Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2376

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-12-2013
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
13/05527
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:264, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. Beroep door betrokkene bij civiele rechter tegen door gemeente gepleegde aanvulling van persoonslijst van inwoner.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2014/79

Conclusie

13/05527

Mr. F.F. Langemeijer

13 december 2013 (art. 80a RO)

Conclusie inzake:

[verzoeker]

tegen

College van Burgemeester en Wethouders van Castricum

1. Bij besluit van 5 november 1998 heeft het College van Burgemeester en Wethouders van Castricum de persoonslijst van verzoeker tot cassatie (hierna kortweg: verzoeker) zodanig aangevuld dat hieruit blijkt dat hij met ingang van 16 september 1998 is vertrokken naar een onbekend land1. Eerst bij brief gedateerd 25 maart 2009 heeft verzoeker daartegen bezwaar gemaakt2.

2. Na een bestuursrechtelijke procedure waarin op grond van het toepasselijke overgangsrecht het College van B en W onbevoegd is verklaard op dat bezwaarschrift te beslissen3, heeft verzoeker op 20 oktober 2011 zijn bezwaar als beroep voorgelegd aan de rechtbank te Alkmaar. Deze heeft bij beschikking van 23 februari 2012 verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep omdat dit niet is ingesteld binnen zes weken na verzending van het besluit4. Volgens de rechtbank is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Op het hoger beroep van verzoeker heeft het gerechtshof te Amsterdam bij beschikking van 13 augustus 2013 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Daartegen richt zich het − tijdig − ingestelde cassatieberoep.

3. De middelonderdelen 1 - 10 hebben betrekking op de datum van verzending van het besluit, die bepalend is voor de aanvang van de in art. 86 (oud) Wet GBA genoemde termijn. Het hof heeft beslissend geacht dat, wat er zij van het antwoord op de vraag of het besluit correct is verzonden naar het adres [a-straat 1] te Castricum5, het op 9 november 1998 in ieder geval óók is verzonden naar het door verzoeker opgegeven briefadres: postbus […] aldaar (rov. 3.4). De middelonderdelen 1 en 2 klagen dat het hof verzending naar deze postbus niet aannemelijk heeft mogen achten op basis van de (slechts met een interne verzendregistratie onderbouwde) stelling van de gemeente, althans dat onbegrijpelijk is waarop het hof deze vaststelling baseert.

4. Het hof verwijst in rov. 3.4 naar “het door de gemeente overgelegde dossier” en in rov. 3.3 naar de overgelegde interne registratie (prod. 2 bij het verweerschrift in appel). Daarmee is voor de lezer duidelijk waarop het hof deze vaststelling baseert. In dit stuk is vermeld: “kopie naar […]”. De wet schrijft geen aangetekende verzending voor; de verzending kan ook op andere wijzen door het bestuur aannemelijk worden gemaakt, onder meer via een behoorlijke interne administratie6. Het oordeel over de betrouwbaarheid van deze (vermelding in de) administratie komt toe aan de rechter die over de feiten oordeelt en kan in cassatie niet op juistheid worden onderzocht (art. 419 Rv).

5. De middelonderdelen 3 - 8 klagen dat het hof zonder toereikende motivering is voorbij gegaan aan essentiële stellingen; met name heeft het hof de stelling onbesproken gelaten dat met de interne registratie van de gemeente is geknoeid, althans gemanipuleerd.

6. De in onderdeel 3 onder a - c genoemde stellingen, over het tijdstip in de procedure waarop de gemeente voor het eerst heeft gesteld dat een afschrift is gestuurd naar postbus […], behoefde het hof niet te beschouwen als essentieel. In het inleidend verzoekschrift (punt 32) had verzoeker aangevoerd het onbegrijpelijk te vinden dat het College het besluit naar het adres [a-straat 1] stuurde, omdat hij al op 9 oktober 1998 aan de gemeente had laten weten dat hij postbus […] als postadres gebruikt. In eerste aanleg heeft het College zich beperkt tot een ontvankelijkheidsverweer. Nadat verzoeker in grief 2 had herhaald dat het besluit ten onrechte niet naar postbus […] is verzonden, heeft het College bij verweerschrift de verzendregistratie als bewijsstuk overgelegd.

