Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2400

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-11-2013
Datum publicatie
21-01-2014
Zaaknummer
11/04740
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:126, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO en volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/04740

Zitting: 19 november 2013

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, heeft bij arrest van 19 oktober 2011 de verdachte wegens primair “van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 dagen, waarvan 35 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr en met teruggave van in beslag genomen voorwerpen zoals in het arrest omschreven.

2. Deze zaak hangt samen met twee ontnemingszaken tegen de verdachte (nr. 11/05205 P en nr. 11/05204 P) en een andere strafzaak tegen de verdachte (nr. 11/04739), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

3. Namens de verdachte heeft mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, beroep in cassatie ingesteld en bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel behelst blijkens de toelichting de klacht dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv niet, althans niet in voldoende mate, heeft beslist op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de raadsman van de verdachte.

5. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2011 overgelegde pleitnota, heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde (gewoonte)witwassen, in het bijzonder omdat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat het geld afkomstig is van enig drugsgerelateerd misdrijf. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. De inkomsten die de verdachte heeft verworven, zijn afkomstig uit de frequente gokpraktijken van de verdachte. Deze door de verdachte aangevoerde alternatieve bron van inkomsten is ten onrechte door het openbaar ministerie en door de rechtbank als volstrekt onaannemelijk terzijde geschoven. Voorts heeft de verdachte met het gokken meer gewonnen dan uit het dossier blijkt, terwijl het niet aan de verdachte is te wijten dat het Holland Casino hiervan onvoldoende administratie heeft bijgehouden en aan de verdachte geen bonnetjes van de uitgekeerde winsten heeft verstrekt. Het openbaar ministerie heeft verzaakt de alternatief gestelde herkomst te onderzoeken, aldus de raadsman.

6. Het hof heeft in reactie op dit verweer het volgende overwogen:

“Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het verdiende geld van verdachte afkomstig van enig drugsgerelateerd feit is.

Het hof heeft daarbij onder meer gelet op de getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]. Alle drie de getuigen verklaren in de ten laste gelegde periode meerdere malen cocaïne bij verdachte te hebben gekocht. Daarnaast stelt het hof vast dat de stelling van de verdediging dat de verdiende geldbedragen afkomstig zijn van gokwinsten niet nader wordt ondersteund door redengevende feiten en omstandigheden. Verdachte heeft derhalve geen enkele aannemelijke verklaring gegeven voor de bedragen die hij uitgegeven/voorhanden had.”

7. Voor zover het middel tot uitgangspunt neemt dat het hof in het geheel niet zou hebben beslist op het in het middel bedoelde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Uit de hiervoor weergegeven overwegingen van het hof volgt immers dat het hof met redenen omkleed heeft beslist op dit standpunt.

8. Het hof heeft - kort gezegd - geoordeeld dat het geld van de verdachte afkomstig is van enig drugsgerelateerd feit, nu getuigen hebben verklaard dat zij cocaïne van de verdachte hebben gekocht, de stelling van de verdediging niet wordt ondersteund door redengevende feiten en omstandigheden en de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de geldbedragen. Gelet op de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, is dit oordeel niet onbegrijpelijk. [getuige 1] (bewijsmiddel 1) heeft in dit verband verklaard dat hij een aantal jaren cocaïne heeft gekocht van de verdachte, dat hij in de zomer van 2004 voor het eerst cocaïne van hem heeft gekocht en dat de laatste keer 31 januari 2007 (“vorige week woensdag”) was. Voorts heeft [getuige 2] (bewijsmiddel 2) verklaard dat hij in 2006 een keer of tien cocaïne heeft gekocht van de verdachte. Daarnaast heeft [getuige 3] (bewijsmiddelen 3 en 4) verklaard dat hij ongeveer 30 keer cocaïne heeft gekocht bij de verdachte en dat hij daarmee begin 2005 is begonnen. Bovendien is bij de insluitingsfouillering van de verdachte op het politiebureau op 27 juni 2006 € 10.830,- aan contant geld aangetroffen (bewijsmiddelen 5 en 6), terwijl bij de doorzoeking van de woning van de verdachte op 14 november 2006 in Almere een geldbedrag van € 2.500,- en een groot aantal contant betaalde facturen en kassabonnen (met een totaalbedrag van € 20.859,59) zijn gevonden (bewijsmiddelen 7, 8 en 9). Ten slotte heeft de verdachte op 4 januari 2006 bij een autobedrijf een Volkswagen Golf gekocht voor € 13.000,-, welk bedrag de verdachte contant heeft betaald (bewijsmiddelen 10 en 11). Aldus heeft het hof het standpunt van de raadsman op goede gronden en toereikend gemotiveerd verworpen. In het licht van hetgeen de raadsman ter onderbouwing van dit standpunt heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.

