Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2372

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-12-2013
Datum publicatie
14-02-2014
Zaaknummer
13/02502
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:334, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Weigering tenuitvoerlegging Duitse alimentatiebeslissing en Duitse proceskostenbeslissing op grond van art. 34 onder 1 en onder 4 EEX-Vo (Verordening (EG) Nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEG 2001, L 12/1)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2014/95

Conclusie

13/02502

Mr. P. Vlas

Zitting, 20 december 2013

Conclusie inzake:

[de man]

(hierna: de man)

tegen

[de vrouw]

(hierna: de vrouw)

1. Het gaat in deze zaak om de vraag of in Nederland de tenuitvoerlegging van twee beslissingen van de Duitse rechter, te weten een alimentatiebeslissing en een beslissing omtrent de proceskosten (‘Kostenfestsetzungsbeschluss’), kan worden geweigerd op grond van art. 34 sub 1 (openbare orde) en art. 34 sub 4 (onverenigbaarheid met een in een andere lidstaat of in een derde land gegeven beslissing) van de EEX-Verordening.1 Naar mijn mening komt de zaak in aanmerking voor toepassing van art. 81 lid 1 RO, zodat met een verkorte conclusie wordt volstaan.

2. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.2 De man en de vrouw zijn op 18 juni 1993 te Cairo (Egypte) naar Egyptisch recht met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk van partijen zijn drie kinderen geboren. Partijen hebben tijdens hun huwelijk achtereenvolgens gewoond in Egypte, Duitsland en Nederland. Op 21 november 2009 is het huwelijk in Egypte naar Egyptisch recht ontbonden. Na de echtscheiding is de man in Nederland blijven wonen en is de vrouw verhuisd naar München (Duitsland).

3. Het Amtsgericht München heeft bij Beschluss van 30 juni 2010 de Egyptische echtscheiding niet erkend. In hetzelfde Beschluss is een alimentatievoorziening opgenomen. Op 20 april 2010 heeft het Amtsgericht München een Kostenfestsetzungsbeschluss genomen, volgend op een Beschluss van het Oberlandesgericht te München van 3 maart 2010, waarbij de man is veroordeeld een bedrag aan proceskosten van € 653,55, vermeerderd met rente, aan de vrouw te betalen.

4. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft bij beslissing van 10 juli 2012 verlof verleend tot tenuitvoerlegging van het Kostenfestsetzungsbeschluss van 20 april 2010 en bij beslissing van 30 juli 2012 van het Beschluss van 30 juni 2010.

5. Bij op 20 november 2012 ter griffie van de rechtbank Den Haag ontvangen verzoekschrift heeft de man tegen deze beslissingen tot uitvoerbaarverklaring een rechtsmiddel ingesteld en de rechtbank verzocht deze beslissingen te vernietigen. Bij aanvullend verzoekschrift heeft de man verzocht het petitum aan te vullen in die zin dat de rechtbank tevens wordt verzocht voor recht te verklaren dat het huwelijk van partijen naar Egyptisch recht en naar Nederlands recht is ontbonden op 21 november 2009. Bij beschikking van 21 februari 2013 heeft de rechtbank Den Haag beide verzoeken afgewezen.

6. De man heeft op de voet van art. 45 EEX-Vo tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank van 21 februari 2013.

7. Het cassatiemiddel keert zich met verschillende klachten tegen de afwijzing door de rechtbank van het door de man ingestelde rechtsmiddel tegen de beide uitvoerbaarverklaringen van de Duitse beslissingen.

8. Ik merk op dat aan de klachten van het cassatiemiddel bepalingen uit zowel de EEX-Vo als de Alimentatieverordening (AlimVo)3 ten grondslag worden gelegd. De AlimVo is van toepassing met ingang van 18 juni 2011 en vervangt de bepalingen inzake de rechtsmacht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen van de EEX-Vo die betrekking hebben op onderhoudsverplichtingen (art. 68 lid 1 AlimVo). Hoewel de AlimVo temporeel in beginsel alleen van toepassing is op procedures die zijn ingesteld op of na 18 juni 2011 (art. 75 lid 1 AlimVo), kunnen de regels inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van de AlimVo worden toegepast ‘op beslissingen, in lidstaten gegeven voordat de verordening van toepassing wordt, en waarvan vanaf dat tijdstip erkenning en uitvoerbaarverklaring wordt gevraagd’ (art. 75 lid 2 sub a AlimVo). Uit het procesdossier blijkt niet op welke datum de vrouw om erkenning en tenuitvoerlegging van de Duitse beslissingen heeft verzocht. De griffie van de Hoge Raad heeft tevergeefs gepoogd deze datum bij partijen te achterhalen. Bij deze stand van zaken ga ik er met de rechtbank vanuit dat op de zaak de EEX-Vo van toepassing is. Overigens zou de toepassing van art. 23 e.v. AlimVo waarnaar het middel tevens verwijst, niet tot een andere uitkomst leiden nu deze bepalingen nagenoeg gelijk zijn aan art. 33 e.v. EEX-Vo.

9. Onderdeel I keert zich tegen rov. 4.2 van de bestreden beschikking waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat de Duitse rechter in de visie van de man niet het juiste recht heeft toegepast geen grond oplevert voor weigering van de tenuitvoerlegging van de Duitse alimentatiebeslissing, omdat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke toetsing van deze beslissing, en bovendien niet valt in te zien waarom een alimentatievoorziening ook bij de toepassing van het verkeerde recht in strijd zou zijn met de openbare orde. Het middel betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen strijd met de openbare orde in de zin van art. 34 sub 1 EEX-Vo heeft aangenomen, omdat de Duitse rechter in de alimentatiebeslissing van 30 juni 2010 ten onrechte voorbij is gegaan aan de conflictregels van het Haagse Alimentatieprotocol 2007, waardoor de Duitse rechter het verkeerde materiële alimentatierecht heeft toegepast, namelijk het Duitse alimentatierecht in plaats van het (krachtens art. 5 Haags Alimentatieprotocol 2007 toepasselijke) Egyptische dan wel Nederlandse alimentatierecht.

10. De klacht faalt reeds aanstonds omdat het in art. 36 EEX-Vo verankerde verbod van ‘révision au fond’ eraan in de weg staat dat de rechter van de lidstaat waar de erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing wordt verzocht de juistheid van de beslissing onderzoekt op het punt van het door de buitenlandse rechter toegepaste conflictenrecht en het daardoor aangewezen materiële recht (in casu het alimentatierecht). Ten overvloede merk ik op dat, anders dan de klacht betoogt, de Duitse rechter in zijn alimentatiebeslissing van 30 juni 2010 geenszins de conflictregels van het Haagse Alimentatieprotocol 20074 had kunnen toepassen, omdat dit protocol pas met ingang van 18 juni 2011 in de lidstaten van de Europese Unie wordt toegepast.5 Voor zover de klacht een beroep doet op de openbare orde exceptie van art. 34 sub 1 EEX-Vo, faalt de klacht eveneens. Art. 34 sub 1 EEX-Vo is slechts bedoeld voor uitzonderlijke gevallen waarin de erkenning en tenuitvoerlegging van een buitenlandse beslissing zou leiden tot een kennelijke schending van een rechtsregel die in de rechtsorde van de aangezochte lidstaat van essentieel belang wordt geacht of van een in die rechtsorde als fundamenteel erkend recht.6 Daarvan is echter geen sprake wanneer de buitenlandse rechter het conflictenrecht niet juist heeft toegepast.7

11. Tegen deze achtergrond moet worden geconcludeerd dat de rechtbank in rov. 4.2 geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel van de rechtbank is evenmin onbegrijpelijk. Anders dan het middel zie ik geen enkele aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU.

12. Onderdeel II betoogt dat de rechtbank de tenuitvoerlegging van de Duitse alimentatiebeslissing ten onrechte niet heeft geweigerd omdat zij in strijd is met een Egyptische beslissing uit 2009 waarin de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken, welke beslissing in Nederland is erkend blijkens de inschrijving van de echtscheiding op 30 mei 2012 in de registers van de burgerlijke stand. De erkenning van deze echtscheiding betekent volgens het middel tevens een erkenning van de rechtsgevolgen van de echtscheiding, te weten de toepassing van Egyptisch recht op de alimentatie. Nu de vrouw op basis van het Egyptische recht geen aanspraak maakt op alimentatie, is de erkenning van de Duitse alimentatiebeslissing in strijd met de Egyptische echtscheidingsbeslissing, zo betoogt het middel met een beroep op art. 34 sub 4 EEX-Vo.

13. De klacht treft geen doel. Art. 34 sub 4 EEX-Vo mist in dit geval toepassing omdat de Egyptische echtscheidingsbeslissing buiten het materiële toepassingsgebied van de EEX-Vo valt (zie art. 1, lid 2, onder a EEX-Vo). Voorts kan geen sprake zijn van onverenigbare beslissingen van de Duitse en de Egyptische rechter, omdat het niet gaat om beslissingen inzake geschillen die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten.

14. Onderdeel III komt tevergeefs op tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.4 voor zover daarin is geoordeeld dat de omstandigheid dat de vrouw beslagmaatregelen heeft getroffen – die in de visie van de man in strijd zijn met zijn te respecteren recht op gezinsleven in de zin van art. 8 EVRM – geen strijd oplevert met de openbare orde exceptie van art. 34 sub 1 EEX-Vo. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat een eventuele onredelijkheid of onrechtmatigheid van de door de vrouw ingestelde executiemaatregelen niet beoordeeld kan worden in het kader van art. 34 sub 1 EEX-Vo.8 Een dergelijke stelling van de man moet worden beoordeeld in een executiegeschil (art. 438 Rv).

15. Onderdeel IV over schending van art. 6 EVRM faalt evenzeer. Nog daargelaten dat het onderdeel niet voldoet aan de aan een cassatiemiddel te stellen eisen, bouwt het onderdeel voort op de voorgaande onderdelen en deelt het derhalve het lot daarvan.

16. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Verordening (EG) Nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEG 2001, L 12/1, hierna afgekort als: EEX-Vo.

2 Zie rov. 2.1 t/m 2.3 van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 21 februari 2013.

3 Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen, PbEU 2009, L 7/1 (met rectificatie in PbEU 2011, L 131/16). Zie over de AlimVo o.a.: F. Ibili, Postrelationele solidariteit in het internationaal privaatrecht, WPNR 2012/6941, p. 585-592; P. Vlas, in: Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen, AlimVo.

4 Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, ’s-Gravenhage 23 november 2007, Trb. 2011, 145; PbEU 2009, L 331/19.

5 Zie PbEU 2009, L 331/17.

6 Zie HvJEG 28 maart 2000, C-7/98, Jur. 2000, p. I-1935, NJ 2003/626 (Krombach/Bamberski), rov. 36-37 en HvJEG 11 mei 2000, C-38/98, Jur. 2000, p. I-2973, NJ 2003/627, m.nt. P. Vlas (Renault/Maxicar), rov. 29-30.

7 Zie P. Vlas, in: Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 34 EEX-Vo, aant. 2; art. 36 EEX-Vo, aant. 1.

8 Zie ook HvJEU 13 oktober 2011, zaak C-139/10, Jur. 2011, p. I-09511, NJ 2012/18, m.nt. M.V. Polak (Prism Investments/Van der Meer).