Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2403

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-12-2013
Datum publicatie
21-01-2014
Zaaknummer
13/04805
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:130, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Uitleveringszaak. HR: 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/04805 U

Mr. Vegter

Zitting: 17 december 2013

 

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

1. Bij beslissing van 6 september 2013 heeft de Rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Amsterdam, de uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Republiek Turkije toelaatbaar verklaard ter zake van de feiten zoals die uiteen zijn gezet in het aan de beslissing gehechte uitleveringsverzoek van 13 mei 2013, het aanhoudingsbevel van 19 juni 2012 en de inbeschuldigingstelling van 14 februari 2010 en daarin door middel van [haken] zijn aangegeven.

2. De opgeëiste persoon heeft beroep in cassatie doen instellen. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. O.O. van der Lee, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende een middel van cassatie ingediend.

3. Het middel behelst de klacht dat de stukken ongenoegzaam zijn nu het tijdstip waarop de feiten zouden zijn begaan, waarvoor de Rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard, onvoldoende duidelijk is. Het middel richt zich in het bijzonder tegen de tijdsaanduiding ‘14/01/2008 and before’.

4. De Rechtbank heeft het verweer, dat de stukken ongenoegzaam zijn voor wat betreft de tijdsbepaling, verworpen en daartoe in zijn beslissing het navolgende overwogen:

‘De rechtbank overweegt verder dat het uitleveringsverzoek vergezeld dient te gaan van stukken en gegevens op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de UW geformuleerde vereisten. Daartoe dient het verzoek een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die bepaling de naleving van het specialiteitbeginsel te kunnen waarborgen.

Naar het oordeel van de rechtbank is in de bij deze uitspraak toegevoegde bijlagen de tijdsbepaling, plaats en rol van de opgeëiste persoon bij de gepleegde feiten genoegzaam omschreven en zijn de rechten van de opgeëiste persoon, zoals hiervoor omschreven, gewaarborgd. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.’

5. De Rechtbank heeft de uitlevering toelaatbaar verklaard voor – kort gezegd – een viertal feiten waaronder een feit dat naar Nederlands recht kan worden aangemerkt als deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, te weten de handel in verdovende middelen. Als pleegdatum vermeldt het aanhoudingsbevel ‘14/01/2008 and before’. Daarnaast is, in wat zich laat aanzien als de inbeschuldigingstelling van 14 februari 2010, een drietal feiten omschreven die – kort gezegd – bestaan uit
(1) het op 29 november 2006 leggen van contact door de opgeëiste persoon met leden van de organisatie in Turkije en beoogde afnemers van de verdovende middelen c.q. de heroïne (de organisatie verkrijgt de verdovende middelen in Iran en transporteert deze naar Nederland om daar aan personen uit Engeland te worden verkocht); en
(2) het voeren van een (telefoon)gesprek op 1 december 2006 door de opgeëiste persoon met een ander lid van de organisatie inzake de verkoop van dertig kilo heroïne aan personen in Engeland die in verband daarmee binnen drie of vier dagen naar Nederland zouden komen waar de opgeëiste persoon zich toen bevond (een en ander op 1 december 2006) alsmede
(3) een (telefoon)gesprek op 21 februari 2007 waaruit blijkt van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij een transport via Turkije naar Nederland; ter sprake komt dat de opgeëiste persoon reeds in Nederland was aangehouden in verband met (kennelijk een ander) drugstransport.

6. Het drietal feiten moet worden gezien als een concretisering van het eerstgenoemde feit dat naar Nederlands recht kan worden aangemerkt als deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en in de inbeschuldigingstelling naar Turks recht is aangemerkt als ‘becoming a member of an organized group with the intention of committing crime’. De feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard moeten in onderling verband worden gezien, hetgeen betekent dat de deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven is geconcretiseerd aan de hand van de overige drie uiteengezette feiten zodat ook de tijdsaanduiding ‘14/01/2008 and before’ is geconcretiseerd tot feiten die zijn begaan op of omstreeks 29 november 2006, 1 december 2006 en 21 februari 2007.1 Aldus bezien is de tijdsaanduiding voor de deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven te weten de handel in verdovende middelen, zo nauwkeurig mogelijk als bedoeld in art. 12, tweede lid onder b, EUV en art. 18 lid 3 onder b Uitleveringswet. Hierbij kan nog in aanmerking worden genomen dat, nu het uitlevering ter fine van strafvervolging betreft, de stand van het door de autoriteiten van de Republiek Turkije ingestelde onderzoek inzake dit feit, een nauwkeuriger vermelding van de tijd nog niet mogelijk maakte.2

7. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden


A-G

1 Vgl. HR 26 mei 1987, NJ 1988/377 r.o. 5.2 ‘Zodanig(e) verband of samenhang is noch uit de bewoordingen noch uit de strekking van de omschrijving der feiten te putten.’

2 Vgl. HR 22 juli 1986, NJ 1987/300 r.o. 6.2.1 m.b.t. ‘between 1980 and 1983 and later on’: ‘waarnaar nog onderzoek gaande is’; HR 8 mei 1978, NJ 1978/314 (Zaak Folkerts) m.nt. Th.W. van Veen m.b.t. ‘op 3 aug. 1977 en daarna’: ‘op laatstgenoemd tijdstip de stand van het door de autoriteiten […] ingestelde onderzoek nopens het onderhavige feit alstoen een nauwkeuriger vermelding van tijd en plaats waarop dat feit zou zijn begaan, nog niet mogelijk maakte’.