9. Ten slotte bevat het middel de algemene opmerking dat het hof op onjuiste en/of ontoereikende gronden tot de bewezenverklaring is gekomen. In de toelichting op het middel wordt slechts uiteengezet dat het hof niet zou hebben beslist op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, behoudens de niet nadere gemotiveerde opmerking dat de gebezigde bewijsmiddelen niet redengevend zijn om de bewezenverklaring te dragen. De enkele opmerking dat het hof op ontoereikende gronden tot een bewezenverklaring is gekomen, is te vaag en te algemeen van aard om een zelfstandige cassatieklacht in te houden.1 Welwillend gelezen, zou daarin de klacht kunnen worden ontwaard dat de bewezenverklaring van het onderdeel van de tenlastelegging waar het verweer zich tegen keerde, te weten “afkomstig uit enig misdrijf”, niet uit de bewijsmiddelen kan volgen. Uit het voorafgaande vloeit voort dat ik dit standpunt niet deel. Nu het middel zich niet keert tegen de kwalificatie van het bewezen verklaarde als gewoontewitwassen en zich evenmin de situatie voordoet dat de bewezenverklaring louter ziet op het voorhanden hebben dan wel het verwerven van een voorwerp dat uit enig misdrijf dat door de verdachte zelf is begaan afkomstig is, maar ook het overdragen en daarmee het in het economisch verkeer brengen daarvan behelst, kan de recente rechtspraak waarin de Hoge Raad de reikwijdte van witwassen heeft verduidelijkt buiten bespreking blijven.2

10. Het middel faalt.

11. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof het verzoek om de minister van veiligheid en justitie en de “chief executive officer” van het Holland Casino [betrokkene]) als getuigen te horen ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft afgewezen.

12. De stukken van het geding houden, voor zover hier van belang, het volgende in:

(i) De Rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij vonnis van 18 juni 2009 veroordeeld. Namens de verdachte is op 24 juni 2009 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

(ii) De raadsman van de verdachte heeft bij appelschriftuur van 7 juli 2009 verzocht de “chief executive officer” van Holland Casino en de toenmalige minister van justitie ter terechtzitting in hoger beroep als getuigen te mogen horen.3

(iii) De advocaat-generaal heeft in reactie op dit verzoek bij brief van 8 april 2010, gericht aan de raadsman, gemotiveerd medegedeeld dat hij de gevraagde getuigen niet zal oproepen.

(iv) Op de terechtzitting in hoger beroep van 10 mei 2011 heeft de raadsman gepersisteerd bij het verzoek tot het horen van de getuigen zoals in de appelschriftuur is opgegeven.4 De raadsman heeft ter onderbouwing van het verzoek het volgende aangevoerd. Hij wenst beide getuigen vragen te stellen over de administratieve regeling van de door het casino behaalde winsten en over de verzwaarde zorgplicht van Holland Casino (een staatsbedrijf) ten aanzien van fiscale aangelegenheden. Voorts wil hij de minister van veiligheid en justitie vragen hoe het kan dat het ministerie van financiën verwacht dat iemand voldoet aan het opgeven van zijn inkomsten, terwijl er bij het Holland Casino geen registratie plaatsvindt. Door het niet registreren is het ministerie van veiligheid en justitie medeschuldig aan het medeplegen van witwassen, aldus de raadsman.

(v) Het hof heeft op die terechtzitting het verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene] en Opstelten afgewezen. Het hof overwoog daartoe het volgende:

“Het hof wijst het verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene] en de minster van veiligheid en justitie Opstelten af aangezien hun eventuele verklaringen niet relevant zijn voor enige in rechte te nemen beslissing in deze zaak. Zij kunnen slechts verklaren omtrent regelgeving en het beleid inzake Holland Casino, niet aan de toepassing daarvan in de strafzaak. Verdachte is door het niet horen van deze getuigen niet geschaad in zijn verdediging. Het is voor het hof een feit van algemene bekendheid dat met gokken in casino's geld verdiend kan worden, maar deze getuigen ontberen de wetenschap of dit in de betrokken periode ook voor verdachte gold.”

