Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2394

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-12-2013
Datum publicatie
14-01-2014
Zaaknummer
13/02546
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:65, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 80a RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/02546

Zitting: 10 december 2013

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Bij arrest van 11 december 2012 heeft het Hof te ’s-Gravenhage de verdachte wegens moord veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren. Tevens heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen voor een bedrag van € 14.074,35 in combinatie met de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr te vervangen door honderd-en-vijf dagen hechtenis.

2. Namens de verdachte heeft mr. M.C. Megen, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld. Mr. C.M. Peeperkorn, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende twee middelen van cassatie ingediend.

3. De onderhavige zaak betreft de moord op een medewerker van de IND die op klaarlichte dag op weg naar zijn werk in Rijswijk (ZH) in het achterhoofd is geschoten.

4. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd het verzoek heeft afgewezen om een deskundige als getuige te horen.

5. Ter terechtzitting van het Hof van 27 november 2012 heeft de raadsvrouw een verzoek gedaan om de getuige Loonen ter terechtzitting te horen, dat als volgt in het proces-verbaal is weergegeven:

‘De advocaat-generaal vindt het raar dat mijn cliënt op een zo laat tijdstip in de procedure ineens anders over zijn gebruik van Seroxat verklaart. Mijns inziens is het heel logisch dat iemand verklaart dat hij conform voorschrift zijn medicijnen inneemt. Mensen denken hier verder niet over na. Zeker niet mensen die zo zwaar depressief zijn als mijn cliënt op dat moment was. Het is aannemelijk dat mijn cliënt een seroxatvergiftiging heeft opgelopen. Indien u de conclusie van prof. Dr. Loonen niet volgt, verzoek ik u Loonen als deskundige op de zitting te horen.’

6. In zijn arrest is het Hof ingegaan op de aangevoerde seroxatvergiftiging en heeft hij in dat kader het verzoek om de getuige te horen afgewezen. In het arrest heeft het Hof het navolgende overwogen:

Ter terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2012 heeft de raadsvrouw bepleit dat aannemelijk is geworden dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde aan een serotoninevergiftiging heeft geleden en dat hierdoor zijn handelen zodanig is beïnvloed dat hij voor het plegen van het delict mogelijk als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De raadsvrouw stoelt dit pleidooi op de inhoud van het rapport van prof. dr. A.J.M. Loonen (verder: Loonen) d.d. 28 september 2011 met daarin de conclusie dat het waarschijnlijk moet worden geacht dat paroxetine – indien de verdachte dit middel in een hoge dosering kort voor het ten laste gelegde zou hebben ingenomen – een belangrijke (mede)oorzakelijke rol heeft gespeeld bij het ontstaan van het agressie-incident. De deskundige schat de kans op een relevante rol op 2/3. Gelet hierop dient de verdachte, aldus de raadsvrouw, te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Geen van de in deze zaak geraadpleegde deskundigen – ook Loonen niet die slechts rapporteert in termen van mogelijke mede-causaliteit – is tot de conclusie gekomen dat de verdachte het ten laste gelegde in het geheel niet kan worden toegerekend. Het verweer dient reeds daarom te worden verworpen.

Ambtshalve ziet het hof in het procesdossier evenmin aanwijzingen die een dergelijke conclusie zouden kunnen rechtvaardigen, eens te meer nu de verdachte de enige bron is voor wat betreft de door hem in de periode voorafgaand aan het ten laste gelegde feit gestelde inname aan medicamenten.

Onder deze omstandigheden is het horen van Loonen als deskundige, zoals voorwaardelijk verzocht door de raadsvrouw, niet noodzakelijk en wordt d i t verzoek afgewezen.’

7. Nu het verzoek om de getuige te horen ter terechtzitting van het Hof is gedaan, heeft het Hof de juiste (noodzakelijkheid) maatstaf aangelegd. Het oordeel is niet onbegrijpelijk gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd.

8. Het verzoek om Loonen als getuige ter terechtzitting te horen, strekte ertoe aannemelijk te maken dat de verdachte ‘mogelijk als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd’ en geschiedde onder de voorwaarde dat het Hof de conclusie van Loonen ‘niet volgt’. Uitgaande van ook de conclusies van de Loonen heeft het Hof geoordeeld dat hetgeen is aangevoerd niet tot de conclusie kan leiden dat de verdachte het ten laste gelegde niet kan worden toegerekend. Het is dus niet zo dat het Hof de conclusies van Loonen ‘niet volgt’; het Hof waardeert die conclusies anders dan de raadsvrouwe.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof in verband met de strafoplegging voorbij is gegaan aan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar is.

11. Bij de motivering van de op te leggen straf heeft het Hof in zijn arrest het navolgende overwogen dat van belang is voor de beoordeling van het middel:

‘Het hof heeft voorts acht geslagen op de omtrent de verdachte opgemaakte rapportages van psychiater K. Foeken van 7 september 2009 en 25 januari 2010, en van psycholoog A.L. Faas van 11 september 2009. Beide rapporteurs concluderen dat de verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van een depressieve stoornis. Voorts heeft de verdachte klachten die passen bij een posttraumatische stressstoornis en alcoholmisbruik. Beide rapporteurs concluderen dat voornoemde stoornissen ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig waren en de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte hebben beïnvloed. De verdachte was hierdoor in enigszins verminderde mate in staat om zijn handelen in vrijheid te bepalen; hij kon het ontoelaatbare van zijn handelen nog wel inzien, maar was door de genoemde combinatie van factoren in enigszins verminderde mate in staat om volgens dat inzicht te handelen. De gedragskeuzes werden slechts gedeeltelijk bepaald door zijn persoonlijkheidseigenschappen en het depressieve toestandsbeeld. Gelet op het vooraangaande adviseren beide rapporteurs om de verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Het hof gaat uit van de inhoud van beide rapportages en houdt het ervoor dat de verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en zal hiermee bij de bepaling van een passende en geboden straf rekening houden.’

12. In de strafmotivering heeft het Hof overwogen dat en waarom naar zijn oordeel de verdachte ‘enigszins verminderd toerekeningsvatbaar’ is . Aldus heeft het Hof eveneens aangegeven dat en waarom de verdachte naar zijn oordeel niet ‘sterk verminderd toerekeningsvatbaar’ was.

13. Het middel mist derhalve feitelijke grondslag zodat het faalt.

14. Nu de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden, dient de verdachte overeenkomstig het bepaalde in art. 80a RO niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep te worden verklaard.

15. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van de verdachte in zijn cassatieberoep.

Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden


A-G