Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2410

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-11-2013
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
12/03051
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:141, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/03051

Mr. Wortel

Zitting 19 november 2013

conclusie inzake

[verdachte]

1.1 Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen een op 4 juni 2012 uitgesproken arrest van het Gerechtshof Leeuwarden, waarbij de verdachte wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen” is veroordeeld tot een gevangenisstraf van één week, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

1.2 Namens de verdachte heeft mr. G.E.M. Later, advocaat te ‘s-Gravenhage, middelen van cassatie voorgesteld.

1.3 Deze zaak vertoont samenhang met de zaken die bij de Hoge Raad aanhangig zijn onder de griffienummers 12/03052, 12/03053 en 12/03054, waarin ik heden eveneens concludeer.

2.1 Het eerste middel klaagt erover dat het Hof, overwegende

“De raadsvrouw heeft ter zake van het ten laste gelegde een beroep gedaan op psychische overmacht. Daartoe heeft zij gesteld dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde heeft gehandeld in een zeer emotionele toestand. Verdachte verkeert al lange tijd in onzekerheid betreffende zijn asielaanvraag en er wordt - aldus de raadsvrouw - door de betreffende instanties op een onmenselijke manier met verdachte omgegaan.

Een beroep op psychische overmacht vereist een zodanige psychische dwang dat van iemand redelijkerwijs niet (meer) gevergd kan worden daaraan weerstand te bieden.

Op grond van de processtukken en het verhandelde ter zitting van het hof is niet aannemelijk geworden, dat verdachte heeft gehandeld onder invloed van een zodanige psychische dwang, dat in redelijkheid van hem niet (meer) gevergd kon worden daaraan weerstand te bieden.

Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.”

heeft verzuimd op het verweer te beslissen voor zover daarbij een beroep werd gedaan op (handelen in) een noodtoestand.

2.2 Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de raadsvrouwe in hoger beroep gepleit overeenkomstig aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen. Die pleitaantekeningen bevatten een omstandige uiteenzetting van de situatie waarin de verdachte zich als vreemdeling bevindt, en van de wijze waarop hij wordt bejegend door de met uitvoering van de vreemdelingenwetgeving belaste instanties. Dit betoog mondt uit in

“(3.3) Toerekenbaarheid/psychische overmacht?

(…) was er sprake van een overmachtsituatie. Psychische overmacht. Wanneer iemand niet in staat gesteld wordt te overleven, wat kan men dan verwachten? Zeker als iemand ook niet weg kan”.

2.3 Aldus is niet aangevoerd dat de verdachte het te zijnen laste bewezenverklaarde feit heeft begaan omdat hij zich onverhoeds geplaatst zag voor een conflict van rechtsplichten, en in die onvoorziene situatie een juiste, althans verdedigbare keuze heeft gemaakt.

2.4 Met het oog op de wijze waarop het middel is toegelicht veroorloof ik mij daar nog het volgende bij aan te tekenen.

Aan een verweer als bedoeld in art. 358, derde lid, Sv wordt de eis gesteld dat het ter terechtzitting wordt voorgedragen, met een duidelijke opgave van de beslissing die van de rechter wordt verlangd, van de rechtsregels die tot zodanige beslissing aanleiding geven, en van de feiten en omstandigheden die in dat verband in het bijzonder van belang zijn. Daaruit volgt dat een enkele verwijzing naar bepaalde bescheiden of een verzoek om hetgeen elders dan ter terechtzitting naar voren is gebracht “als herhaald en ingelast te beschouwen” de rechter niet (op straffe van nietigheid) tot een afzonderlijke beslissing noopt.

De in art. 40 Sr erkende psychische overmacht levert een schulduitsluitingsgrond op, maar overmacht in de vorm van noodtoestand, de in de rechtspraak ontwikkelde figuur waarvoor bij art. 40 Sr aansluiting is gezocht, vormt een rechtvaardigingsgrond. De erkenning van handelen in noodtoestand impliceert dat het feit in de gegeven omstandigheden in het geheel niet strafbaar is. Die beslissing mag alleen worden genomen indien vaststaat dat de verdachte, onvoorzien terecht gekomen in de situatie waarin hij moest kiezen tussen hetzij naleving van de ene, hetzij gehoorzaming aan de andere (tot hem gerichte) rechtsnorm, een naar objectieve maatstaven verdedigbare beslissing heeft genomen. Het honoreren van een beroep op deze noodtoestand heeft immers het effect dat een wettelijke strafbaarstelling zich niet blijkt uit te strekken tot een geval waarop zij naar haar bewoordingen wel toepasselijk is. De verdediging zal nogal wat moeten aanvoeren om een op dit resultaat gericht verweer kans van slagen te geven, en ik vrees dat hetgeen in deze zaak in hoger beroep werd aangevoerd, hoezeer daarmee ook is benadrukt dat het tenlastegelegde feit tegen de achtergrond van kommervolle omstandigheden moet worden gezien, onmogelijk als een beroep op handelen in een noodtoestand had kunnen worden aanvaard.

Het middel faalt.

3.1 Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof heeft verzuimd een beslissing te geven op het namens de verdachte gedane verzoek art. 9a Sr toe te passen.

3.2 De ter terechtzitting voorgedragen pleitaantekeningen monden uit in de conclusie

“Belangrijk is dat er niet meer straf op zijn lijst staat. Voorwaardelijke straffen zijn ook straffen voor de IND.

(…)

Het is belangrijk dat de cirkel doorbroken wordt.

Dat betekent (…) geen strafoplegging, mede ook omdat cliënt er feitelijk niets aan kan doen omdat hij zich in een overmachtsituatie bevond.”

3.3 Aangezien het verzoek in het geheel geen straf op te leggen was verbonden aan het door het Hof verworpen beroep op psychische overmacht, en de strafmotivering inhoudt dat het Hof rekening heeft gehouden met “de omstandigheden en achtergrond van verdachte zoals blijkt uit hetgeen de raadsvrouw van verdachte ter zitting van het hof naar voren heeft gebracht”, heeft de verdachte geen belang bij de klacht dat het Hof niet tevens met zoveel woorden heeft vastgesteld dat het in die aangevoerde omstandigheden en achtergrond geen aanleiding ziet toepassing te geven aan art. 9a Sr.

Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.

4.1 Het beroep leent zich voor afdoening overeenkomstig art. 81 RO.

4.2 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

wnd A-G