13. Het bij appelschriftuur van 7 juli 2009 gedane en op de terechtzitting in hoger beroep van 10 mei 2011 gehandhaafde verzoek van de raadsman van de verdachte om de “chief executive officer” van het Holland Casino en de minister van (veiligheid en) justitie als getuigen op te roepen, is een verzoek als bedoeld in art. 287, derde lid onder a, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv.5 In aanmerking genomen dat deze getuigen namens de verdachte bij appelschriftuur zijn opgegeven en de getuigen niet op de terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de rechter-commissaris zijn gehoord, is de maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek - voor zover hier van belang - ingevolge art. 288, eerste lid, onder c, Sv in verbinding met art. 418, eerste lid, Sv of redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het afzien van de oproeping van de getuigen niet in zijn verdediging wordt geschaad.6

14. Het hof heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 10 mei 20117 bij de afwijzing van het verzoek om de getuigen op te roepen geoordeeld dat de verdachte door het niet horen van deze getuigen niet is geschaad in zijn verdediging. Aldus heeft het hof, anders dan de steller van het middel betoogt, de juiste maatstaf gehanteerd.

15. De raadsman heeft ter onderbouwing van het getuigenverzoek ter zitting enkel aangevoerd dat hij de getuigen wenst te ondervragen over het niet registreren van de door het casino behaalde winsten, de zorgplicht van het casino ten aanzien van fiscale aangelegenheden en de gestelde medeschuld van het ministerie van veiligheid en justitie. Gelet hierop geeft het oordeel van het hof dat de verdachte door het niet horen van deze getuigen niet is geschaad in zijn verdediging geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Het hof heeft niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de getuigen niet kunnen verklaren over enige relevante beslissing in de onderhavige strafzaak. In het licht van de onderbouwing van het verzoek door de raadsman, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.

16. Het middel faalt.

17. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. De verdachte heeft op 24 oktober 2011 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.

18. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straf, zoals hiervoor onder 1 is vermeld, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en kan de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.8

19. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

n.d.

1 Vgl. HR 2 maart 1999, NJ 1999/739 m.nt. De Hullu, rov. 7.

2 Vgl. onder meer HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:898, HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:121, HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3302 en HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6910, NJ 2013/266, m.nt. Borgers.

3 Deze appelschriftuur is op 9 juli 2009 en dus binnen de veertien-dagentermijn van art. 410, eerste lid, Sv binnengekomen bij de strafgriffie van de rechtbank.

4 Met dien verstande dat hij naast [betrokkene] de minister van veiligheid en justitie Opstelten als getuige wenst te horen.

5 Hoewel de samenstelling van het hof na de schorsing van het onderzoek voor onbepaalde tijd op de terechtzitting in hoger beroep 10 mei 2011 is gewijzigd en het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2011 niet vermeldt dat het onderzoek met instemming van de verdachte, zijn raadsman en de advocaat-generaal is hervat in de stand ten tijde van de schorsing en het arrest van het hof inhoudt dat het wat betreft het hoger beroep enkel is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 oktober 2011, kan over de afwijzing van het op de terechtzitting in hoger beroep van 10 mei 2011 gedane getuigenverzoek in cassatie wel worden geklaagd. Ervan uitgaande dat het onderzoek ter terechtzitting op de terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2011 opnieuw is aangevangen, blijven ingevolge art. 322, vierde lid, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv beslissingen inzake het horen of de oproeping van getuigen ter terechtzitting uit hoofde van art. 288 Sv in stand.

6 Vgl. HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1585, rov. 3.3, HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1584, rov. 2.3 en HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1726, NJ 2010/589, rov. 2.4.

7 De steller van het middel merkt bij kennelijke vergissing op dat het hof het verzoek in zijn arrest in plaats van in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 mei 2011 zou hebben afgewezen, terwijl hij bij de weergave van de afwijzing van het verzoek door het hof volstaat met het noemen van één zin zonder de volledige motivering van het hof weer te geven.

8 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, rov. 3.6.2 onder C.