7. De in onderdeel 3 onder d en e bedoelde stellingen van verzoeker tijdens de mondelinge behandeling in appel, over knoeien in de overgelegde registratie, hebben geen betrekking op de toevoeging “kopie naar Pb […]”, zoals het cassatiemiddel suggereert, maar op het anonimiseren van de ‘tipgever’ elders in dit document7. Aanvulling van feiten stond het hof niet vrij. Stelling f behoefde het hof niet te beschouwen als essentieel. Onderdeel 9 klaagt dat het hof verzoeker ten onrechte niet heeft toegelaten tot bewijs, maar noemt geen concreet bewijsaanbod waaraan het hof voorbij zou zijn gegaan.

8. Bij onderdeel 10 mist verzoeker belang. Ook al zou de weergave in rov. 3.4 van de desbetreffende passage in de pleitnota niet correct zijn, er is geen enkele aanwijzing dat het hof deze passage anders heeft opgevat dan zij volgens het middel was bedoeld.

9. De onderdelen 11 en 12 hebben betrekking op de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Indien een geadresseerde op een niet ongeloofwaardige wijze ontkent het besluit te hebben ontvangen kan (niet: ‘moet’) een overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar worden geacht8. Met het hof ervan uitgaande dat verzending van het afschrift aan postbus […] destijds heeft plaatsgevonden, lag het op de weg van verzoeker om feiten of omstandigheden te stellen waaruit volgt dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. Aan de rechtspraak wordt ontleend:

“Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) hanteren de hoogste bestuursrechters alle als uitgangspunt dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde dit vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Deze precisering van de benadering van het bewijs van ontvangst van niet-aangetekend verzonden stukken sluit aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad (zie HR 15 december 2006, nr. 41882, LJN, AZ4416, BNB 2007/112 en HR 10 juli 2009, nr. 08/01578, LJN, BG4156, BNB 2009/246) en draagt aldus bij aan de rechtseenheid in het bestuursrecht.”9

Deze maatstaf is door het hof niet geschonden. Met de bestreden overweging geeft het hof te kennen dat, nu de verzending van (een afschrift van) het besluit naar deze postbus door de gemeente aannemelijk is gemaakt, zulks het vermoeden rechtvaardigt dat het afschrift in die postbus is bezorgd. De overweging dat voor rekening en risico van verzoeker dient te komen dat hij het besluit niet heeft ontvangen, slaat kennelijk op het traject tussen het tijdstip van bezorging in die brievenbus en het tijdstip van inzage door (c.q. terhandstelling aan) verzoeker.

10. De onderdelen 13 en 14 hebben betrekking op de verzending van het besluit naar het adres [a-straat 1]. Deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden, omdat het hof zijn beslissing niet op een verzending naar dat adres heeft gegrond.

11. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn beroep op de in art. 80a lid 1 RO vermelde grond.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Zie art. 85 Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (wet van 9 juni 1994, Stb. 494, nadien gewijzigd). Tevoren was verzoeker gehoord over het voornemen daartoe (zie het verslag van de hoorzitting op 5 november 1998, prod. 8 bij het hoger beroepschrift in de bestuursrechtelijke procedure); zie ook art. 83 en 84 Wet GBA.

2 In oktober 2008 was verzoeker geconfronteerd met gevolgen voor zijn AOW van het feit dat hij vanaf 16 september 1998 enige tijd niet ingeschreven heeft gestaan; zie rov. 2.2 Rb.

3 ABRvS 6 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR0502, AB 2011/373 m.nt. M.M. Groothuis. Zie ook: art. 8:71 Awb.

4 De termijn van zes weken volgt uit art. 86 (oud) Wet GBA, zoals gewijzigd door de Aanpassingswet Awb III (wet van 23 december 1993, Stb. 690).

5 Dit is het adres waar verzoeker ingeschreven heeft gestaan tot het omstreden besluit en naar zijn zeggen is blijven wonen, hoewel hij, in verband met zijn werk in de zeevaart, daar slechts onregelmatig kwam.

6 Vgl. M. Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure, 2013, par. 2.5.2.3; J. Brand en T. Damsteegt, De verschoonbare termijnoverschrijding, JBplus 2005, blz. 135.

7 Pleitnota zijdens verzoeker onder 22 - 25. Verzoeker betwistte wel op andere gronden de verzending (pleitnota onder 28).

8 Op de grond dat de betrokkene pas na het verstrijken van de beroepstermijn kennis heeft kunnen nemen van het besluit. Andere gronden zijn in dit geding niet aan de orde gesteld.

9 ABRvS 25 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX2584. Zie ook: CRvB 13 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV9400, AB 2013/365 m.nt. L.J.A. Damen.