hebben gedragen in zijn werkbroek waarop zakken zijn gestikt waarin ook gereedschap kan worden gestoken. Hij droeg het mes dan met de punt naar beneden gericht, in die zak.

Verdachte heeft tevens verklaard dat hij dat mes op de ochtend van die 27e juni 201 1 ook bij zich had gestoken in zijn werkbroek. Hij is die dag eerder naar huis gegaan omdat hij de middag vrij had maar heeft desalniettemin de gehele dag zijn werkbroek aangehouden met daarin gestoken voornoemd mes. Op het einde van de middag is zijn ex-echtgenote bij hem thuis gekomen en zijn zij op enig moment naar de slaapkamer gegaan alwaar zij seks hebben gehad. Verdachte heeft verklaard dat zijn werkbroek toen op het nachtkastje lag aan de zijde van het bed waar hij lag, dat hij na de seks naar zijn shag reikte die in zijn werkbroek zat en dat hij toen het mes voelde, het pakte en in één beweging zijn ex-echtgenote doodstak.

Het hof acht verdachtes verklaring dat het mes waarmee hij heeft gestoken regelmatig bij zich droeg om de voormelde redenen en dat hij het ook die 27e juni 2011 bij zich droeg in zijn werkbroek, hoogst onaannemelijk. Het mes waar het om gaat is qua grootte niet een voor de hand liggend mes om - standaard - als fruitmes te hanteren.

Belangrijker evenwel acht het hof de omstandigheid dat (i) geen van de daarover bevraagde naaste collega's van verdachte heeft verklaard dat zij verdachte ooit op het werk hebben gezien met dat mes terwijl zij evenmin hebben zij gezien dat verdachte op het werk fruit schilde en nuttigde en (ii) de lengte van het mes in relatie tot de diepte van de broekzak waarin het op die 27e juni beweerdelijk was gestoken het hoogst onaannemelijk maakt dat verdachte dat mes de hele dag bij zich heeft gedragen in voornoemde broekzak en dat het zich voorts nog in die broekzak zou hebben bevonden op het moment dat die broek op het nachtkastje is gelegd.

Gelet hierop acht het hof verdachtes lezing met betrekking tot de reden waarom het mes op het nachtkastje lag, hoogst onaannemelijk.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.”

3.4. Uit recente jurisprudentie volgt dat de Hoge Raad de eisen waaraan het bewijs van de voorbedachte raad moet voldoen, heeft aangescherpt. In HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518 overwoog de Hoge Raad:

“Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.“

3.5. In aanvulling daarop overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963 het volgende:

“De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.”

3.6. Het Hof heeft overwogen dat de verdachte bij herhaling heeft gezegd, laatstelijk nog op de ochtend van de dag dat hij zijn ex-echtgenote heeft gedood, dat hij haar zal doden. Dit in onderlinge samenhang bezien met de omstandigheid dat de verdachte ten tijde van het voorval een mes onder handbereik had liggen, volgt daaruit volgens het Hof verdachtes voorbedachte raad. Uit de overwegingen van het Hof kan worden opgemaakt dat het van oordeel is dat de verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Dit komt in het bijzonder naar voren uit de door het Hof gedane vaststellingen dat:

(i) het mes op het nachtkastje naast het bed van de verdachte lag;

(ii) dat mes een totale lengte heeft van tenminste 27 cm en het lemmet een lengte van ongeveer 15 cm;

(iii) verdachte op de ochtend van 27 juni 2011 - de dag waarop hij zijn ex-echtgenote zou doden - tegen [getuige 1] heeft gezegd dat hij “haar af zou maken”;

(iv) zijn collega’s [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] hebben verklaard dat de verdachte zich eerder, te weten op 1 maart 2011, ook in die zin heeft uitgelaten;

(v) zij die uitlating van de verdachte zo serieus hebben genomen dat zij de politie daar destijds over in kennis hebben gesteld;

(vi) [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte zich ook in de periode tussen 1 maart 2011 en 27 juni 2011 zich meermaals in voormelde zin heeft uitgelaten.

3.7. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de uitlatingen van de verdachte en het mes dat onder handbereik lag niets afdoen aan het feit dat de verdachte nog steeds in een opwelling kan hebben gestoken. Zulks in het licht van hetgeen ook in hoger beroep namens de verdachte is aangevoerd, te weten dat de door de verdachte gedane uitlatingen zijn gedaan vanuit frustratie en dat de verdachte in een opwelling, te weten na een ruzie met zijn ex-echtgenote, haar heeft gestoken met een mes. Deze door de verdediging aangevoerde contra-indicaties heeft het Hof, zoals hierboven onder 3.3 is weergegeven, toereikend gemotiveerd verworpen. Het Hof heeft doen blijken zich te hebben gebogen over de vraag of deze contra-indicaties inderdaad aanwezig waren. In het onderhavige geval heeft het Hof de aangevoerde contra-indicaties niet aannemelijk geacht. Daarbij is niet alleen de andere kleur die het Hof aan de uitingen van verdachte geeft van betekenis, maar tevens (volgens het Hof ten overvloede) de omstandigheid dat het Hof de door verdachte opgegeven reden voor de aanwezigheid van een mes onder handbereik op het nachtkastje hoogst onaannemelijk acht. Het oordeel van het Hof dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

3.8. Het middel faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden